Ghulam-Kassim

Een verhaaltje uit de Weenink Post van januari 1993

Ieder jaar ga ik een keer bij mijn oude club Excelsior kijken. Daar moet dan een goede reden voor zijn (klusje thuis waar ik niet aan wil, niks op de tv, weg kwijtgeraakt), nu was dat de verplaatste partij Schoehuijs-Kok voor de A-groep (zwitsers) van Weenink. Voor beide spelers heb ik een zwak. Erik Schoehuijs omdat hij een aardig potje kan schuiven en Nico Kok omdat hij op het bord schaker en kunstenaar tegelijk is. Hun partij zou ik dus even vakkundig in een sfeerreportage omsmeden voor de Weenink Post Extra, waarvan het thema dit keer kunst en schaken was. Kwam dat even goed uit.

Bijna iedereen was er. Otten, Ersson, Klok, Van Grootheest en Van IJsseldijk. Zelfs de naar Pat Mat verbannen Van Maassen zat aan de bar. Dat mocht, als hij zich nergens mee bemoeide. Op alle tafeltjes werd lekker geschaakt, eerst om het echt en dan al gauw voor de lol. Of andersom, dat maakte zo te zien geen verschil. In een hoekje zaten onopgemerkt de echte schakers Schoehuijs en Kok.

1.Pf3 g6 2.d4 Lg7 3.e4 Pf6 4.Ld3 c5 5.dxc5 Pa6 6.0-0 Pxc5 7.e5 Pg4 8.Pc3 Pxe5 9.Pxe5 Lxe5 10.Lh6
Aardig pionoffer van Erik. Maar toch een beetje saai. Mijn aandacht dwaalde af. Wie zag ik daar helemaal achter in de zaal? Frans Koopman. Zo, werd het toch nog een leuke avond! Het tafeltje had twee stoelen. Over de één hing de loodzware leren jas van Frans met op de zitting de allerdikste Succesagenda aller tijden, op de andere stoel zat Frans zelf, sigaartjes onder handbereik. Tegenover hem had, eerst staande, toen met een geleende derde stoel, de jongeman Borst junior plaats genomen. Deze bezat, behalve dat niet overtuigende junior, geen ander attribuut om trots op te zijn. Geen partij dus voor Frans, die er zin in had en zijn klompen ver onder juniors stoel had geschoven.

Frans dacht na. Op het bord stond een stelling uit een vorige eeuw. Het wou hem niet helemaal meer te binnen schieten, maar volgens hem kende junior de tweede matchpartij Steinitz-Lange, Wenen 1860 niet, want hij haalde alle zetten door elkaar: 1.e4 Pc6  2.Lc4 e5  3.f4 exf4  4.Pf3 g5. Nu was Frans de draad ook een beetje kwijt. Dat Ghulam-Kassim gambiet (had hij zich nog zo op verheugd, prachtige naam overigens) kon hij wel uit zijn hoofd zetten. Maar toen hij 5.h4 had gedaan (ja haha Blachly daar trapte hij niet in) en junior met het verbluffende nieuwtje 5…f6 op de proppen was gekomen, ging hij er eens extra breed voor zitten. Na een uurtje stond 6.Pxg5 Pe5  7.Dh5+ Ke7 op het bord.

Nico kwam langs gelopen: “Waar zit Frans nu over te piekeren? Zeg jij gaat hier toch geen stukje over schrijven, hè? Want ik moet voor de Weenink Post Extra iets over kunst en schaken doen en dit lijkt me wel wat.”

Frans dacht na over schoonheid en onsterfelijkheid. De beste zetten zijn vaak niet de mooiste. Frans speelt de mooiste. En ooit zullen die een keer ook de beste blijken te zijn. Dan houdt hij er mee op.

Er verstreek een kwartier waarin hij uiteindelijk berustte in het feit dat het mat nog enige voorbereiding vereiste: 8.d4 d5 9.dxe5 Ph6 10.exf6+ Kf6

Hij had nog een kwartier. Het duizelde hem. Eigenlijk mocht je niet overhaast handelen in zo’n stelling. Maar hij werd er toe gedwongen. Misschien had hij het nog even uit moeten stellen, maar hij deed het nu maar: 11.Pxh7+ Kg7  12.Lxf4 Kxh7  13.Ld3 Lg7

en omdat zijn tijd nu echt om was miste hij 14.Lxh6 Lxh6 15.Df7+ Lg7 16.e5+ Kh6 17.Dg6 mat.

Na afloop las hij onze gedachten. “Toch nog te snel gezet”, mompelde hij. En hij pakte zijn jas, agenda, sigaren, keek nog een keer door ons en junior heen, en ging zijns weegs. Langzaam zakten de emoties. Erik Schoehuijs won van Nico Kok. Van Grootheest speelde remise. Clarijs en Ten Bosch demonstreerden elkaar de verschillen tussen het Muzio- en het Allgaiergambiet.

Muzio, Allgaier, Hanstein, Philidor, Cunningham, Cochrane, MacDonnell, Rosentreter, Silberschmidt, Ghulam-Kassim.

Dat waren nog eens tijden.

My Home Is My Castle

Tien vertelsels, die soms iets met schaken te maken hebben, de meeste uit de Weenink tijd

 

Schaakspel geschonken door Berend Pluim aan Hans Nuijen

 

My Home Is My Castle

Schaken is een spel voor: Heren. Deze komen samen op een: Club. Daar spelen zij hun: Partij. Met in de ene hand een: Havanna. En in de andere hand een goed glas: Cognac. Niet lastig gevallen door andere dames dan die op hun knie, om wie het spel eigenlijk draait. Attaqueren zij de koning, dan annonceren zij: Schaak. Raken zij terloops de dame aan, dan heet het: J’adoube. Zijn zij tevreden met de status quo, dan is het: Remise. Maar wordt de partij gewonnen, dan wisselen de spelers van kleur en de dames van knie en volgt er een: Revanche. Is de stand daarna gelijk, dan wordt, in deze moderne doch jachtige tijd, een beslissing geforceerd in een zogenaamde: Rapidpartij. Dit is niet veel anders dan het vroeger gebruikelijke en zoveel eerlijker: Dobbelen.

Het is klaar dat de vrouw achter de schaker hier beter niet kan komen. Zij zit thuis of verzet, in deze geëmancipeerde doch zedeloze tijd, haar eigen zinnen met cricket, golf, tennis of bridge. Dit is niet veel anders dan het vroeger gebruikelijke en zoveel onschuldiger: Overspel. Wil de schaker dit voorkomen, dan zal hij gedwongen zijn de adembenemende door- en inkijkers op de Club te laten voor wat ze zijn en eerst thuis orde op zaken te stellen.

 

De Lange Mare

Een uur eerder dan normaal en na een wandeling door Leiden, waarvan de meesten het fijne ontging, bereikten we klappertandend de zaal aan de Lange Mare. De jassen werden onvoorzichtig op een hoop gegooid en onder een hemel van ballonnen en in een schijnsel, waarbij we zowaar nog gingen verlangen naar ons eigen schamele onderkomen in De Eindspurt, zetten we ons achter de borden. We zouden het spoedig wel wat warmer krijgen, dachten we. Alleen vonden we het vreemd dat veel van onze tegenstanders hun jassen aanhielden. Toen onze ogen een beetje aan de duisternis waren gewend, ontwaarden we zelfs truien, dassen en een enkele muts. Het klappertanden wilde ook al niet overgaan, verergerde zich zelfs tot schokschouderen en schuddebuiken, wat alleen Peter Uylings onberoerd liet. Die hield zich warm door met ferme pas rond te benen, daarmee tegelijk de verbindingslijnen met teamleider Bram Jansen en de koffiekamer in stand houdend. Het nieuws dat Hendrik Koopman een zet had opgeschreven, maar niet uitgevoerd, bereikte ons dan ook voordat Hendrik zijn pen had neergelegd. Onmiddellijk werden de sledehonden ingespannen en spoedden we ons, dicht tegen elkaar aan gedrukt, naar het eerste bord aan het uiteinde van de fjord, waar we net op tijd aankwamen om het vreugdevolle aansteken van de Bengaalse vuurpotten te aanschouwen. Onmiddellijk verspreidde zich een aangename warmte door de zaal, heel het land en onze verkleumde botten, voorbode van de naderende lente. Het was omdat Nanny pas tegen het vallen van de avond zou komen dat ik snikkend Bram om de hals viel. En ook hij was zijn ontroering nauwelijks meester en liet mij pas los toen ik hem had beloofd ook over de mooie dingen in het leven te zullen schrijven. Terug bij de koffiekannen lieten we het paardoffer en de ingesloten toren, vertraagd en in eindeloze herhaling, aan ons geestesoog voorbijgaan. Een voor één keerden de dappere krijgers nu, onder gezang en gedans, terug van de borden, beladen met buit. Alleen de bok, die Nico Kok schoot, bleef als zoenoffer achter. En des avonds vierden we de wonderschone overwinning met een Indiaas maal, waarbij ook Peter Poncin aanzat en zelfs Bert van der Zijpp onmogelijk nog de draak kon steken.

 

Negatief gedoubleerd

Dit keer had reisleider Berend Pluim Arnhem op het programma gezet. Daar waren wij nog niet geweest. Vol verwachting verzamelden wij ons op het station van Beverwijk. Het was nog guur maar het beloofde een mooie dag te worden. Tussen Beverwijk en Amsterdam had de machinist niet genoeg trein aangekoppeld, dus moesten wij verspreid reizen, maar vanaf Amsterdam was het beter geregeld en vulden wij met ons zestienen een hele coupé. Laurens Duin mocht vandaag ook mee. En waarom ook niet, we gingen toch gewoon leuk uit?

Al spoedig waren wij verdiept in de bridgerubriek. Wat dom nou: de volgende keer moesten we niet allemaal dezelfde krant kopen. Zo zag je maar weer, dat zoiets toch voorbereiding vergt. Hans Nuijen verdiepte zich, zij het oppervlakkig (want ja, een kei zou hij er toch nooit in worden), in het negatief doublet, wat Paul Bierenbroodspot (meneer Paul voor Noortje) vrolijk Spoetnikdubbel noemde. Die wist er dus meer van. Uitleggen. Het bleek een doublet te zijn op een tussenbod van je tegenstanders, als je wel een leuk spel hebt, maar zonder uitgesproken eigen kleur of steun in je partners kleur. Een kleurloos spel dus. Noortje las De Kinderen uit de Kabaalstraat, wat eigenlijk de Kanaalstraat was, maar omdat die kinderen zo’n kabaal maakten, heette die straat Kabaalstraat. Een woordspeling dus. Ondertussen zat Nanny te breien, sprak Peter Uylings in korte notatie en trakteerde Berend op koffie uit de minibar. In Arnhem gingen Noortje, Nanny en ik de stad in, terwijl de anderen doorreisden naar station Velperpoort om daar in de buurt iets te gaan doen waar ze goed in waren. Zeiden ze.

Tegen de avond troffen we elkaar weer. Niet iedereen was nog even vrolijk als ‘s morgens in de trein. Er was die middag behoorlijk negatief gedoubleerd. Vooral Alessandro di Bucchianico scheen iets misdaan te hebben. Driemaal had hij hetzelfde standje uitgeprobeerd, wat de Arnhemmers tot groot enthousiasme had gebracht. Maar daarvoor waren wij niet gekomen, dus loodste Berend ons snel naar de dichtstbijzijnde Chinees. Die had echter niet op ons gerekend, waarop wij ons verdeelden over een Indonesisch Restaurant en een Vegetarisch Eethuis. Zo was ik helaas slechts in staat de helft van alle roddel en achterklap op te tekenen. Een servet met aantekeningen ligt bij mij thuis ter inzage. Onder leiding van Peter Uylings, die moeiteloos alle stiltes vulde met vrolijke grootspraak (over gapen in de klas en een liefdesrijm voor straf, en over het verschil tussen autoritair en autoriteit; Noortje, na afloop: die man aan het begin van de tafel maakte veel grapjes), genoten wij van de volgende vegetarische gerechten: misosoep en waterkerssoep; geroosterde zonnebloempitten (vooral Erik Schoehuijs); vier ovenschotels (meer waren er niet) en rijst met gierst en seitansaus; verse groenten; wijn en vruchtendrank; kwark met rozijnen, watergruwel, roomijs met kersensaus en koffie met taart. Tussen twee happen door bleek Peter ook nog getrouwd te zijn. De onbespoten jongen en meisje van het eethuis wisten niet hoe ze het hadden. Hoe wij bij hun terecht waren gekomen. Ja, dat vroegen wij ons ook af. En wat ze alle andere dagen met die, overigens verrukkelijke ovenschotels deden. Toen wij weggingen zagen wij nog net hoe zij een feestelijke fles wijn op deze wonderbaarlijke dag ontkurkten.

 

Achterhoek

Mannen, hoewel we gedegradeerd zijn, ben ik toch trots op jullie. Er is dit keer geen narigheid geweest, er is niet gevochten, nauwelijks getrapt en ook de scheidsrechter kon rechtstreeks naar huis en niet via eerste hulp. Dat is wel eens anders geweest. Een hoeraatje voor Heren Drie. Op het volgende seizoen!

Wat zou dat zijn, vroeg ik aan Nanny. Voetbal dacht ze. Welnee, zei ik, niet gevochten, heren drie, dat is hockey of zoiets. Ach schei uit, zei zij weer, moet je die koppen zien, dat heeft geen weet van hockey of zoiets. Ik keek achterom. Ze had gelijk. Touwtrekken misschien. Dat was hier de sport. We zouden het spoedig weten. De grootste touwtrekker van de groep had al een paar keer naar ons geroepen. Nu kwam hij vragen wat we deden. Hendrik Koopman trachtte zijn psychologisch overwicht tot gelding te brengen door de duidelijk aangeschoten jongen te prijzen als sfeermaker. Die hadden we net nodig bij Weenink. Van de naam Weenink keek onze gloednieuwe sfeermaker niet op. In de Achterhoek wemelde het van de Aaftinks, Borckinks, Hiddinks, dat was Normaal. Dus hij voelde zich meteen helemaal thuis bij ons en omarmde Hendrik innig. Deze keek moeilijk om zich heen en vroeg zich af hoe hij het initiatief zo snel was kwijtgeraakt. Peter Uylings schoot zijn vriend te hulp. Schakers, riep hij luid, we zijn schakers. Heren Drie juichte nu dat sfeermaker een potje tegen ons moest doen, want hij won van iedereen met schaken. Sfeermaker liet Hendrik los en keerde zich naar Peter. Ben je goed, vroeg hij twijfelend. Nog net geen grootmeester riepen wij, al denkt hij daar zelf anders over. Sfeermaker overwoog zijn kansen en koos toen liever waterpolo met het hele team. Jij met je hockey, zei Nanny. Nu overwoog Peter zijn kansen. Hij keek de kring rond en zag louter watervrees. In z’n eentje, dat lukte hém zelfs niet. Sfeermaker was tevreden met dit gelijke spel en werd bovendien teruggefloten naar zijn tafel. Daar werd de haaienvinnensoep opgediend.

 

 

Vraaggesprek met de man die zijn partij op het nippertje won

Wat er door me heen ging? Ik dacht, het had niet veel langer moeten duren. Het meeste ging trouwens door mijn tegenstander heen, zo te zien. Die werd eerst donkerrood, toen purper en toen hij door kreeg, dat het applaus niet voor hem bestemd was, spierwit met allemaal kippenvel en rare vlekken en tenslotte helemaal fosforescerend geelgroen. Ik durfde nauwelijks te kijken. Toen hij weer kon praten, nou ja praten, het leek meer op een vastgelopen zuiger, piepte hij: ik had wel … op zevenenvijftig manieren … kunnen winnen. En toen schoot mij opeens een gedichtje van Cees Buddingh’ te binnen, het is eigenlijk een liefdesgedichtje, het heet dan ook “zeer kleine ode aan de liefste” en het gaat zo: vanochtend/ zag ik op straat/ een leeg heinz-blikje liggen/ en onmiddellijk/ dacht ik aan jou:/ 57 varieties.

 

 

Vraaggesprek met de man die zijn toren oliedom verloor

Wat is dat voor stomme vraag. Heb je wel eens een vrije trap regelrecht in je kruis gehad? Nou dan weet je het ongeveer. Totaal overspeeld had ik hem. Maar opgeven ho maar. Gewoon door knoeien met zo’n krom paard. Let ik even niet op, staat er een kasteel in. Ik denk nog: blijf met je takken van die toren af. Maar nee hoor, totaal geen respect. Zegt de klerelijer: het is niet verdiend, maar ik kan ‘m toch moeilijk laten staan. Ik wil hem toesnauwen: aso, vuile klootzak, etterbak in het geniep, laurens in het kwadraat. Ik tel tot tien, maar raak al bij twee de tel kwijt. En opeens, geloof het of niet, schiet me een gedichtje van Cees Buddingh’ te binnen, het heet “zeer vrij naar het chinees” en het gaat zo: de zon komt op de zon gaat onder/ langzaam telt de oude boer zijn kloten.

 

Elf

Evert, je moet zaterdag invallen. Zeg, ben jij wel goed bij je hoofd? Ja, het moet, we hebben drie invallers nodig, nood breekt wet. Had je dat niet iets aardiger kunnen zeggen en wie schrijft er dan? Dat doe ik wel. Ja maar, kan Peter niet, of Laurens, Hugo, Nico, Hetty?

Nee, die konden niet en dus was er geen ontkomen aan. De hele week geen woord gewisseld met Nanny en Noortje, drie avonden schaakstudie, vroeg naar bed en geen oog dicht gedaan. Zouden ze me dit geflikt hebben om mijn verslagen uit de Weenink Post te houden? Ik zou in het vervolg wel een ander toontje moeten aanslaan. De beste stuurlui staan aan wal. Nu komt het uit.

1. d2-d4 f7-f5
Brrr! Hollands, daar heb ik geen kaas van gegeten. Zouden ze erg boos zijn als ik g4 doe?

2. g2-g4?! f5xg4 3. e2-e4 d7-d6 4. h2-h3 Pg8-f6 5. Pb1-c3 e7-e5
Nou die laat er geen gras over groeien. Moet ik nu het centrum afsluiten of me naar remise proberen te ruilen?

6. d4xe5 d6xe5 7. Ddlxd8+ Ke8xd8 8. Lc1-g5 c7-c6
Dat is jammer, nu vindt de koning een schuilplaats op c7 en kan mijn paard niet naar d5. Die eersteklassers zijn niet voor de poes.

9. 0-0-0+ Kd8-c7
Wat nu? Die pion zie ik nooit meer terug. Toch maar even volhouden. Misschien is 10.hg4 Lg4 11.f3 Le6 12.f4 Ld6 13.Pf3 Pbd7 nog wat. Dan sla ik met de toren op d6 en met de pion op e5, waarna ik met Lf4 en eventueel Th5 de kleine kwaliteit win. Zal wel geen hout van kloppen. En wat loopt die klok snel. Nou vooruit dan maar. Mijn tegenstander wordt ongeduldig, die wil ook wel weer eens zetten.

10. h3xg4 Pf6xg4???
Droom ik? Hartkloppingen, kippenvel. Dit kan niet waar zijn. Wil er dan niemand meer met mij schaken?

11. Lg5-d8 mat
Handen schudden. Ik weet niet hoe ik kijken moet. Hij ook niet.

De volgende keer ga ik weer schrijven. Ik laat me geen tweede keer belachelijk maken.

 

Een valstrik

Hij had mij bijna te pakken, had al twee keer remise aangeboden, maar ik schaakte vrolijk door. Totdat mijn tijd op was en ik het van de increments moest hebben. Een gunstig eindspel werd vakkundig verkloot, sorry, vergooid.

Ik zag dat het fout was. Dat hij de toren naar c7 kon gaan spelen en wat dan? Ik raakte mijn toren aan en bewoog naar f2, maar zag nog net op tijd dat mijn koning niet meer op e1 stond, waar hij tien seconden geleden nog wel had gestaan, de sukkel. Alsof dat geholpen had trouwens. Goede raad was duur. De zwarte adelaar zweefde boven zijn prooi. Hij was opeens errrrug geïnteresseerd wat het muisje ging doen. Of het nog wel iets ging doen, want de laatste minuut tikte weg.


Opeens zag ik het: Tg2-h2, dat zou hem verleiden tot Tf7-f3. En ja hoor hij kon zich niet beheersen en begaf zich in roekeloze val, lette niet op de valstrik: h4-h5! en greep de eerste de beste pion of eigenlijk de verkeerde: Tf3xe3. En toen was daar Th2-h4+ en bleek de vogel behalve remise nog twee andere woorden te kennen: shit en kut.

 

Verliezen is niet moeilijk

Tata, praat me er niet van, vraag me er niet naar. Twee keer had ik moeten afzeggen bij mijn fitnessclubje. Maar daar was ik weer. “En, nog wat gewonnen?” vroegen ze me. “Ja, de poedelprijs” antwoordde ik dapper. Dat vonden ze erg leuk.

Het vorige jaar was ik gepromoveerd. Tegen de klippen op, zeg maar, en dat heb ik geweten. De tochten op de fiets naar Wijk aan Zee door sneeuw en duinen waren sensationeel mooi, maar wat er in dat ellendige oord allemaal gebeurde verzwijg ik liever. Ik won de eerste partij en de laatste. Daartussendoor niks. Zo’n week duurt erg lang. Extra pijnlijk was het moment dat ik onderweg na vier verliespartijen op rij toch nog een remisetje cadeau kreeg en de hele groep me uitbundig kwam feliciteren, terwijl mijn tegenstander ondertussen probeerde uit te leggen hoe dat zo gekomen was. Ja, dan verlies ik nog liever. Dat ging me trouwens steeds makkelijker af. Of toch niet?

Ik had zwart. Na slinkse manoeuvres had ik mijn dame waar ik haar hebben wou. Er stond nu een superdoorkijker op het bord. Van Hans Nuijen geleerd. Zou mijn tegenstander het ook zien? Hij dacht dat het geen kwaad kon en gaf zijn dame voor twee torens:

28. Tg1 Txe2 29. Dxe2 Txe2 30. Lxe2

Ik kwam gewonnen te staan, maar in razende tijdnood wist ik mijn vrijpion niet aan de overkant te krijgen en op de veertigste zet vergooide ik alles. Had ik maar wat meer tijd gehad. Toen herinnerde ik me een episode eerder uit de partij. Ik had een zet gedaan en ik ging even wandelen. Toen ik terug kwam zat mijn tegenstander nog steeds te denken. Waarover? Zo moeilijk was het niet. Ik besloot om me ondertussen ook maar wat in de stelling te verdiepen, want zoveel tijd had ik niet meer. Na een poosje, hij dacht wel idioot lang na, keek ik nog eens op de klok en zag dat er steeds minder voor mij overbleef. Heb ik mijn klok niet ingedrukt, vroeg ik schaapachtig. Nee, dat was het niet, bleek. Iemand anders had zich vergist, waarvoor hij zich omstandig verontschuldigde. Mijn tegenstander vertrok geen spier en deed zijn zet.

Verliezen is niet moeilijk, maar het heeft zijn schaduwkanten.

 

Nachtmerrie

Mijn man schaakt en dat is geen pretje. Hij zou nog een deur afschilderen, dat had hij beloofd, komt dus niks van. Hij hangt er zo’n beetje in, die deur dan hè, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Vannacht, ja het is zonde dat ik het zeg, werd hij opeens heel onrustig, ik vroeg ben je wakker en meestal zegt hij dan nee zie je niet dat ik slaap, maar nu zei die eerst niks, maar hij lag wel met zijn ogen open en toen zei die dat ie bijna de dame van die andere te pakken had maar dat het toen toch net niet gelukt was. Ik zeg je weet toch dat je dat niet mag, daar ben je nu te oud voor, de dokter heeft je nog zo gewaarschuwd. En toen had die man de mijne te pakken, zei die. En ik ga d’r nog op in ook, ik zeg, daar heb ik dan helemaal niks van gemerkt, dat had ik moeten weten. En toen begon hij me opeens wild te schoppen en te roepen feyenoord feyenoord. Ik hoop maar dat het gauw over gaat want het is een nachtmerrie.

Victory Boogie Woogie

Ton de Vries is dit jaar coach van het tweede. De eerste wedstrijd onder zijn leiding wonnen we van de onberekenbare Chess Society uit Zandvoort, de tweede was tegen het even geduchte als doortrapte ZSC/Saende 3, maar nu met Ton als speler in plaats van coach. Dat scheelde een slok op een borrel. Het team sloeg zich er manhaftig doorheen en bereikte een wonderbaarlijk gelijkspel. En omdat Ton wel aan zag komen dat hij zijn handen vol zou hebben aan zijn eigen partij (zo’n partij is vaak moeilijker te volgen dan acht van een ander), zouden we dit keer zelf verslag moeten doen van onze capriolen. Dus deden we extra ons best, daarbij geholpen door het toeval. Maar wat is toeval?

Zeven seizoenen geleden speelde ik met Weenink 2 in Zaandam tegen ZSC/Saende 2. Mijn tegenstander was René Hennipman. Hij schaakte beter dan ik en bereikte een gewonnen stelling. Maar met een zetje zo gemeen, dat ik er nu nog kippenvel van krijg, ontfutselde ik hem de partij:

48. … Ta8-h8 ☺♪!!☼!!♫☺

Zo te winnen. Victory Boogie Woogie. Maar dan oneindig veel mooier. De sensatie golfde nog minstens een week lang door mijn hoofd. Het belemmerde mij ernstig in mijn normale bezigheden. Maar erger moet het gesteld zijn geweest met mijn tegenstander, die niet alleen zijn partij, maar ook de wedstrijd voor zijn team had verknald. Zouden we die nog terugzien?

Dit keer speelde Weenink 2 in Beverwijk tegen ZSC/Saende 3. En tot mijn stomme vebazing en ik mag wel zeggen grote blijdschap was mijn tegenstander weer René Hennipman. Het was of we op herhaling waren. Hij schaakte opnieuw beter dan ik en bereikte een gewonnen stelling. Maar ik hecht aan geschiedenis en met een plannetje zo gemeen, dat ik er nu nog kippenvel van heb, ontfutselde ik hem wederom de partij:

 

Victory Boogie Woogie diagram 221. … Lb7-a6!?

Om zijn voordeel vast te houden moet wit nu 22.d6! doen. Maar de ongelukkige is zich nog van geen gevaar bewust en slaat uit voorzorg (hahaha) de toren op a8.

22. Lc6xa8? Lf6xc3!

Een normaal mens had nu toch onraad geroken, zo niet onze Hennipman:
23. b2xc3? 23. … Dd8-d6 ☺♪!!☼!!♫☺ Victory Boogie Woogie.

Is dit toeval? Waarschijnlijk niet. Ik kom hem gewoon elke zeven jaar een keer tegen.

ES

(eerder gepubliceerd in de Weenink Post)

De wijzen uit het Oosten

Onderweg vroeg ik Ronald hoe Het Oosten aan zijn naam kwam. Ronald weet alles, maar nu mompelde hij iets van: de wijzen of zo. Wat zeg je Ronald? Nou, de wijzen uit het Oosten. Weet je dat dan niet? Het is bijna kerstmis. Het is geloof ik een afsplitsing van Roland. Nee, Ronald, dat is een anagram, dan kan ik jou wel Arnold noemen, zo komen we niet verder. Kom nou maar mee, zei hij, en loodste me een kerk in.

Binnen in het helverlichte zaaltje stond een lange tafel opgesteld met acht borden. Achter de eerste drie borden zaten drie wijze oude mannen. Ze waren op tijd van huis gegaan en hadden, het wachten moe, de meegebrachte rookwaren zelf maar vast uitgepakt. De andere borden waren nog onbezet. Wij namen plaats en kregen allen een consumptiebon. Nu werden achter de laagste borden van het Oosten vier aan Herodes ontsnapte zuigelingen vastgebonden. Tot zover kon ik het volgen. Toen nam tegenover mij een vierde oude wijze man plaats. Daar sprak het verhaal niet over. Voor ik hiervan de betekenis kon doorgronden was de wedstrijd begonnen.

Mag ik u een consumptie aanbieden, vroeg de vierde wijze oude man, terwijl hij mijn consumptiebon van tafel griste. Ik had moeite mijn zwakke Franse pion, waar hij een begerig oog op had laten vallen, uit zijn handen te houden en kon niet overal tegelijk opletten. Toen hij terugkwam met oliebollen overviel mij een gevoel van naderend onheil, wat al spoedig gepaard ging met hevige maagkrampen. Wees je voorzichtig, had Nanny me nog nageroepen. Weer had ik haar raad in de wind geslagen.

De drie wijzen aan het hoofd van de tafel schoven sereen remise en aan het uiteinde van de tafel werd de motorisch gestoorde vierling alsnog uit zijn lijden verlost. Alleen ik was nog over. De kramp in mijn maag verplaatste zich naar mijn hoofd. De vierde wijze oude man tegenover mij had een klein uiterst modern black en deckertje uit zijn vest gehaald waarmee hij heel praktisch ragfijne gaatjes boorde in mijn Franse pion. Daar blies hij vervolgens de rook van zijn sigaretten doorheen. Aan de wand werd een bord opgehangen met de tekst: Svp niet roken voor halftien in verband met het grote aantal leden. De zaal was bijna leeg. Bovendien was het elf uur.

De weerstand van mijn arme pion was gebroken en met een lichte beweging van zijn hand veranderde de vierde wijze oude man hem in een hoopje as, waar hij onder applaus van de andere drie zijn dame opzette. Wíj waren ernstig gehandicapt aan de laagste vier borden, spraken de wijzen en ze knikten me bemoedigend toe.

Thuisgekomen klopte ik op de deur. Boven stak Nanny haar hoofd uit het raam. Ik heb je gewaarschuwd, riep ze en gooide een slaapzak naar beneden. Achterin de tuin vond ik een plaatsje. In de donkere lucht boven mij probeerde ik door mijn tranen heen een ster te ontwaren. Maar het was regen die mij in het gezicht sloeg.

ES
(Eerder gepubliceerd in de Weenink Post van december 1992)

Niet boos … wel verdrietig

NIET BOOS … maar wel verdrietig, is oom Evert.

Zaterdagmorgen vroeg in de trein gestapt richting Groningen. Mochten de jongens alleen reizen. Nog wat gemene plannetjes bedenken. Zou het allemaal een verrassing zijn. Als hij aankwam, was er misschien al eentje klaar. Had hijzelf vorig jaar niet in elf zetten afgerekend met zo’n Unitasser. Konden ze toch niet op zich laten zitten. Ze zeiden het wel niet, maar hij wist hoe ze over hem dachten. Hoe ze over iedereen dachten, die niet meteen van meesterklasse was. Hún klasse dus zo ongeveer. In de trein begon hij aan zijn nieuwe boek. Kerewin1. E korere Maori ana koe?2 Snapte hij ook al niet. De krant dan maar. De schaakrubriek van Ligterink las hij, zoals hij altijd naar de schaakverhalen van Uylings luisterde. De zetten konden hem gestolen worden. De verbindende tekst, daar ging het om. Zoals die morgen nog, op het stationsplein van Beverwijk: “ja en toen deed ik paardje huppeldepup en toen was hij eigenlijk wel gedwongen tot toren wijk aan zee, wat toevallig een hele goeie was en zo verloor ik, min of meer door eigen genialiteit, want daar was de broek natuurlijk nooit zelf op gekomen”. Even voorbij Harderwijk was hij afgezakt naar de damrubriek van Sijbrands. Tsjonge, wat had die raar gedroomd. Van Clerc (Den Haag) en Misjtsjanski (Donjetsk)3. Dat kon hij ook wel even doen, een tukkie. En zo leek het er even op dat hij die middag met een zelfbedachte variant van het Veluws voor de tweede keer sensationeel inviel. Mooie zeden in Ede zei oom4, en hij speelde de zetten terug tot in de beginstand, waarna zijn tegenstander hem de hand reikte. Het bleek de conducteur te zijn, die zijn dagkaart wilde zien.

De wedstrijd was een half uur oud toen hij binnenstapte. Eerst een rondje langs de borden. Bert Heemskerk zat er wat onwennig bij. Die had ook al zo lang niet meer geschaakt. Een Stonewall5 met verwisselde kleuren. Kon ook niet anders, want Bert had wit. Peter Uylings bracht hem even in verwarring: “verlies ik daar toch een pion”. Maar hij wist wat hem te doen stond. Even kijken en dan, alhoewel hij geen flauw benul had, veelbetekenend glimlachen. Daar had hij zich al jaren mee staande gehouden, dat zou vanmiddag ook nog wel lukken. Zo, maar weer eens verder gekeken. Alle houtjes geteld. Vergiste hij zich nou of stond Paul er echt eentje voor? Haha, die ging dus winnen, dat kon niet missen. De rest stond gelijk. Niets van te zeggen. Vooral niet als niemand hem hielp. Dus maar even aan de bar met Berend gepraat. “Niets van te zeggen hè, Berend?” Berend: “Nou, ik lig er niet wakker van”. Daar kon je tenminste op normaal niveau mee praten.

Terug naar de borden. Dat zag er opeens een stuk minder goed uit. Cees had Slavisch geruild6. En waar er twee ruilen, moet er één huilen. Cees dus. Laurens zat er ook niet vrolijk bij. En dan Alessandro, allemachtig wat kon die sjagrijnig kijken. Alleen Hans, die liep nonchalant rond. Zeker weer zo’n potje gespeeld waarin z’n tegenstander nog net iets oppervlakkiger speelde dan hij. Valse bescheidenheid van een gehalte, daar kon oom nog wat van leren. Even verderop bij Bert Heemskerk miste hij een kwaliteit, maar daar schrok hij niet van, want Bert was zijn tegenstander aan het mat zetten. Met nog een paar seconden op de klok. Even kijken hoe dat afliep. Plichtsgetrouw noteerde hij de zetten voor de wedstrijdleider, die zenuwachtig heen en weer sprong tussen de verschillende tijdnoodduels. Bert haalde het. Bravo. Alleen was het geen mat, maar eeuwig schaak. Voor de andere Bert ook maar een halfje ingevuld. Gebrek aan routine. Allebei. Moesten ze maar wat meer spelen. Nee, dan Paul. Maar wat zat die nou te klooien? Of zag hij het verkeerd. Even afluisteren in de gang wat Pauls tegenstander te melden had. Ja hoor, dat ging mis, als je die jongen mocht geloven. Zouden ze nou waarachtig in Groningen ook al kunnen schaken? Zo werd Weenink nooit kampioen.

Hij begon behoorlijk de pest in te krijgen. Maakte hij daarvoor zo’n reis. Om al die rotzetten te noteren. Hij nam zich voor er geen een te publiceren. Nou eentje dan. Dat vorkje van Hans7. Bij Erik ging hij al helemaal niet meer kijken. Als die in deze vorm naar Clermont Ferrand8 moest, dan kwam ie niet verder dan Waterloo9. Kon ie materiaalcommissaris van de plaatselijke Club d’Echec10 worden. Nee, dit was een verloren middag. Alleen Hendrik en Peter gingen winnen, al hadden ze allebei tegenstanders die eerst mat moesten voordat ze door hadden dat ze verloren stonden. Maar ja, die hadden zo eens rondgekeken en gedacht… Nou moest oom op zijn woorden gaan letten, want hij moest nog een plaatsje in een auto zien te krijgen voor de terugreis en dat kreeg hij natuurlijk niet als hij nu opeens uit zijn rol viel.

Bij de onvermijdelijke Chinees was hij even geschrokken. Had hij niet een keertje doorgespeeld in verloren stelling? En toen zijn tegenstander in slaap gesukkeld was nog bijna gewonnen ook? Dat waren kardinale fouten, begreep hij uit de tafeldiscussie. Schuldbewust verschool hij zich achter zijn gebakken garnalen. Wou er wel in wegkruipen. Nooit meer zou hij te lang doorspelen. Het veiligst kon hij maar meteen bij de eerste zet vragen of hij op mocht geven. Dan hield hij ze misschien nog een tijdje te vriend. Want schaken konden ze.

Nee, oom Evert kan niet boos zijn, maar hij is … WEL VERDRIETIG.

1) Keri Hulme, Kerewin; Sara, Amsterdam 1985.
2) E korere Maori ana koe? Spreek je Maori?
3) Sijbrands, Clerc en Misjtsjanski: dammers.
4) Palindroom: woord of zin die ook van achteren naar voren gelezen kan worden.
5) Stonewall: zwart verdedigingssysteem, niet om door te komen; met wit dus helemaal het toppunt van degelijkheid.
6) Slavische ruilvariant: om te huilen.
7) 30. … Pg3-e2 (met de witte koning op g1 en de witte dame op d4).
8) Stad in midden Frankrijk.
9) Belgisch stadje op de taalgrens: water en l’eau.
10) opmerkelijke opvatting van die Fransen: l’échec = de mislukking; jouer aux échecs = schaken

 

ES

[Weenink Post, jaargang 37 nummer 13, verslag van Unitas-Weenink, 11 januari 1986]