Vleermuis 65



Ik hou er mee op. Die oude Weenink Posten moesten maar weer eens terug naar Bram Janssen. Ik heb er genoeg van en Vandattus ook. Vooral nadat hij een keer heel gemeen over ons geschreven had. De een was te sloom, de ander te lui, te laf, te dik, te goor, hij werd er misselijk van. Maar toen hebben we hem wel een poepje van eigen deeg laten ruiken.

We waren met zeven man in twee auto’s en reden rondjes door Zaandam. De achtste was “op eigen gelegenheid”. Zoals gewoonlijk konden wij het speellokaal niet vinden. De straatjes en de pleintjes begonnen ons aardig de keel uit te hangen. En steeds als we het opnieuw probeerden passeerde ons een motorrijder. Het was een bespottelijk klein mannetje op een bespottelijk grote motorfiets. Bij het derde rondje herkenden we hem. Het was onze achtste man! Hij wees op zijn voorhoofd. Het was Vandattus! Kon niet anders. Bij het vijfde rondje kwam hij ons van de andere kant tegemoet. Hij maakte met beide handen los van het stuur een gebaar van: waar zijn jullie nou mee bezig? Wij sloegen een zijstraatje in dat we nog niet gehad hadden. Omdat het eigenlijk niet mocht. Eenrichtingsverkeer. Hij moest nu teveel dingen tegelijk doen. Handen aan het stuur, schakelen, afremmen, bocht nemen. Ons ook nog op het bord wijzen had hij beter niet kunnen doen. We hebben de wedstrijd uiteindelijk toch nog gespeeld, maar met z’n zevenen. Ging prima. En nooit meer last gehad.

Schaakvereniging Weenink 1931-2002

Wie echt iets wil weten over Weenink leze het boekwerk “Schaakvereniging Weenink 1931-2002” dat Ron Faber en Ton de Vries samenstelden nadat Weenink gefuseerd was met Pat Mat. Of het eerder gememoreerde Schaakclub “Weenink” (50 jaar Weenink) samengesteld door Frans Koopman. Het eerste is te vinden in het Max Euwe Centrum. Het tweede is een collectors item.



***

Vleermuis 64


Five Easy Pieces



Van het bestuur

Teksten uit dit blad mogen worden overgenomen, mits met bronvermelding, MAAR NIET ONS PAARD, dat in het laatste Excelsiorblad werd aangetroffen.


Gre

Mensen, ik hoop dat een ieder van het vierde tevreden is over het kommentaar geven van mij in het clubblad. Ik meen het nooit zo. Ik hoop dat ik volgend seizoen weer met jullie mee mag doen.


Van Dam tot Dam

Bram Janssen is behalve leider van het eerste team ook lange afstandsloper. Dat hadden we niet gedacht. Toch is het niet zo gek. Juist tijdens zware beproevingen komt de geest vaak tot diepe inzichten.

Want zie je, ik ren helemaal niet, ik loop gewoon, en op de een of andere manier weet ik dat, als ik vergeet dat ik in een wedloop zit en alleen maar op een sukkeldrafje verder ga tot ik niet meer weet dat ik hardloop, ik altijd de race win. Ik vraag me af of iemand van de andere jongens hetzelfde geintje uithaalt, maar ik weet zeker dat dat niet zo is (Alan Sillitoe: De eenzaamheid van de lange afstandsloper).

Bram vertelde ons dat zijn beste tijd over de tien Engelse mijlen één uur en twintig minuten of daaromtrent is, een veredeld sukkeldrafje dus, waarbij hij in het midden liet of daar de drie minuten, die verloren gingen bij de start, bij inbegrepen zijn. Maar wat is drie minuten. Nog hetzelfde weekend zag ik op tv een wedstrijd in Engeland over een halve marathon. Driehonderdduizend lopers op een snelweg. Een half uur duurde het voordat de staart van het veld zich in beweging zette. Hardlopen is tegenwoordig een zaak van veel geduld, zoals schaken met het nieuwe speeltempo haastwerk is geworden.


Bijna volmaakt

Het slot van het seizoen had plaats bij Greet en Hendrik Koopman in Noordwijk thuis. De zonen waarschuwden ons er geen varkenskot van te maken. De dochters waren prachtig gekleed. En het maal was feestelijk. Bram Janssen kreeg van het team voor zijn jarenlange ploegleiderschap een door Nico Kok gemaakt kunstwerk aangeboden. Het was bijna volmaakt…


Frans Koopman

Lange leren jas, klompen.
Bedremmeld stond ik tegenover hem.
Ik stamelde een groet. Schaamde mij voor
zijn ontrouw, smachtte naar zijn bewondering.
Hij glimlachte slechts, sprak niet eens:
tot ziens.

Weenink, 16 november 1991

Vleermuis 63

VOTRE TOUR MADAME

Vrolijk betreedt invaller Peter Poncin het wedstrijdlokaal in de Nieuwe Slof. Ogenblikkelijk veert zijn antenne kaarsrecht omhoog: VROUW IN DE ZAAL! Kom je alleen maar mee of schaak je ook zelf, opent Peter. Nee, uh..ja ik doe mee, antwoordt zij blij verrast. Nederlandse damestop, verduidelijkt een ploeggenoot. Hoe heet jij dan? (uitnodiging tot de dans…) Patricia de Wit. Nóóit van gehoord! (…van de ongelikte beer). De opstelling bepaalt dat Patricia wit heeft en Peter zwart.

Bram houdt zijn hart vast. Maar Peter is dit keer even koel als hij er uitziet. De partij verloopt goed voor hem. De verhouding is naar zijn zin. Als zij even naar het toilet is, wacht hij haar op. Zijn “votre tour madame” overvalt haar (kunstje, poets, ommetje, staat haar toren in of is ze gewoon aan zet). “Wat zegt u?” Peter kijkt haar vriendelijk aan. “Heb jij dan geen Frans gehad op school?” Zij zet zich achter haar bord, maar strijdt voor een verloren zaak. In hopeloze stelling valt haar vlag.

Peter is als eerste klaar. Analyseren. De partij wordt van voren naar achteren en van achteren naar voren doorgenomen. Zij blijkt schorpioen. Zijn Venus staat in de schorpioen. Hello, is it me you’re looking for? Peter weet van geen ophouden. Totdat haar teamgenoten het welletjes vinden. Mevrouw De Wit, gaat u nog mee eten? Even probeert Peter het nog. Of hij mag adviseren in de keuze van het restaurant. De jongens van HMC beslissen Italiaan. Pas nu valt ook Peters vlag.

Weenink Post jaargang 43 nummer 5 (oktober 1991)

Vleermuis 62

Mijn laatste partij

25 juli 1986
Toulon
Zuid Frankrijk


Zoals elke dag loop ik, roodbruin verbrand, van strand naar speelzaal om daar mijn partij te spelen. Vandaag de zevende ronde van het vierde open toernooi van de Mediterranée. Gisteren ben ik geveegd door iemand waarvan ik nog steeds denk dat hij niet kan schaken. Eén voordeel heeft dat in ieder geval in zo’n Zwitsers toernooi: vandaag kom ik weer tegen een zwakkere. De voorbereiding verloopt snel en doeltreffend langs de supermarkt om mineraalwater en koele drinkyoghurt te halen.

Eens kijken wie mijn tegenstander is. Ah, het is Marlène Estève, één van de weinige vrouwelijke deelneemsters aan dit toernooi. Zestien of zeventien zal ze zijn en hoewel haar gezicht iets popperigs heeft is ze het aankijken wel waard. Het zal moeilijk worden me geheel op het schaakbord te concentreren.
Voor de partij spreek ik nog even moeder Estève, die in het organisatiecomité zit. Zo’n nietszeggend gesprek van “leuk dat jullie tegen elkaar moeten”, en meer van die onzin.

De partij begint
.

Bram Janssen – Marlène Estève

1. a3

Daar! Als je, zoals ik, weinig schaakt en dan nog uitsluitend met zwart dan is het moeilijk “gebruik te maken van de voorzet”. Met deze zet zorg je ervoor met zwart te spelen. Daarbij komt dat a6 in veel van de systemen die ik met zwart speel niet onnuttig is. Verder ben je nog uit de bekende theorie ook.

Echt verrast is mijn tegenstandster niet. Al snel volgt


1. … Pf6 2. Pf3 g6 3. g3 Lg7 4. Lg2 d6 5. d3 0-0 6. 0-0 Pc6 7. e4 Pg4 8. h3 Pf6 9. Pc3 Le6 10. d4 Dd7 11. Kh2 Tfe8 12. d5

en wit wint een stuk. En dat al na een kwartier spelen.

Opgegeven werd er echter niet!

12. … Dd8 13. dxe6 fxe6

Zwart bood remise aan! Met een glimlach maar toch volkomen serieus zei ze: “Vous desirez la nulle?” Verbijstering maakte zich van mij meester. In wat voor een wereld leven wij dat iemand met een stuk minder na 20 minuten spelen remise durft aan te bieden.

Wat zou hier de gepaste reactie zijn voor een professionele speler als ik. Doen alsof je niets gehoord hebt? A tempo een zet doen? Je linker wenkbrauw optillen en vervolgens de partij uitschuiven? De wedstrijdleider roepen vanwege onhoffelijk gedrag? Terwijl ik hierover nadacht vloog er opeens een lach door mijn hersens. Eigenlijk was het ook wel grappig wat hier gebeurde. Ik zou het ook gewoon kunnen aannemen, dan was ik van deze partij af. Ik ging naar de bar en bestelde een kop zwarte koffie. Het bord bleef leeg en verlaten achter. Marlène liep glimlachend door de speelzaal. Ik ging toch maar weer terug naar het bord om na te denken. Niet over de stelling, die was niet zo interessant, maar over dat gekke remise aanbod.

Zo verstreken ruim anderhalf uur. Ik had nog 10 minuten over om iets te beslissen. Andere spelers bekeken de stelling met steeds meer verbazing. Het bord was regelmatig verlaten. Marlène liep door de speelzaal, ik liep regelmatig heen en weer om nog wat andere partijen te bekijken. Uiteindelijk nam ik een besluit: ik deed een zet. Marlène kwam terug aan het bord en gaf de partij op.

Binnen 1 seconde had ik de nieuwe situatie getaxeerd. Ik zei: “Non, ce n’est pas nécessaire, parceque je propose la nulle.” Dat nam ze aan, de professional.

Na deze partij heb ik nooit meer geschaakt.


Zuid Frankrijk
Toulon

25 juli 1986
Mijn laatste partij


Bram Janssen

Weenink Post extra jaargang 2 nummer 4 (mei 1990)

Vleermuis 61

Delen uit het verslag van het eerste Grasmat-toernooi door Laurens Duin

Weenink Post jaargang 42 nummer 1 september 1990

Op vrijdag 1 juni en zaterdag 2 juni 1990 werd het eerste openlucht-tournooi georganiseerd door de schaakvereniging “Het Grasmat” gehouden. De vereniging Grasmat bestaat nog maar drie jaar en is opgericht vanuit een voetbalvereniging in de Fizeaustraat te Amsterdam. Deze jongens hebben tijdig ontdekt dat voetbaltactiek en schaaktechniek heel goed samen kunnen gaan, en ondersteund door de kreet ‘aanvalluhhh’ hebben ze het gepresteerd om ieder jaar nog te promoveren vanuit de 5e klasse SGA naar nu de 3e klasse SGA. Hun schaaklocatie is gewoon in de voetbalkantine, waar de bar bediend wordt door een mokums echtpaar van boven de tachtig, ome Harrie en tante Greet, die beide net aan hun tweede jeugd zijn begonnen.

Het tournooi bestond uit twee gelijkwaardige poules van ongeveer 30 personen die 7 ronden zwitsers zouden spelen met speeltijden die variëerden van 20 minuten per persoon per partij tot 45 minuten per persoon per partij. Deze variabele speeltijden waren er om te voorkomen dat ook maar iemand een systeem in het tournooi zou kunnen ontdekken. De bedoeling was dat de twee winnaars een finale wedstrijd zouden spelen en wel buiten op de middenstip van het voetbalveld zonder publiek.

Mijn eerste tegenstander was Horatius Vlam. Na remise aangeboden te hebben die hij weigerde en na een poging een zetherhaling op het bord te toveren, welke hij met man en macht vermeed, probeerde hij winst te forceren. Deze mislukte poging van hem was voldoende de grote wijzer van zijn klok in confrontatie te brengen met het kleine rode vlaggetje, wat natuurlijk een ongelijke strijd is. Na de eerste ovaties in ontvangst te hebben genomen en van hem te hebben vernomen dat het puur om een gezelligheidstournooi ging en dat de punten een secundaire rol speelden, vervoegde ik mij bij ome Harrie om onder het genot van enkele pilsjes bij te komen. Mijn tweede tegenstander was M. Knook en het kostte me niet erg veel moeite deze partij te winnen. Het was tevens de laatste partij van de eerste dag.

Alhoewel mij door de zeer gastvrije Grasmatters een slaapplaats werd aangeboden, ben ik toch maar naar huis gegaan. Niet om mee te kunnen doen aan het Luilaktournooi dat ‘s nachts werd georganiseerd door Weenink, maar omdat ik een medepassagier had, de ‘klerelijer’ ome George, een Amsterdamse gepensioneerde kleermaker, die nu in Wijk aan Zee woont en het tweede jeugdlid van het Paard van Ree is – hij is net als ome Harrie en tante Greet net begonnen aan zijn tweede jeugd – en die de volgende ochtend om 7.00 uur ontbijtjes klaar moest maken in Hotel Sonnevanck.

Na de volgende morgen om kwart voor twaalf weer in Amsterdam aangekomen te zijn, zag ik de andere schakers met dichtgeknepen oogjes binnendruppelen. Ze waren net als ik niet gewend om zo vroeg op te staan. De sfeer was prima en na de inhoud van de koffievaten in recordtijd te hebben zien slinken kon ik aan mijn derde ronde beginnen. Toen ik na twaalf zetten in een Budapestgambiet een toren en twee pionnen voorstond gaf mijn tegenstander op. Ondanks dat we dit keer 30 minuten bedenktijd hadden begrijpt u wel dat we klaar waren voordat de andere schakers al enigszins bruin waren geworden van het zonnetje dat hun oogjes nog verder deed dichtknijpen.

Ik had nu even tijd om de prijzen te bewonderen die door een van de organisatoren waren ingekocht op het Waterlooplein. Deze prachtige prullaria stonden uitgestald op de prijzentafel. Ik zag een meter hoge zilverkleurige opiumwaterpijp, een oude bandrecorder met een geluidsband vol muziek waarmee een mens zich in de vorige eeuw zou wanen, een strijkbout van voor de oorlog (eerste of tweede?) waarvan ik bijna zeker ben dat de huisvrouw die dit ding had gebruikt geëlectrocuteerd is geworden, een prachtige metalen drankmixer die na een poetsbeurt niet zou misstaan in een huiskamer, een messing oosters beeldje met ingelegde nepdiamanten, een letterbak etc. Daarna was er nog tijd om in het zonnetje wat muziek te maken. Iemand had een gitaar meegenomen en ik heb altijd mijn Ierse ‘tinwhistles’ bij me. Dat leidde tot een algehele samenzang met zowat alle schakers waarbij je bijna vergeten zou dat er ook nog geschaakt moest worden.

In de vierde ronde had ik wit tegen Jeroen Wismeijer. Dit keer met slechts twintig minuten bedenktijd. Omdat hij de stad was ingegaan om te lunchen en zich in de tijd vergist had, kwam hij elf minuten te laat en had hij nog maar negen minuten over voor de partij. Op zich was dat voor hem geen probleem omdat hij tijdens zijn andere partijen regelmatig even ging voetballen en dan na elke drie doelpunten terugkwam om een paar zetten te doen en evengoed zijn partijen wist te winnen, maar nu had hij geen tijd meer om te voetballen en ik won de partij nipt. De overige partijen waren niet interessant en ik wist mijn groep met een honderdprocentscore te winnen.

Voor de laatste ronde zouden we met z’n allen nog een partijtje gaan voetballen, maar ik werd gered door een zware regenbui die ik voor dit tijdstip had besteld. Na dit moment passend herdacht te hebben met de nodige spirituelen begonnen we aan het gezamenlijke diner, dat bij het inschrijfgeld inbegrepen was. Een kok uit een Amsterdams restaurant bereidde in het kleine keukentje van de kantine met een oventje en een vierpits gasstelletje op nog geen drie vierkante meter een copieuze maaltijd voor zeventig personen! Ieder pakte een leeg bord (geen schaakbord) en liet dat in de keuken vullen. De maestro schatte of je een grote eter was of niet. Volgens deze maatstaf werd er een grote of een kleine gepofte aardappel op je bord gedeponeerd, een stuk vlees uit de ‘pot pourri’ gevist samen met wat groente en aangevuld met een heerlijk stuk turks brood uit de oven. Bij de bar werd de maaltijd aangevuld met een plastic bekertje rode wijn uit een jerrycan. Je zag schakers die geen kans meer hadden op een prijs zich veelvuldig bij de jerrycan vervoegen. Daarna haalde ieder zijn dessert op. De eerste liepen de keuken uit met een vol bord yoghurt met vruchten. Na de eerste twintig borden zag je dat de kok zich rijkelijk vergist had en werden de porties steeds kleiner.
Nadat ome Harrie de lege borden had opgehaald en afgewassen had, kon het tournooi afgemaakt worden op de middenstip. Het regende nog steeds.

Ralph Scheuer-Laurens Duin

1. Pf3 Bordejongen door walkie-talkie: “één paard f3” 1. … Pf6 2. b3 g6 3. Lb2 Lg7 4. e3 0-0 5. Le2 d6 6. d4 c6 7. 0-0 b5 Bordejongen: “Ehhh…, kunnen jullie dat nog een keer overdoen, want ik ben pas bij 1.Pf3.” Ik: “Zullen we de zetten als we ze uitvoeren hardop zeggen?” Ralph herhaalde de zetten en de bordejongen gaf ze door. Kantine: “Kunnen jullie het nog een keer herhalen, want we missen een paar zetten.” Bordejongen: “Eehhh…” Ralph herhaalt de zetten. Kantine: “Wat was de derde zet van zwart?” Ik: “Loper g7” Bordejongen: “Loper g7” Kantine: “Wat zeg je?” Bordejongen: “LOPER G7!!”

8. c4 Bordejongen door walkie talkie: “8. c4 … Misschien kunnen jullie de ontvangen zetten voortaan even herhalen.” Kantine: “Oké” 8. … Db6 Bordejongen: “8. … Db6” Kantine: “8… Db6. Willen de schakers wat drinken op kosten van de club?” Ik: “Ja, koffie graag. Zwart met suiker.” Ralph: “Nee, dank je.” Bordejongen door walkie talkie: “Een koffie zwart met suiker en een cola met cognac.” Kantine: “Oké” Bordejongen door walkie -talkie: O ja, doe er ook een cigaret bij.” Kantine: “Voor wie is de cola met cognac?” Bordejongen door walkie-talkie: “Dat zeggen we niet.”

9. cxb5 cxb5 10. Pc3 Bordejongen geeft de zetten door. Kantine: “Hoeveel tijd hebben ze verbruikt?” Bordejongen: “Allebei vier minuten ongeveer.” Ralph: “De klok doet het niet! Hebben ze allemaal nieuwe klokken, krijgen wij zo’n oud kreng.” Er wordt een nieuwe klok gebracht.

Kantine: “Hebben jullie het koud?” Deze vraag wordt bevestigend beantwoord, ondanks het feit dat ik van de voorzitter een warme jas had mogen lenen.

Het verdere verloop: 10. … a6 11.d5 Lb7 12. b4 Pbd7 13. Dd3 Tac8 14. h3 Pxd5 15. Pxd5 Lxd5 16. Lxg7 Lc4 17. De4 Kxg7 18. Lcx4 Txc4 19. Dxe7 Pf6 20. Pd4? Txd4 0-1 Bordejongen door walkie-talkie: “Wit geeft op.” Kantine: “Hè?!” Kantine: “Wie speelde er ook weer met wit?” Bordejongen: “Ralph Scheuer”

Vanaf het voetbalveld kon ik het applaus vanuit de kantine duidelijk horen. Bij binnenkomst moest ik eerst tekst en uitleg geven en daarna werden de prijzen uitgereikt. Ik kreeg een enorme wisselbokaal. Ze schenen deze uit de prijzenkast van de voetbalafdeling ontvreemd te hebben. De naam van de bokaal was “Bullbokaal” en ontleend aan een vroeger lid, een boom van een kerel met een klein hartje, maar waarmee je geen ruzie moest krijgen en waarmee je met een gerust hart door Amsterdam kon stappen. Bull was anderhalf jaar geleden omgekomen bij een auto-ongeluk.
Nadat de bokaal was gevuld met champagne en rond was gegaan door de hele kantine, kreeg ik ook nog de waterpijp uitgereikt.

Uren later en nog voor het feest afgelopen was, ging ik richting Wijk aan Zee met in het achterhoofd de herinnering aan een van de leukste en gezelligste schaaktournooien die ik ooit heb mogen meemaken.

Laurens Duin
8 juni 1990

Vleermuis 60

Klulkoek

Daar heb je die verrekte Vandattus weer. Met een van zijn netste onzinstukjes. Heb ik naar moeten zoeken. Er staan aanwijzingen in. Ik doe aan tekstanalyse. Heb ik voor geleerd. Hij stamt af van een vervlaamd Waals (of verwaand Frans) officiersgeslacht, waarvan de nazaten tegen hun zin in Antwerpen waren gestrand en van dat dus behoorlijk de pest in hadden kregen. En van die bekakte Gentenaren natuurlijk. Kan ook andersom zijn geweest. De rest is lariekoek en dwaalspoor. Zie ik iets over het hoofd?

Weenink Post jaargang 37 nummer 28 juli 1986

Kan ik er wat aan doen dat mijn voornaam Vlaams en mijn achternaam Vlaams is? Eigenlijk wel, maar dat voert minstens voorbij de taalgrens, andere keer misschien.

Ik wil het eens hebben over dat door die ‘Ollanders’ misverstane werkwoord ‘verbelgen’: sommige heren en dames hollandici menen dat woordteruglopend te kunnen afleiden uit het situatie-veranderende voorvoegseltje ‘ver’ en het intrigerende oud-vlaamse woord ‘balg’. Dat zou dan via kruisbestuiving door Welshmen onder Filips de Schone uit het Noord-Iers zijn gekomen en staan voor ‘walgen van’. Zodoende zou ‘verbalgen’ iets of iemand verfoeien zijn. Klulkoek!

Uit de jongste opgravingen te Peerkens-Kruisegem wordt mijn mening gestaafd dat ‘balg’ staat voor ‘balg’ en dat wij Hollanders er alleen maar mee konden blazen, terwijl de Belgen er in knepen en kneedden. Ware meesters waren die Belgen daarin en het duurde niet lang of hun faam in dit handwerk snelde hen achterna naar de Nederlanden alwaar zij reeds decennia in slavernij werden gehouden om de ‘balg’ te hanteren. Al spoedig werd het instrument synoniem voor de bediener ervan. ‘Daar hejje’nen Balg’ zei men dan en als die ‘Balgen’ te veel gedronken hadden, dan wilden ze er nog wel eens flink tegenaan gaan en iemand ‘verbalgen’ wat neerkwam op het modieuze nederlands: iemand even verbouwen of vertimmeren. Het is aan het bekakte taalgebruik van de Gentenaren te danken of te wijten dat men van ‘verbelgen’ begon te spreken.

Hoe zit het dan met ‘gebelgd’ en ‘verbolgen’? Awel, hier hebben wij van doen met een sterke Belg en een zwakke Belg, die elkaar in een historische tongverstuiking hebben misverstaan, zo simpel ligt dat.

Frankie Verzottus

Vleermuis 59

Van welk een nooit geschatte waarde

Hein de Vries (hij overleed in 2005) was een kleurrijk mens. Nog elk jaar wordt in de laatste dagen van december een naar hem vernoemd schaaktoernooi gehouden in Wijk aan Zee, georganiseerd door het Schaakgenootschap Het Paard van Ree. Een niet te missen gezellig toernooi omlijst met gedichten, muziek en een gezamenlijk diner.

Hein was behalve lid van het Paard van Ree ook lid van Weenink. In het seizoen 1985/1986 leidde hij het tweede van Weenink naar een kampioenschap en tijdens die campagne werden wij in de Weenink Post op een geheel eigen wijze op de hoogte gehouden van dat succes. Zijn ideaal was een verslag te schrijven waar geen schaakterm of -zet aan te pas kwam. Daar oefende hij op. En zo kon het gebeuren dat ons een schaakwedstrijd verteld werd als ware het een regatta op het Wijkermeer, dan gingen de trossen los, was er geen sprake meer van open lijnen maar van rakken, werd er bij harde wind gereefd en als het echt niet anders kon de steven gewend, maar nooit schipbreuk geleden, ofschoon kantje boord. Tegenstanders werden gefinndold. Dat was een woordspeling. Maar er werd ook wel eens uit Beverwijk vertrokken. Vroeger was dat gewoon een uitwedstrijd. Maar Hein zag dat toch anders en dan heette het: er zijn soldaten uit Beverlo vertrokken. Een lied, aan de inhoud waarvan de eigen spelers zich niet veel gelegen lieten liggen, want het waren hun tegenstrevers die zouden sneven.

Beverlo

Een lied uit Mistero Buffo van Dario Fo
Internationale Nieuwe Scène


Bij het kampioenschap volstond hij met een gedicht:

Sebastian Coe
Een dertigtal meters
genomen met schijnbaar gemak…
Hautain wendt het hoofd zich
linksom over de schouder,
rechtsom over de schouder.
Het lichaam schakelt terug –
de benen gaan in vrijloop.
Ze dragen twee geheven
armen over de finishlijn.


Heel mooi vond ik een stuk dat hij een keer zomaar plompverloren middenin een “wegens een bruiloft in Dubrovnuk verlaat” verslag opschreef. Had laten slingeren leek het. Vergeten op te ruimen. Een verdwaalde tekst uit een ander verhaal, een andere plaats, een andere tijd. Wonderschoon.

We zitten langs de weg ergens midden in Kroatië; Walter, Wolter en ik. We eten en drinken wat. Onder en tegenover ons het glooiend landschap van een bergdal. Verspreid liggende boerderijen, wat omgeploegde akkertjes, veeteelt. Zo’n zes, zevenhonderd meter beneden ons, zowat aan de voet van de tegenover ons liggende heuvelrij, grazen enige koeien. Er staat een vrouw bij. Rechtop en schier bewegingloos. Ik breek een stuk van een groot, plat brood en wacht tot Wolter klaar is met ons enige mes. Het is hier fris langs de weg. Nu krijg ik het mes. Daarmee druk ik wat harde schubjes boter in het veel zachtere brood en daarmee snijd ik wat plakjes van de te dure salami worst. Wachten, aankloten, snijden, dat kost mij een minuut of tien. Hap. Ik kijk weer naar de koeien. Ze grazen. De vrouw staat bij hen. Rechtop, bewegingloos en schier op dezelfde plaats. Ik pak een fles bier en maak hem open. Fleng. Salami, bier en broodpap. Weer kijk ik naar beneden. De koeien grazen wat verderop, 30 à 40 meter. De vrouw staat bij hen, 30 à 40 meter van haar oude positie. Rechtop en schier bewegingloos. Wellicht spaart ze haar krachten; ik denk dat ze vandaag het huishouden nog moet doen. Welk een tempo heeft het leven hier en van welk een nooit geschatte waarde is hier de Dame?

Vleermuis 57


Met alles rekening gehouden…


De wedstrijd tegen de Koningsclub Bergen is in sportief opzicht het hoogtepunt in de geschiedenis van Weenink. Wekenlang had de “hulpkoots athok” de ballon opgepompt tot die wel móest klappen. Het knappe was dat dat precies op het goede moment gebeurde: op zaterdagmiddag 11 mei 1985 in de Wijckermolen.

In de maanden daarvoor had hij de Koningsclub hinderlijk gevolgd en nauwlettend geanalyseerd. Hij wist wie er wel en wie er niet zouden spelen. En wat er moest gebeuren: Play the man – not the board! Bij al onze spelers legde hij voor het slapen gaan Simon Webb’s Chess for Tigers onder het hoofdkussen.

“The Tiger is a vicious beast. He doesn’t care about the aesthetic side of chess. He doesn’t even care about making the ‘best’ moves. All he cares about is winning. Do you want to win more games? Then become a Tiger.”

Hij zei het ook nog een keer in begrijpelijke taal: “Luister goed. Ik zeg alles maar één keer. Begin bij de sloomheid van Kuligowski, de bril van van der Sterren, de moederbuik van Hartoch, de notatieneurose van Marcus, enzovoort”. Eerst de man en dan pas de bal.

Minstens zo prikkelend waren de rekenkundige prognoses waarmee Bram Janssen de bespiegelingen van de hulpkoots, die in ogenblikken van twijfel, als hij in zijn korfbalverleden groef en daaruit de hoop putte dat als je maar genoeg oefende en het vaak genoeg probeerde de bal vanzelf een keer door het mandje ging, laten we zeggen nuanceerde. Samengevat kwam het erop neer dat Weenink met 2,02 tegen 7,98 zou verliezen en dat de kans op een goed resultaat (gelijkspel of kleine overwinning) één procent was. Onthutsend?

Onmiddellijk gingen de gedachten uit naar Donner, die toen hem werd gevraagd hoeveel procent kans hij dacht te maken in zijn tweekamp tegen Ree (Nederlands kampioenschap 1971) zei, hij deed alsof hij het uitrekende: negenennegentig. En na de match die hij verloor, hij zocht naar een fatsoenlijke verklaring: ja, je moet met alles rekening houden, net dat ene procent is er nou uit gekomen.

https://www.jadoube.nl/schaken/weenink-koningsclub/

Net dat ene procent …

Vleermuis 56


Met vlag en wimpel

In het seizoen 1983/1984 debuteerde Weenink in de eerste klasse KNSB. Aanvankelijk met schrik in het hoofd en de benen werden de eerste twee potjes (uit tegen Amersfoort en thuis tegen Bussum) dik en dik verloren. Met acht twee en zeven drie maar liefst. Maar in de derde wedstrijd wierp Weenink de schroom van zich af en won het in Leiden met 7½-2½ van LSG. Zeven en een half. Dat smaakte naar meer. Ik meldde me aan als supporter en reisde met het team mee naar Enschede. Dat mocht. Als ik beloofde een verslag te schrijven.

Weenink Post jaargang 35 nummer 11

De treinreis was ver en niet zonder zorgen. Zou Weenink er in slagen de vierpionnenwedstrijd tegen Esgoo in zijn voordeel te beslissen? Als je Jan Sinnige moest geloven, dan hing het eersteklasserschap af van deze ene wedstrijd. Het Leidens ontzet had de schrik van de eerste twee nederlagen, tegen Amersfoort en Bussum, kennelijk nog niet geheel weggenomen.

Bijna een uur te vroeg kwam de ploeg in Enschede aan, hetgeen teamleider Berend Pluim nog even de gelegenheid gaf wat verfijningen in de opstelling aan te brengen. Rien Aalbregt zou debuteren op het negende bord, terwijl Erik Schoehuijs zonder bril op het achtste bord (Ha acht…) op adem mocht komen van de psychologische klappen, die hij met behulp van zijn Nederlandse lerares (…dame!) had trachten af te weren.

Hotel Modern bleek het eigendom te zijn van de vierdebordspeler van Esgoo. Waarschijnlijk was dat de reden dat hij meespeelde, want de strijd was nog maar net begonnen of hij gaf als goed gastheer Bert van der Zijpp een paard cadeau. Hinnikend schoof Bert de partij uit.

Ondertussen had Rien Aalbregt vliegensvlug remise gemaakt, met toestemming overigens van Berend, die dit mooi meegenomen vond. Later zou Rien zich de haren uit het hoofd trekken, toen hij zag hoe de Esgoo-spelers één voor één hun verkreukelde notatieformulieren over de balustrade wierpen als ze maar even iets in de weg werd gelegd.

Op het eerste bord raakte Haitsma, de tegenstander van Hendrik Koopman al na twaalf zetten (uit een matchpartij Korchnoi-Spassky, Belgrado 1977) de weg kwijt, waarna hij uiteindelijk met een kleine petit-combination (de woorden van onze kopman), dus zeer subtiel, aan de nul werd geholpen. Dat prikkelde Peter Uylings zodanig dat hij met behulp van Tsjigorin ijlings de vloer aanveegde met zijn bange tegenstander Okkes. Het nadeel hiervan was dat hij (Peter) er niet over uitgepraat raakte. Tegelijkertijd gaf in de achterhoede Cees Doevelaar onze Alessandro di Bucchianico (wat een ongelijke strijd) een paard ten geschenke. Alessandro had Russisch geopend en bedankte de gulle gever beleefd en na de partij nog eens hartelijk voor dit geschenk.

Daarmee was een tussenstand van 4½-½ in het voordeel van Weenink bereikt en de steeds geestdriftiger dreunen van Berend op mijn schouder deden mij verlangen naar slechter tijden.

Het was tijd geworden om met kuchen en smekende blikken in de richting van zijn klok Nico Kok tot grotere spoed aan te zetten. Het spel van Nico was weer als vanouds: een schatkamer boordevol met de schitterendste ideeën, waarvan alleen de sleutel nog even gevonden moest worden. In de extra minuut die de spelers tegenwoordig krijgen lukte dat nog net op tijd.

Aan het achtste bord speelde Erik naar eigen inzicht een magistrale partij, waar zijn tegenstander ook maar de helft van begreep, en dus werd het remise. Het wordt tijd dat Erik weer net zo slordig gaat spelen als vroeger en gewoon tevreden is met kwaliteitswinst.

Drie partijen waren nog aan de gang en de roep “tien!tien!tien!” werd steeds luider, waaruit moge blijken dat het zelfvertrouwen bovennatuurlijke proporties begon aan te nemen. En inderdaad, er was nog van alles mogelijk: Paul Bierenbroodspot bracht met zijn koning de allerlaatste pion naar de overkant, terwijl zijn paard de vijandelijke loper afhield, en Hans Nuijen voerde bekwaam zijn eindspel van toren, loper en pluspion tot winst.

Maar Ben Otten spande de kroon. Zijn tegenstander was al na twintig zetten in hevige tijdnood geraakt en noteerde niet meer. Ben was even in moeilijkheden geweest, omdat hij met zijn dame op a4 een pionnetje had opgehaald, wat hem er eentje op f7 had gekost, maar ja, dat is van nature een zwakke broeder, dus daar zat hij niet mee. Op vriendelijk verzoek van de wedstrijdleider noteerde Ben de zetten, waaronder een paar erg slechte van zijn kant. Hierdoor geholpen haalde zijn tegenstander op het nippertje de veertigste zet, waarna hij onmiddellijk een uur lang in gepeins verzonk. Een remiseaanbod werd door Ben met een blik op de klok afgeslagen. Bovendien stond hij slechts één pionnetje achter en de stand in de wedstrijd vereiste dat hij doorspeelde, zou hij later verklaren…

Hij won twee pionnetjes en stond er nu dus één voor. Opnieuw moesten er twintig zetten in een minuut gedaan worden. Op vriendelijk verzoek van de wedstrijdleider noteerde Ben de zetten, op zijn knie. Hierdoor opgejaagd haalde zijn tegenstander de achtenzeventigste (!) zet, alvorens zijn vlag viel. Op zoveel zetten had ik trouwens niet gerekend, zodat de zetten niet alleen op de knie van Ben, maar ook op de binnenkant van mijn hand, arm, enzovoort stonden, wat betekende dat de wekelijkse wasbeurt uitgesteld zou moeten worden tot na de analyse.

Dit alles had de Esgoo-speler niet onberoerd gelaten en nadat opnieuw een remiseaanbod van hem afgeslagen was, zette hij mopperend de klok stil en brak af. Ben liet hem rustig begaan, riep nadat de envelop verzegeld was de wedstrijdleider en claimde vriendelijk winst wegens tijdsoverschrijding. Hij had nog vijf kwartier op de klok en als zijn tegenstander die erbij nam, dan zouden, defecten nagelaten, onherroepelijk vlag en wimpel vallen. De wedstrijdleider trapte erin en daarmee was de eindstand bepaald op 9-1. Waarop Jan Sinnige tegenover de verblufte Twentenaren verklaarde, dat Weenink aanvankelijk wat aanpassingsmoeilijkheden had gekend in de eerste klasse, maar nu het juiste ritme te pakken had.

De terugreis verliep voorspoedig en zonder zorgen.

De Weenink-spelers op 10 december 1983 in Enschede waren: Hendrik Koopman, Peter Uylings, Hans Nuijen, Bert van der Zijpp, Paul Bierenbroodspot, Ben Otten, Nico Kok, Erik Schoehuijs, Rien Aalbregt en Alessandro di Bucchianico. Voor de goede orde: Ben Otten heet nu Colleen Otten. Zij schaakt nog steeds. Evenals Peter, Paul, Nico, Erik en Alessandro. Schakers gaan lang mee. Van de Esgoo-spelers (Anne Haitsma, Menno Okkes, Henk Bernink, Gerard Grotenhuis, Ton Binnendijk, Jan Hondebrink, Bert Jongsma, Hans van Bekkum, Bertus Bremer en Cees Doevelaar) weet ik het niet zo precies.

Vleermuis 55


Wie is Vandattus?

Jarenlang bezocht een schuinsloper de Weenink Post. Waar Ha acht Dame fijntjes fileerde, daar had je Vandattus die woest te keer ging en pseudoniem scalpeerde. Proestend en snuivend schopte hij alles overhoop en iedereen voor zijn kont. En het liefst maakte hij dus iedereen een kopje kleiner. Hij was onder ons. Maar wij wisten niet wie hij was, raadden maar wat. Of zagen wij iets over het hoofd?

Weenink Post jaargang 35 nummer 11

BOOS

Ik beboos. Ben ontzettend boos. Ik ben godvergemes boos! Schrijf in afgemeten zinnen. Komt mijn boosheid beter uit. Lees je nog wel? Lees dan verder! Over boos. Wat is het? Het is dit. En het kwam zo. Goeroe Hen-drik schrijft heen. Discipel E-rik terug. Oogt puik. Als z’n schaakspel. Maar dan! Het begint zeer, zeer goed. “De heer H Koopman.” De heer Koopman. Voel je ‘m? Delicaat en toch beschaafd. Krijg er bijna eriktie van. Dan, als het al bijna vastgepakte stuk: “Beste Henk.”

Beste Henk??? In één klap dame kwijt. Partij verloren. Huil. Teneur, tendens en trend ontkracht! Erik toch! Hoe kon je? Hendrik rijp voor Willibrordusstichting. Had al ‘n fruitmand in m’n hoofd. Kan ik daar wel laten zitten nu. Laat-ie bijna Hendriks bilspleet zien. Wij, van Weenink, al gegeten en gedronken! Gaat-ie zijn kont likken! Beste Henk! Begrijp je dan nooit iets van het schaakspel? Je hoefde nog maar één ding te doen. Rondgaan met de collectebus. Maar in plaats daarvan? Beetje amicaal doen. Minderwaardigbrilspelletjes zitten doen! Ben je nu helemaal van achteren genomen?

Luister. Volgende keer moet het anders. Je observeert HK. Je constateert dat achterlijke schudden. Zogenaamd concentratie. Onder het spel. Vraag of-ie daar mee wil stoppen. Zo niet, dan zeg je het tegen Vandattus. Of je maakt hem écht bang. Gaan we straks allemaal zo knikkebollen. Wedden dat-ie groen aanloopt? Of, fijne Erik, Hans, Nico en volgende laf uitgezochte slachtoffers: lees wat aandachtiger Jan Blokker. S-a-v-o-u-r-e-e-r zijn mening. Over gogologen en aanverwante kruisingen. Bevrijd jezelf en lach eens kriek! Zielo-loog! Ja ja, drie-hoog met een boog. Zonder vangnet. Wie is van hout? Swami bami Hendrikineesi.

Wie is van dat dus?
Uw eigen Sjaan Foudraal

We konden niet genoeg krijgen van deze schuinsmarcheerder, zolang hij zijn rotjes maar in iemand anders zijn broekzak stopte. We dachten slim te zijn en begonnen elkaar wijs te maken dat we het heel misschien wel wisten of in ieder geval vermoedden, maar dat we echt niks gingen zeggen, want als het dan niet waar was dan werden we de volgende keer zelf te kakken gezet. En als het wel waar was ook. Totdat iedereen het zogenaamd wist. En dus hadden we de schelm nog steeds niet te pakken.

Vleermuis 54

Ha acht Dame verknipt en ingekort (1983-1984)

De stukjes “Ha acht Dame” van Hendrik Koopman werden door de meesten van ons verslonden en door sommigen gevreesd. De leden van het eerste tiental van Weenink kwamen bij hem allemaal ongevraagd op de sofa terecht, maar niet ieder slachtoffer vond dat even leuk, hoewel slechts een enkeling dat toegaf. Het is wel de reden waarom ik hieronder in een versnipperd overzicht bijna alle namen afgeplakt of weggeknipt heb, want er werd naast behoorlijk gek geschoren soms ook meedogenloos raak geschoten. En ook wel eens niet. Dus wordt het (na zoveel jaar) voornamelijk gissen. Tenminste, dat hoop ik, want anders vrees ik repercussies, of van de schrijver of van een wellicht geraakte.


Weenink Post jaargang 35 nummer 6

… Op verzoek van een groot aantal fans, waarvoor mijn dank, hervat ik mijn werkzaamheden als columnist. Het is natuurlijk bekend dat het clubblad van VHS lange tijd zeer gewild was vanwege mijn bijdragen. Ik heb vanzelfsprekend wel een vaste plaats geëist in dít clubblad. Bovenaan bladzijde 2 lijkt mij het meest geschikt. Vóór Vandattus. Beter voor beiden…


Weenink Post jaargang 35 nummer 16

… De schaakstijl van een bedaarde veertiger. Rustig, positioneel van goed niveau, zeer grote kennis van openingszaken, maar ook wat angstig, te voorzichtig en terughoudend. Op zijn leeftijd hoor je niet steeds in eindspelen te geraken. Een Uylings (ai…) had op die leeftijd nog nooit een eindspel op het bord gehad! Maar hij heeft één troost. Het verstrijken der jaren werkt in zijn voordeel. Zijn spel zal steeds meer in overeenstemming komen met zijn leeftijd …


Weenink Post jaargang 35 nummer 11

… Denkt u dat ze denken? Ik denk van niet. Volgens mij denken ze niet. Volgens mij zitten ze gewoon lekker te suffen. Een zware werkdag zit erop. Het was vermoeiend. Het weekend was zwaar met al die visite en activiteiten. Reikhalzend kijken ze uit naar hun enige echte vrije avond in de week. De dinsdagavond. De schaakavond is als de ochtendkrant, maar dan langer. Lekker dicht bij de verwarming. De ogen op oneindig. Net doen of je denkt. Genotvol slurpend aan de koffie. Dan weer lekker duffen. Geen gezeur aan je kop. Mensen zwijgen omdat ze denken dat je denkt. Het tikken van de schaakklok. Het huiselijke tikken van de breipennen van Hetty. Je speelt Franse verdediging of Caro-Kann. Dan hoef je niet te denken. De eerste uurtjes zijn voor jou. Lekker kalm. Sjablone na sjablone. De ene na de andere. Laat hem maar komen …


Weenink Post jaargang 35 nummer 23

… Hij was er al bang voor. Dat het ter sprake zou worden gebracht. Dat het onder de aandacht zou komen. Helaas kan ik niet anders. Ik moest. Ik heb zitten denken, me suf zitten piekeren. Hoe anders? Hoe het te omzeilen? Steeds keerden de gedachten als door een magneet getrokken naar dat ene alles bepalende kenmerk: het brilletje.
Zeg nou zelf. Karakteristieker kan het niet. De brilstand! Slechts door dat ene aspect geboeid. Met zo’n voorzetsel kan het ook nauwelijks anders. Hij kijkt door een remise de wereld in. Frits van Turenhout (ai…). Jarenlang presenteerde hij op zondagmiddag op radio en later via tv voetbaluitslagen. Steeds zat ik er en genoot. Nec-nac-nul-nul. Heerlijk. De verfijnde uitspraak. De subtiele magere l. Nul-Nul, O-O.
Maar zó kom je er niet jongen. Wil je advies? Een schaker behoort zich op zijn minst vierkante glazen aan te meten! En voor jou, heel apart, het montuur in de vorm van een paardensprong. Wèg evenwicht. Een nieuwe wereld gaat voor je open …


Weenink Post jaargang 35 nummer 8

… en opeens werd mijn oog getroffen door een aantal kunstwerken. Steenhard, zwart, glanzend en zwanger van symboliek. Ronduit verrassend was de daaropvolgende aanblik van de schepper van deze kunstwerken. Geflankeerd door twee geweldig mooie vrouwen. Ze vraten hem bijna op. Ongegeneerd namen zij bezit van de kunstenaar en zijn creaties. Ik wendde mij af. Het deed pijn. Hij was niet meer te redden. Hij kwam handen te kort. Later achter het schaakbord eveneens …


Weenink Post jaargang 35 nummer 7

… Kunt u het nog volgen? Nou ik al niet meer! Hij denkt zoals hij schaakt. Schematisch en bij de eerste aanblik schijnbaar logisch. Staan we echter wat langer stil bij zijn ideeën en spel dat ervaren we onmiddellijk de geringe diepgang. Zo vergeet hij voor het gemak dat een “psychologische zet” beantwoordt dient te worden met psychologische tegenzet. Wanneer bijvoorbeeld remise wordt aangeboden in een vroeg stadium van de partij past slechts één houding. U blijft uw koele blik onveranderlijk aan de 64 velden gekluisterd houden en hult u in stilzwijgen. U zit daar onbeweeglijk als een sfinx. Ongenaakbaar. In deze pose volhardt u verscheidene minuten. Vergeet onderwijl niet te genieten van de gedaanteverwisseling van uw tegenstander. Het glimlachje waarmee het remiseaanbod vergezeld ging is al lang van zijn lippen verdwenen. Er is algehele onrust voor in de plaats gekomen. Onrustig schuiven op de stoel. Zijn ogen schieten herhaaldelijk richting u en ze zullen boekdelen spreken. Heeft hij me soms niet gehoord? Moet ik mijn aanbod herhalen, maar dan wat luider? Ik zei het toch duidelijk genoeg geloof ik? Waar zit hij nou naar te kijken? En net als uw tegenstander de ondraaglijk geworden spanning tracht te verminderen door op te staan en wat te gaan lopen voert u uw zet uit. Soepel en zelfverzekerd. U staat vervolgens zelf op van het bord en blijft even staan. Hoog toornt u uit boven uw tegenstander. U kijkt op hem neer en snuift even minachtend. Vervolgens begeeft u zich de speelzaal in op zoek naar Uylings (ai…), die op dat moment ongetwijfeld rond zal lopen, voor een ontspannen inhoudsloze babbel. De overwinning is nog slechts een kwestie van tijd. Meer diepgang dus. Duidelijk? …


Weenink Post jaargang 35 nummer 9


… Ik zie de foto nog helder voor me. Kampioenschap van Heemskerk 1981. Een foto van de kampioen uit 1980. Zwart wit. Een tikkeltje zweem door de uitvergroting. De spelers van Excelsior konden hun ogen er niet van af houden. Telkenmale kwamen ze weer even kijken. Eigen kweek. Schouderklopje. Bemoedigend toespreken. Tuindersjongen. Een van hen. Eenvoudig gebleven. Zelf was hij eveneens herhaaldelijk bij de tafel met de foto te vinden. Zich spiegelend gelijk Narcissus. Toch moet ik bekennen dit een goede eigenschap te vinden. Een schaker die niet met zichzelf is ingenomen zal het nooit ver schoppen. Er dient onwrikbaar geloof te zijn in eigen kunnen …


Weenink Post jaargang 35 nummer 14

… Drie jaar terug. Het eerste schot voor de boeg. Stug verdedigen. Hij pakt een pionnetje. Gaat er op zitten. Nooit meer terug gezien. Geluk dacht ik toen. Ik had gewaarschuwd moeten zijn. Een bloedhond laat nooit meer los. Steeds weer die hatelijk terugkerende nul. Voor mij wel te verstaan. Hij staat bovenaan mijn dodenlijstje. Bovenaan staat hij. Dikke rode lijnen rond zijn naam. Zijn naam. Zijn beeltenis. De bleke gelaatstrekken. Zijn magere gestalte. De handen steeds verborgen in de broekzakken. Wegkijkend. Hij combineert als een krant en speelt als een egel. Maar ik moet bekennen: een egel met erg veel gevoel voor het spelletje. Vooral als er gevaar dreigt. Opgerold, met zijn stekeltjes uit, wacht hij op de aanval. Drie keer stootte ik als jonge hond mijn neus en droop jankend af. Nu heb ik de remedie. Geduld. Wachten is het devies. Een schoteltje melk ter verleiding. Tot hij dorst krijgt en zijn verdediging verlaat. Dan is hij kwetsbaar en zal ik toeslaan …



Weenink Post jaargang 35 nummer 24

… Talloze varianten worden in hoog tempo getoond. Getoond, want denk niet dat je de kans krijgt met je handen de stukken te beroeren. Op vaardige wijze verdwijnen de stukken van het bord. Zeer logisch ook … op het eerste gezicht. Ik denk dat het vooral komt door de vele slagwisselingen. Hij pakt eerst die, dan moet die worden geslagen, die moet zo worden teruggewonnen want als je zo terugneemt wordt die gepakt en staat gelijk die ook in…. De mond van de verbouwereerd toekijkende tegenstander zakt steeds verder open. Allemaal gedwongen. Daar had hij totaal geen vermoeden van gehad. En toch… Iets binnenin mij fluisterde: nee, dit kan het niet zijn. Te primitief. Waar blijft het tussenschaak, de subtiele tussenzet, de tempodwangsituatie of de “stille”? Toen daagde het mij. Het was geen schaken. Het was dammen. Slaan verplicht. Meerslag gaat voor. Hij speelt recht voor zijn raap dammen. De stenen kunnen alleen naar voren. Pion g2-g4. Als je die pion niet vast lijmde kan je er vergif op innemen. Hij kan er met zijn fikken niet van afblijven. Kamikaze Uiltje. Hij heeft inmiddels rijles (ai…).



Vleermuis 53

Op 9 december 1981 bestaat Weenink 50 jaar. Naar aanleiding daarvan verschijnt er een jubileumboekje, samengesteld en vormgegeven door Frans Koopman, in een oplaag van 250 exemplaren.

Het bevat “zo om en nabij” de geschiedenis van 50 jaar Weenink, van 1931 tot 1981. Elk rechtgeaard Weenink-lid bezit een exemplaar. Die hoef ik dus niets te vertellen. Toch heb ik er één verhaaltje uit gepikt. Het is een wedstrijdverslag. Eentje naar mijn hart. Het vijfde van Weenink speelt met TIEN man tegen VHS. Toen nog wel. Je hebt er geen bord bij nodig. Dat is niet erg. De zetten kunnen me gestolen worden. Let op de namen. Keymans, Vogel, Schoof en Pruis. Die wil je toch niet tegenkomen? Daar is geen woord Frans bij. En een neuriënde Koopman. Bij hem dan weer wel. Maar wie is narretje?

Quintet? Narretje is een grappenmaker. En VHS schrot. Toen al.

Weenink-Koningsclub


Beverwijk 1985 Weenink-Koningsclub, een wedstrijd om in te lijsten. Tien clubspelers tegen twee internationale grootmeesters, drie internationale meesters, twee FIDE meesters, twee nationale meesters en een in opleiding.


Supervisor Frans Koopman zweept de ploeg maandenlang op in de Weenink Post. Het ratingverschil van gemiddeld 250 punten per speler wordt in een sensationele wedstrijd volledig weggepoetst.

Over het paard getild

De prognoses waren overduidelijk en wetenschappelijk onderbouwd. Weenink zou twee bordpunten scoren tegen de Koningsclub. Een halfje meer of minder, daar zou rekenmeester Bram niet wakker van liggen, maar dan hield het op. Twee remises dus en misschien, heel misschien één overwinning.

Weenink verscheen in de sterkste opstelling. Alle spelers stonden op scherp. Want al was de kans op ploegsucces dan kleiner dan één procent, de kans op persoonlijke roem was minstens tien keer zo groot. Ook Pagel had geen risico genomen en verscheen met onder anderen twee internationale grootmeesters en drie internationale meesters. De korf stond wel erg hoog opgesteld.

Drie uur gespeeld. “Meneer Pagel, wat vindt u van de stand, nog steeds 0-0?” Pagel: “Ja, auf Papier…”

Een half uur later. Cees Duivenvoorde opent de score tegen De Savornin Lohman. In één klap het hele seizoen goed. De Koningsclub over het paard getild en Weenink aan de leiding!

Maar och heden. Wat is er met Erik Schoehuijs aan de hand? Is dat de Berlijnse verdediging? Het lijkt wel gatenkaas. En wat gebeurt daar? Daar probeert Hartoch met zijn volle gewicht een pionnetje naar de overkant te duwen. Dat houdt onze Alessandro nooit. Pagel, die even deed alsof hij er niet bij hoort, loopt nu weer ontspannen rond.

Ik loop langs het bord van Hans Nuijen. Wat staat die slecht. Dat ziet een leek. Die Van der Sterren is ook een halve grootmeester. Hé, dat is aardig, Hans slaat een pionnetje en laat zijn dame een soort pirouette maken op het snijpunt van vier velden. Pas als zij uit getold is, zet hij haar op haar plaats. Maar wat doet die Van der Sterren nou? Hij vindt het helemaal niet grappig zo te zien. Hij geeft op! Heb je daar van terug?

En dan Bert van der Zijpp. Die maait Van der Weide. Als in zijn beste jaren. Zelf geeft hij alle eer aan de tegenstanders: “Die jongens zijn goed vooruitgegaan, een paar jaar geleden speelden ze nog in de onderbond.”

Bert Heemskerk meldt zich, met remise. Hij had de hele partij moeilijk gestaan en hij moest nog één zet doen binnen één minuut. Voor een bedaarde speler als Bert is dat erg weinig tijd. Dus toen Van Geet, van het dubbelfianchetto, plotseling remise aanbood, had hij het maar aangenomen. “Maar ik stond wel gewonnen”, probeert hij ons gerust te stellen. Wij zijn een zenuwinzinking nabij.

Het is niet meer bij te houden. overal lachende gezichten. Paul Bierenbroodspot is wel erg vrolijk. Adam Kuligowski niet. Die zit met zijn hoofd in zijn handen als verdoofd over zijn bord gebogen. De stukken staan al lang weer in de beginstand. In het Hoogovens Schaaktoernooi van 1983 won hij van Korchnoi. Nu verliest hij van Bierenbroodspot. Twintig minuten zit hij zo. Dan wankelt hij naar Pagel, die onduidelijke brieven zit te schrijven aan een tafeltje. Wij zien hem wat vragen. Pagel schudt van nee en gaat door met schrijven. Kuligowski is ontslagen.

Nico Kok verliest van Marcus. Nico heeft zijn dag niet. Berend Pluim maakt vreemd kappende bewegingen met zijn handen en trekt een raar gezicht. We mogen niet praten van Jan Sinnige, want er mag ook niet gebiljart worden. Berend bedoelt: de-span-ning-is-te-snij-den.

Op het eerste bord sterft Hendrik Koopman duizend doden. Maar hij blijft zetten. Met de rug tegen de muur vecht hij tegen de aanval van Sergei Kudrin, tegen de voortrazende secondenwijzer, tegen de onrust om hem heen en binnen in hem. Als hij dit toch eens remise mocht houden. Het mag nét niet.

De laatste partij is die tussen Peter Uylings en Job de Lange. De laatste zetten zijn niet meer genoteerd en er moet eerst gereconstrueerd worden. De Lange is aan zet. Lichte paniek maakt zich van hem meester. Hij moet kiezen: eeuwig schaak toelaten of de dames ruilen en een misschien wel verloren eindspel ingaan. De stand is 4½-4½. Hij gaat schoorvoetend naar Pagel toe: of hij misschien remise aan mag bieden.

Pagel bestudeert de stelling. Berend beduidt dat het voorbij is. En inderdaad, Pagel geeft toestemming om het punt te delen. Hij houdt zich groot, zijn spelers klitten wat lacherig in groepjes bijeen. Het applaus is voor Weenink.

Buiten zien we grootmeester Kuligowski nog een laatste poging doen, als Pagel in zijn auto stapt. Het tafereel is te navrant. Het portier slaat dicht. Loket gesloten.


DE PARTIJEN

Sergei Kudrin, internationaal grootmeester en speciaal voor deze gelegenheid overgevlogen door Pagel, lijkt zich niet erg in te spannen. Hendrik Koopman des te meer, wat al snel tot uiting komt op de klok. Toch overleeft hij de tijdnood en de aanval, die niet doorzet, maar de grootmeesterlijke afwikkeling naar een eindspel met vrijpion is hem net even te veel.

_

De tweede grootmeester Adam Kuligowski wordt aan de tand gevoeld door Paul Bierenbroodspot en dat doet pijn. Na de partij schatert Paul het uit over de penning waarmee hij een uitgelokte vork onschadelijk had gemaakt. Tijdnood doet zijn radeloze tegenstander uiteindelijk de das om. Op de vierendertigste zet valt zijn vlag.

_

De Berlijnse verdediging van Erik Schoehuijs vertoont dit keer gaten, die pijnlijk snel door zijn tegenstander John van Baarle opgemerkt worden. Sommige ervan ziet Erik ook nog wel, maar niet het mat op h8.

_

Hans Nuijen, helemaal niet bang, opent met b4, maar komt toch al snel in de verdrukking door een zwarte pion op e4 en later op d3. Bovendien is er de latente dreiging van mat op g2. En ofschoon hij de grootste problemen weet op te lossen, dreigt een verloren eindspel, totdat zijn tegenstander Paul van der Sterren de blunder van de dag begaat. Hans laat zijn dame een vreugdedansje uitvoeren op het winnende veld.

_

Voortdurend knipogend naar Pagel ruilt Rob Hartoch zich tegen onze Alessandro in sneltreinvaart naar een eindspel toe, dat zo op het oog volkomen gelijk staat, maar waarin de superieure stand van zijn koning en een op slinkse wijze verkregen vrijpion toch nog de doorslag geven.

_

Het witte g4 van Peter Uylings mist dit keer overrompelingskracht en de torens worden afgeruild langs de open h-lijn. In het tijdnoodduel dreigt Job de Lange nog even heel ondeugende dingen op f2, maar wordt daar terecht van weerhouden door de dame van Peter. Tot zijn opluchting kan Job zijn baas er dan van overtuigen dat verder spelen niet slim is.

_

Geen lachje kan er af bij Piet van der Weide. En met recht, want Bert van der Zijpp kent geen pardon met hem. Onze vreugdekreten beheerst onderdrukkend zien wij hoe Bert wat onbelangrijk materiaal afstaat in ruil voor een hele rits pionnen. “Een kwestie van techniek, dus dat kan nog moeilijk worden”, zegt hij bescheiden. Even later heeft hij gewonnen.

_

Broodspelers zijn het, tot de laatste stuiver toe. Bezorgd vraagt John Marcus of het eerste kopje koffie wel gratis is, anders ziet hij er liever van af. Gastheer Nico Kok maakt het hem niet al te moeilijk.

_

Op de deur van de Wijckermolen hangt de mededeling dat er niet gebiljart kan worden wegens een belangrijke schaakwedstrijd. “Waar is die belangrijke schaakwedstrijd dan wel?” vraagt De Savornin Lohman hautain bij binnenkomst. Cees Duivenvoorde maakt het hem al snel duidelijk. Een week lang heeft hij gestudeerd op het Jänisch en het verbluffende resultaat daarvan staat al na twintig zetten afgetekend op het bord. Onberispelijk wikkelt hij af, als zijn tegenstander vergeet op te geven.

_

Een vrij normale partij, maar toch nog een dubbelfianchetto van de zwartspeler. Van Geet loopt rond alsof hij reeds gewonnen heeft. Bert Heemskerk is dus in moeilijkheden. Zijn evenwichtsgevoel loodst hem echter langs de gevaarlijkste punten en vlak voor de veertigste zet staat hij opeens gewonnen. Van Geet heeft dat net iets eerder door dan Bert en ziet zijn remiseaanbod geaccepteerd.

_

[Weenink Post, jaargang 36 nummer 22, 14/05/85]

Ghulam-Kassim

Een verhaaltje uit de Weenink Post van januari 1993

Ieder jaar ga ik een keer bij mijn oude club Excelsior kijken. Daar moet dan een goede reden voor zijn (klusje thuis waar ik niet aan wil, niks op de tv, weg kwijtgeraakt), nu was dat de verplaatste partij Schoehuijs-Kok voor de A-groep (zwitsers) van Weenink. Voor beide spelers heb ik een zwak. Erik Schoehuijs omdat hij een aardig potje kan schuiven en Nico Kok omdat hij op het bord schaker en kunstenaar tegelijk is. Hun partij zou ik dus even vakkundig in een sfeerreportage omsmeden voor de Weenink Post Extra, waarvan het thema dit keer kunst en schaken was. Kwam dat even goed uit.

Bijna iedereen was er. Otten, Ersson, Klok, Van Grootheest en Van IJsseldijk. Zelfs de naar Pat Mat verbannen Van Maassen zat aan de bar. Dat mocht, als hij zich nergens mee bemoeide. Op alle tafeltjes werd lekker geschaakt, eerst om het echt en dan al gauw voor de lol. Of andersom, dat maakte zo te zien geen verschil. In een hoekje zaten onopgemerkt de echte schakers Schoehuijs en Kok.

1.Pf3 g6 2.d4 Lg7 3.e4 Pf6 4.Ld3 c5 5.dxc5 Pa6 6.0-0 Pxc5 7.e5 Pg4 8.Pc3 Pxe5 9.Pxe5 Lxe5 10.Lh6
Aardig pionoffer van Erik. Maar toch een beetje saai. Mijn aandacht dwaalde af. Wie zag ik daar helemaal achter in de zaal? Frans Koopman. Zo, werd het toch nog een leuke avond! Het tafeltje had twee stoelen. Over de één hing de loodzware leren jas van Frans met op de zitting de allerdikste Succesagenda aller tijden, op de andere stoel zat Frans zelf, sigaartjes onder handbereik. Tegenover hem had, eerst staande, toen met een geleende derde stoel, de jongeman Borst junior plaats genomen. Deze bezat, behalve dat niet overtuigende junior, geen ander attribuut om trots op te zijn. Geen partij dus voor Frans, die er zin in had en zijn klompen ver onder juniors stoel had geschoven.

Frans dacht na. Op het bord stond een stelling uit een vorige eeuw. Het wou hem niet helemaal meer te binnen schieten, maar volgens hem kende junior de tweede matchpartij Steinitz-Lange, Wenen 1860 niet, want hij haalde alle zetten door elkaar: 1.e4 Pc6  2.Lc4 e5  3.f4 exf4  4.Pf3 g5. Nu was Frans de draad ook een beetje kwijt. Dat Ghulam-Kassim gambiet (had hij zich nog zo op verheugd, prachtige naam overigens) kon hij wel uit zijn hoofd zetten. Maar toen hij 5.h4 had gedaan (ja haha Blachly daar trapte hij niet in) en junior met het verbluffende nieuwtje 5…f6 op de proppen was gekomen, ging hij er eens extra breed voor zitten. Na een uurtje stond 6.Pxg5 Pe5  7.Dh5+ Ke7 op het bord.

Nico kwam langs gelopen: “Waar zit Frans nu over te piekeren? Zeg jij gaat hier toch geen stukje over schrijven, hè? Want ik moet voor de Weenink Post Extra iets over kunst en schaken doen en dit lijkt me wel wat.”

Frans dacht na over schoonheid en onsterfelijkheid. De beste zetten zijn vaak niet de mooiste. Frans speelt de mooiste. En ooit zullen die een keer ook de beste blijken te zijn. Dan houdt hij er mee op.

Er verstreek een kwartier waarin hij uiteindelijk berustte in het feit dat het mat nog enige voorbereiding vereiste: 8.d4 d5 9.dxe5 Ph6 10.exf6+ Kf6

Hij had nog een kwartier. Het duizelde hem. Eigenlijk mocht je niet overhaast handelen in zo’n stelling. Maar hij werd er toe gedwongen. Misschien had hij het nog even uit moeten stellen, maar hij deed het nu maar: 11.Pxh7+ Kg7  12.Lxf4 Kxh7  13.Ld3 Lg7

en omdat zijn tijd nu echt om was miste hij 14.Lxh6 Lxh6 15.Df7+ Lg7 16.e5+ Kh6 17.Dg6 mat.

Na afloop las hij onze gedachten. “Toch nog te snel gezet”, mompelde hij. En hij pakte zijn jas, agenda, sigaren, keek nog een keer door ons en junior heen, en ging zijns weegs. Langzaam zakten de emoties. Erik Schoehuijs won van Nico Kok. Van Grootheest speelde remise. Clarijs en Ten Bosch demonstreerden elkaar de verschillen tussen het Muzio- en het Allgaiergambiet.

Muzio, Allgaier, Hanstein, Philidor, Cunningham, Cochrane, MacDonnell, Rosentreter, Silberschmidt, Ghulam-Kassim.

Dat waren nog eens tijden.

My Home Is My Castle

Tien vertelsels, die soms iets met schaken te maken hebben, de meeste uit de Weenink tijd

 

Schaakspel geschonken door Berend Pluim aan Hans Nuijen

 

My Home Is My Castle

Schaken is een spel voor: Heren. Deze komen samen op een: Club. Daar spelen zij hun: Partij. Met in de ene hand een: Havanna. En in de andere hand een goed glas: Cognac. Niet lastig gevallen door andere dames dan die op hun knie, om wie het spel eigenlijk draait. Attaqueren zij de koning, dan annonceren zij: Schaak. Raken zij terloops de dame aan, dan heet het: J’adoube. Zijn zij tevreden met de status quo, dan is het: Remise. Maar wordt de partij gewonnen, dan wisselen de spelers van kleur en de dames van knie en volgt er een: Revanche. Is de stand daarna gelijk, dan wordt, in deze moderne doch jachtige tijd, een beslissing geforceerd in een zogenaamde: Rapidpartij. Dit is niet veel anders dan het vroeger gebruikelijke en zoveel eerlijker: Dobbelen.

Het is klaar dat de vrouw achter de schaker hier beter niet kan komen. Zij zit thuis of verzet, in deze geëmancipeerde doch zedeloze tijd, haar eigen zinnen met cricket, golf, tennis of bridge. Dit is niet veel anders dan het vroeger gebruikelijke en zoveel onschuldiger: Overspel. Wil de schaker dit voorkomen, dan zal hij gedwongen zijn de adembenemende door- en inkijkers op de Club te laten voor wat ze zijn en eerst thuis orde op zaken te stellen.

 

De Lange Mare

Een uur eerder dan normaal en na een wandeling door Leiden, waarvan de meesten het fijne ontging, bereikten we klappertandend de zaal aan de Lange Mare. De jassen werden onvoorzichtig op een hoop gegooid en onder een hemel van ballonnen en in een schijnsel, waarbij we zowaar nog gingen verlangen naar ons eigen schamele onderkomen in De Eindspurt, zetten we ons achter de borden. We zouden het spoedig wel wat warmer krijgen, dachten we. Alleen vonden we het vreemd dat veel van onze tegenstanders hun jassen aanhielden. Toen onze ogen een beetje aan de duisternis waren gewend, ontwaarden we zelfs truien, dassen en een enkele muts. Het klappertanden wilde ook al niet overgaan, verergerde zich zelfs tot schokschouderen en schuddebuiken, wat alleen Peter Uylings onberoerd liet. Die hield zich warm door met ferme pas rond te benen, daarmee tegelijk de verbindingslijnen met teamleider Bram Jansen en de koffiekamer in stand houdend. Het nieuws dat Hendrik Koopman een zet had opgeschreven, maar niet uitgevoerd, bereikte ons dan ook voordat Hendrik zijn pen had neergelegd. Onmiddellijk werden de sledehonden ingespannen en spoedden we ons, dicht tegen elkaar aan gedrukt, naar het eerste bord aan het uiteinde van de fjord, waar we net op tijd aankwamen om het vreugdevolle aansteken van de Bengaalse vuurpotten te aanschouwen. Onmiddellijk verspreidde zich een aangename warmte door de zaal, heel het land en onze verkleumde botten, voorbode van de naderende lente. Het was omdat Nanny pas tegen het vallen van de avond zou komen dat ik snikkend Bram om de hals viel. En ook hij was zijn ontroering nauwelijks meester en liet mij pas los toen ik hem had beloofd ook over de mooie dingen in het leven te zullen schrijven. Terug bij de koffiekannen lieten we het paardoffer en de ingesloten toren, vertraagd en in eindeloze herhaling, aan ons geestesoog voorbijgaan. Een voor één keerden de dappere krijgers nu, onder gezang en gedans, terug van de borden, beladen met buit. Alleen de bok, die Nico Kok schoot, bleef als zoenoffer achter. En des avonds vierden we de wonderschone overwinning met een Indiaas maal, waarbij ook Peter Poncin aanzat en zelfs Bert van der Zijpp onmogelijk nog de draak kon steken.

 

Negatief gedoubleerd

Dit keer had reisleider Berend Pluim Arnhem op het programma gezet. Daar waren wij nog niet geweest. Vol verwachting verzamelden wij ons op het station van Beverwijk. Het was nog guur maar het beloofde een mooie dag te worden. Tussen Beverwijk en Amsterdam had de machinist niet genoeg trein aangekoppeld, dus moesten wij verspreid reizen, maar vanaf Amsterdam was het beter geregeld en vulden wij met ons zestienen een hele coupé. Laurens Duin mocht vandaag ook mee. En waarom ook niet, we gingen toch gewoon leuk uit?

Al spoedig waren wij verdiept in de bridgerubriek. Wat dom nou: de volgende keer moesten we niet allemaal dezelfde krant kopen. Zo zag je maar weer, dat zoiets toch voorbereiding vergt. Hans Nuijen verdiepte zich, zij het oppervlakkig (want ja, een kei zou hij er toch nooit in worden), in het negatief doublet, wat Paul Bierenbroodspot (meneer Paul voor Noortje) vrolijk Spoetnikdubbel noemde. Die wist er dus meer van. Uitleggen. Het bleek een doublet te zijn op een tussenbod van je tegenstanders, als je wel een leuk spel hebt, maar zonder uitgesproken eigen kleur of steun in je partners kleur. Een kleurloos spel dus. Noortje las De Kinderen uit de Kabaalstraat, wat eigenlijk de Kanaalstraat was, maar omdat die kinderen zo’n kabaal maakten, heette die straat Kabaalstraat. Een woordspeling dus. Ondertussen zat Nanny te breien, sprak Peter Uylings in korte notatie en trakteerde Berend op koffie uit de minibar. In Arnhem gingen Noortje, Nanny en ik de stad in, terwijl de anderen doorreisden naar station Velperpoort om daar in de buurt iets te gaan doen waar ze goed in waren. Zeiden ze.

Tegen de avond troffen we elkaar weer. Niet iedereen was nog even vrolijk als ‘s morgens in de trein. Er was die middag behoorlijk negatief gedoubleerd. Vooral Alessandro di Bucchianico scheen iets misdaan te hebben. Driemaal had hij hetzelfde standje uitgeprobeerd, wat de Arnhemmers tot groot enthousiasme had gebracht. Maar daarvoor waren wij niet gekomen, dus loodste Berend ons snel naar de dichtstbijzijnde Chinees. Die had echter niet op ons gerekend, waarop wij ons verdeelden over een Indonesisch Restaurant en een Vegetarisch Eethuis. Zo was ik helaas slechts in staat de helft van alle roddel en achterklap op te tekenen. Een servet met aantekeningen ligt bij mij thuis ter inzage. Onder leiding van Peter Uylings, die moeiteloos alle stiltes vulde met vrolijke grootspraak (over gapen in de klas en een liefdesrijm voor straf, en over het verschil tussen autoritair en autoriteit; Noortje, na afloop: die man aan het begin van de tafel maakte veel grapjes), genoten wij van de volgende vegetarische gerechten: misosoep en waterkerssoep; geroosterde zonnebloempitten (vooral Erik Schoehuijs); vier ovenschotels (meer waren er niet) en rijst met gierst en seitansaus; verse groenten; wijn en vruchtendrank; kwark met rozijnen, watergruwel, roomijs met kersensaus en koffie met taart. Tussen twee happen door bleek Peter ook nog getrouwd te zijn. De onbespoten jongen en meisje van het eethuis wisten niet hoe ze het hadden. Hoe wij bij hun terecht waren gekomen. Ja, dat vroegen wij ons ook af. En wat ze alle andere dagen met die, overigens verrukkelijke ovenschotels deden. Toen wij weggingen zagen wij nog net hoe zij een feestelijke fles wijn op deze wonderbaarlijke dag ontkurkten.

 

Achterhoek

Mannen, hoewel we gedegradeerd zijn, ben ik toch trots op jullie. Er is dit keer geen narigheid geweest, er is niet gevochten, nauwelijks getrapt en ook de scheidsrechter kon rechtstreeks naar huis en niet via eerste hulp. Dat is wel eens anders geweest. Een hoeraatje voor Heren Drie. Op het volgende seizoen!

Wat zou dat zijn, vroeg ik aan Nanny. Voetbal dacht ze. Welnee, zei ik, niet gevochten, heren drie, dat is hockey of zoiets. Ach schei uit, zei zij weer, moet je die koppen zien, dat heeft geen weet van hockey of zoiets. Ik keek achterom. Ze had gelijk. Touwtrekken misschien. Dat was hier de sport. We zouden het spoedig weten. De grootste touwtrekker van de groep had al een paar keer naar ons geroepen. Nu kwam hij vragen wat we deden. Hendrik Koopman trachtte zijn psychologisch overwicht tot gelding te brengen door de duidelijk aangeschoten jongen te prijzen als sfeermaker. Die hadden we net nodig bij Weenink. Van de naam Weenink keek onze gloednieuwe sfeermaker niet op. In de Achterhoek wemelde het van de Aaftinks, Borckinks, Hiddinks, dat was Normaal. Dus hij voelde zich meteen helemaal thuis bij ons en omarmde Hendrik innig. Deze keek moeilijk om zich heen en vroeg zich af hoe hij het initiatief zo snel was kwijtgeraakt. Peter Uylings schoot zijn vriend te hulp. Schakers, riep hij luid, we zijn schakers. Heren Drie juichte nu dat sfeermaker een potje tegen ons moest doen, want hij won van iedereen met schaken. Sfeermaker liet Hendrik los en keerde zich naar Peter. Ben je goed, vroeg hij twijfelend. Nog net geen grootmeester riepen wij, al denkt hij daar zelf anders over. Sfeermaker overwoog zijn kansen en koos toen liever waterpolo met het hele team. Jij met je hockey, zei Nanny. Nu overwoog Peter zijn kansen. Hij keek de kring rond en zag louter watervrees. In z’n eentje, dat lukte hém zelfs niet. Sfeermaker was tevreden met dit gelijke spel en werd bovendien teruggefloten naar zijn tafel. Daar werd de haaienvinnensoep opgediend.

 

 

Vraaggesprek met de man die zijn partij op het nippertje won

Wat er door me heen ging? Ik dacht, het had niet veel langer moeten duren. Het meeste ging trouwens door mijn tegenstander heen, zo te zien. Die werd eerst donkerrood, toen purper en toen hij door kreeg, dat het applaus niet voor hem bestemd was, spierwit met allemaal kippenvel en rare vlekken en tenslotte helemaal fosforescerend geelgroen. Ik durfde nauwelijks te kijken. Toen hij weer kon praten, nou ja praten, het leek meer op een vastgelopen zuiger, piepte hij: ik had wel … op zevenenvijftig manieren … kunnen winnen. En toen schoot mij opeens een gedichtje van Cees Buddingh’ te binnen, het is eigenlijk een liefdesgedichtje, het heet dan ook “zeer kleine ode aan de liefste” en het gaat zo: vanochtend/ zag ik op straat/ een leeg heinz-blikje liggen/ en onmiddellijk/ dacht ik aan jou:/ 57 varieties.

 

 

Vraaggesprek met de man die zijn toren oliedom verloor

Wat is dat voor stomme vraag. Heb je wel eens een vrije trap regelrecht in je kruis gehad? Nou dan weet je het ongeveer. Totaal overspeeld had ik hem. Maar opgeven ho maar. Gewoon door knoeien met zo’n krom paard. Let ik even niet op, staat er een kasteel in. Ik denk nog: blijf met je takken van die toren af. Maar nee hoor, totaal geen respect. Zegt de klerelijer: het is niet verdiend, maar ik kan ‘m toch moeilijk laten staan. Ik wil hem toesnauwen: aso, vuile klootzak, etterbak in het geniep, laurens in het kwadraat. Ik tel tot tien, maar raak al bij twee de tel kwijt. En opeens, geloof het of niet, schiet me een gedichtje van Cees Buddingh’ te binnen, het heet “zeer vrij naar het chinees” en het gaat zo: de zon komt op de zon gaat onder/ langzaam telt de oude boer zijn kloten.

 

Elf

Evert, je moet zaterdag invallen. Zeg, ben jij wel goed bij je hoofd? Ja, het moet, we hebben drie invallers nodig, nood breekt wet. Had je dat niet iets aardiger kunnen zeggen en wie schrijft er dan? Dat doe ik wel. Ja maar, kan Peter niet, of Laurens, Hugo, Nico, Hetty?

Nee, die konden niet en dus was er geen ontkomen aan. De hele week geen woord gewisseld met Nanny en Noortje, drie avonden schaakstudie, vroeg naar bed en geen oog dicht gedaan. Zouden ze me dit geflikt hebben om mijn verslagen uit de Weenink Post te houden? Ik zou in het vervolg wel een ander toontje moeten aanslaan. De beste stuurlui staan aan wal. Nu komt het uit.

1. d2-d4 f7-f5
Brrr! Hollands, daar heb ik geen kaas van gegeten. Zouden ze erg boos zijn als ik g4 doe?

2. g2-g4?! f5xg4 3. e2-e4 d7-d6 4. h2-h3 Pg8-f6 5. Pb1-c3 e7-e5
Nou die laat er geen gras over groeien. Moet ik nu het centrum afsluiten of me naar remise proberen te ruilen?

6. d4xe5 d6xe5 7. Ddlxd8+ Ke8xd8 8. Lc1-g5 c7-c6
Dat is jammer, nu vindt de koning een schuilplaats op c7 en kan mijn paard niet naar d5. Die eersteklassers zijn niet voor de poes.

9. 0-0-0+ Kd8-c7
Wat nu? Die pion zie ik nooit meer terug. Toch maar even volhouden. Misschien is 10.hg4 Lg4 11.f3 Le6 12.f4 Ld6 13.Pf3 Pbd7 nog wat. Dan sla ik met de toren op d6 en met de pion op e5, waarna ik met Lf4 en eventueel Th5 de kleine kwaliteit win. Zal wel geen hout van kloppen. En wat loopt die klok snel. Nou vooruit dan maar. Mijn tegenstander wordt ongeduldig, die wil ook wel weer eens zetten.

10. h3xg4 Pf6xg4???
Droom ik? Hartkloppingen, kippenvel. Dit kan niet waar zijn. Wil er dan niemand meer met mij schaken?

11. Lg5-d8 mat
Handen schudden. Ik weet niet hoe ik kijken moet. Hij ook niet.

De volgende keer ga ik weer schrijven. Ik laat me geen tweede keer belachelijk maken.

 

Een valstrik

Hij had mij bijna te pakken, had al twee keer remise aangeboden, maar ik schaakte vrolijk door. Totdat mijn tijd op was en ik het van de increments moest hebben. Een gunstig eindspel werd vakkundig verkloot, sorry, vergooid.

Ik zag dat het fout was. Dat hij de toren naar c7 kon gaan spelen en wat dan? Ik raakte mijn toren aan en bewoog naar f2, maar zag nog net op tijd dat mijn koning niet meer op e1 stond, waar hij tien seconden geleden nog wel had gestaan, de sukkel. Alsof dat geholpen had trouwens. Goede raad was duur. De zwarte adelaar zweefde boven zijn prooi. Hij was opeens errrrug geïnteresseerd wat het muisje ging doen. Of het nog wel iets ging doen, want de laatste minuut tikte weg.


Opeens zag ik het: Tg2-h2, dat zou hem verleiden tot Tf7-f3. En ja hoor hij kon zich niet beheersen en begaf zich in roekeloze val, lette niet op de valstrik: h4-h5! en greep de eerste de beste pion of eigenlijk de verkeerde: Tf3xe3. En toen was daar Th2-h4+ en bleek de vogel behalve remise nog twee andere woorden te kennen: shit en kut.

 

Verliezen is niet moeilijk

Tata, praat me er niet van, vraag me er niet naar. Twee keer had ik moeten afzeggen bij mijn fitnessclubje. Maar daar was ik weer. “En, nog wat gewonnen?” vroegen ze me. “Ja, de poedelprijs” antwoordde ik dapper. Dat vonden ze erg leuk.

Het vorige jaar was ik gepromoveerd. Tegen de klippen op, zeg maar, en dat heb ik geweten. De tochten op de fiets naar Wijk aan Zee door sneeuw en duinen waren sensationeel mooi, maar wat er in dat ellendige oord allemaal gebeurde verzwijg ik liever. Ik won de eerste partij en de laatste. Daartussendoor niks. Zo’n week duurt erg lang. Extra pijnlijk was het moment dat ik onderweg na vier verliespartijen op rij toch nog een remisetje cadeau kreeg en de hele groep me uitbundig kwam feliciteren, terwijl mijn tegenstander ondertussen probeerde uit te leggen hoe dat zo gekomen was. Ja, dan verlies ik nog liever. Dat ging me trouwens steeds makkelijker af. Of toch niet?

Ik had zwart. Na slinkse manoeuvres had ik mijn dame waar ik haar hebben wou. Er stond nu een superdoorkijker op het bord. Van Hans Nuijen geleerd. Zou mijn tegenstander het ook zien? Hij dacht dat het geen kwaad kon en gaf zijn dame voor twee torens:

28. Tg1 Txe2 29. Dxe2 Txe2 30. Lxe2

Ik kwam gewonnen te staan, maar in razende tijdnood wist ik mijn vrijpion niet aan de overkant te krijgen en op de veertigste zet vergooide ik alles. Had ik maar wat meer tijd gehad. Toen herinnerde ik me een episode eerder uit de partij. Ik had een zet gedaan en ik ging even wandelen. Toen ik terug kwam zat mijn tegenstander nog steeds te denken. Waarover? Zo moeilijk was het niet. Ik besloot om me ondertussen ook maar wat in de stelling te verdiepen, want zoveel tijd had ik niet meer. Na een poosje, hij dacht wel idioot lang na, keek ik nog eens op de klok en zag dat er steeds minder voor mij overbleef. Heb ik mijn klok niet ingedrukt, vroeg ik schaapachtig. Nee, dat was het niet, bleek. Iemand anders had zich vergist, waarvoor hij zich omstandig verontschuldigde. Mijn tegenstander vertrok geen spier en deed zijn zet.

Verliezen is niet moeilijk, maar het heeft zijn schaduwkanten.

 

Nachtmerrie

Mijn man schaakt en dat is geen pretje. Hij zou nog een deur afschilderen, dat had hij beloofd, komt dus niks van. Hij hangt er zo’n beetje in, die deur dan hè, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Vannacht, ja het is zonde dat ik het zeg, werd hij opeens heel onrustig, ik vroeg ben je wakker en meestal zegt hij dan nee zie je niet dat ik slaap, maar nu zei die eerst niks, maar hij lag wel met zijn ogen open en toen zei die dat ie bijna de dame van die andere te pakken had maar dat het toen toch net niet gelukt was. Ik zeg je weet toch dat je dat niet mag, daar ben je nu te oud voor, de dokter heeft je nog zo gewaarschuwd. En toen had die man de mijne te pakken, zei die. En ik ga d’r nog op in ook, ik zeg, daar heb ik dan helemaal niks van gemerkt, dat had ik moeten weten. En toen begon hij me opeens wild te schoppen en te roepen feyenoord feyenoord. Ik hoop maar dat het gauw over gaat want het is een nachtmerrie.

Victory Boogie Woogie

Ton de Vries is dit jaar coach van het tweede. De eerste wedstrijd onder zijn leiding wonnen we van de Chess Society uit Zandvoort, de tweede was tegen het geduchte ZSC/Saende 3. Maar nu met Ton als speler in plaats van coach. En omdat Ton aan zag komen dat hij zijn handen vol zou hebben aan zijn eigen partij zouden we dit keer zelf verslag moeten doen van onze capriolen. We deden extra ons best en behaalden een wonderbaarlijk gelijkspel.

*

Zeven seizoenen geleden speelde ik met Weenink 2 in Zaandam tegen ZSC/Saende 2. Mijn tegenstander was René Hennipman. Hij schaakte beter dan ik en bereikte een gewonnen stelling. Maar met een zetje zo gemeen, dat ik er nu nog kippenvel van krijg, ontfutselde ik hem de partij:

48. … Ta8-h8 ☺♪!!☼!!♫☺

Zo te winnen. Victory Boogie Woogie. Maar dan oneindig veel mooier. De sensatie golfde nog minstens een week lang door mijn hoofd. Het belemmerde mij ernstig in mijn normale bezigheden. Maar erger moet het zijn geweest voor mijn tegenstander, die niet alleen zijn eigen partij, maar ook de wedstrijd voor zijn team had verknald. Zouden we die nog terugzien?

*

Dit keer speelde Weenink 2 in Beverwijk wederom tegen ZSC/Saende 3. En tot mijn stomme verbazing (en ik mag wel zeggen grote blijdschap) was mijn tegenstander opnieuw René Hennipman. Het was of we op herhaling waren. Hij schaakte opnieuw beter dan ik en bereikte een gewonnen stelling. Maar ik hecht aan geschiedenis en met een plannetje zo gemeen, dat ik er nu nog kippenvel van heb, ontfutselde ik hem de partij:

Victory Boogie Woogie diagram 2

21. … Lb7-a6!?

Om zijn voordeel vast te houden moet wit nu 22.d6! doen. Maar de ongelukkige is zich van geen kwaad bewust en slaat uit voorzorg (hahaha) de toren op a8.

22. Lc6xa8? Lf6xc3!

Een normaal mens had nu onraad geroken. Maar Hennipman niet.

23. b2xc3? 23. … Dd8-d6 ☺♪!!☼!!♫☺ Victory Boogie Woogie.

*

Is dit toeval? Waarschijnlijk niet. Ik kom hem gewoon elke zeven jaar een keer tegen. Hij doet het erom.


ES/31/10/1999

(eerder gepubliceerd in de Weenink Post)

De wijzen uit het Oosten

Onderweg vroeg ik Ronald hoe Het Oosten aan zijn naam kwam. Ronald weet alles, maar nu mompelde hij iets van: de wijzen of zo. Wat zeg je Ronald? Nou, de wijzen uit het Oosten. Weet je dat dan niet? Het is bijna kerstmis. Het is geloof ik een afsplitsing van Roland. Nee, Ronald, dat is een anagram, dan kan ik jou wel Arnold noemen, zo komen we niet verder. Kom nou maar mee, zei hij, en loodste me een kerk in.

Binnen in het helverlichte zaaltje stond een lange tafel opgesteld met acht borden. Achter de eerste drie borden zaten drie wijze oude mannen. Ze waren op tijd van huis gegaan en hadden, het wachten moe, de meegebrachte rookwaren zelf maar vast uitgepakt. De andere borden waren nog onbezet. Wij namen plaats en kregen allen een consumptiebon. Nu werden achter de laagste borden van het Oosten vier aan Herodes ontsnapte zuigelingen vastgebonden. Tot zover kon ik het volgen. Toen nam tegenover mij een vierde oude wijze man plaats. Daar sprak het verhaal niet over. Voor ik hiervan de betekenis kon doorgronden was de wedstrijd begonnen.

Mag ik u een consumptie aanbieden, vroeg de vierde wijze oude man, terwijl hij mijn consumptiebon van tafel griste. Ik had moeite mijn zwakke Franse pion, waar hij een begerig oog op had laten vallen, uit zijn handen te houden en kon niet overal tegelijk opletten. Toen hij terugkwam met oliebollen overviel mij een gevoel van naderend onheil, wat al spoedig gepaard ging met hevige maagkrampen. Wees je voorzichtig, had Nanny me nog nageroepen. Weer had ik haar raad in de wind geslagen.

De drie wijzen aan het hoofd van de tafel schoven sereen remise en aan het uiteinde van de tafel werd de motorisch gestoorde vierling alsnog uit zijn lijden verlost. Alleen ik was nog over. De kramp in mijn maag verplaatste zich naar mijn hoofd. De vierde wijze oude man tegenover mij had een klein uiterst modern black en deckertje uit zijn vest gehaald waarmee hij heel praktisch ragfijne gaatjes boorde in mijn Franse pion. Daar blies hij vervolgens de rook van zijn sigaretten doorheen. Aan de wand werd een bord opgehangen met de tekst: Svp niet roken voor halftien in verband met het grote aantal leden. De zaal was bijna leeg. Bovendien was het elf uur.

De weerstand van mijn arme pion was gebroken en met een lichte beweging van zijn hand veranderde de vierde wijze oude man hem in een hoopje as, waar hij onder applaus van de andere drie zijn dame opzette. Wíj waren ernstig gehandicapt aan de laagste vier borden, spraken de wijzen en ze knikten me bemoedigend toe.

Thuisgekomen klopte ik op de deur. Boven stak Nanny haar hoofd uit het raam. Ik heb je gewaarschuwd, riep ze en gooide een slaapzak naar beneden. Achterin de tuin vond ik een plaatsje. In de donkere lucht boven mij probeerde ik door mijn tranen heen een ster te ontwaren. Maar het was regen die mij in het gezicht sloeg.

ES

(Eerder gepubliceerd in de Weenink Post van december 1992)

Niet boos … wel verdrietig

NIET BOOS … maar wel verdrietig, is oom Evert.

Zaterdagmorgen vroeg in de trein gestapt richting Groningen. Mochten de jongens alleen reizen. Nog wat gemene plannetjes bedenken. Zou het allemaal een verrassing zijn. Als hij aankwam, was er misschien al eentje klaar. Had hijzelf vorig jaar niet in elf zetten afgerekend met zo’n Unitasser. Konden ze toch niet op zich laten zitten. Ze zeiden het wel niet, maar hij wist hoe ze over hem dachten. Hoe ze over iedereen dachten, die niet meteen van meesterklasse was. Hún klasse dus zo ongeveer.

In de trein begon hij aan zijn nieuwe boek. Kerewin1. E korere Maori ana koe?2 Snapte hij ook al niet. De krant dan maar. De schaakrubriek van Ligterink las hij, zoals hij altijd naar de schaakverhalen van Uylings luisterde. De zetten konden hem gestolen worden. De verbindende tekst, daar ging het om. Zoals die morgen nog, op het stationsplein van Beverwijk: “ja en toen deed ik paardje huppeldepup en toen was hij eigenlijk wel gedwongen tot toren wijk aan zee, wat toevallig een hele goeie was en zo verloor ik, min of meer door eigen genialiteit, want daar was de broek natuurlijk nooit zelf op gekomen”. Even voorbij Harderwijk was hij afgezakt naar de damrubriek van Sijbrands. Tsjonge, wat had die raar gedroomd. Van Clerc (Den Haag) en Misjtsjanski (Donjetsk)3. Dat kon hij ook wel even doen, een tukkie. En zo leek het er even op dat hij die middag met een zelfbedachte variant van het Veluws voor de tweede keer sensationeel inviel. Mooie zeden in Ede zei oom4, en hij speelde de zetten terug tot in de beginstand, waarna zijn tegenstander hem de hand reikte. Het bleek de conducteur te zijn, die zijn dagkaart wilde zien.

De wedstrijd was een half uur oud toen hij binnenstapte. Eerst een rondje langs de borden. Bert Heemskerk zat er wat onwennig bij. Die had ook al zo lang niet meer geschaakt. Een Stonewall5 met verwisselde kleuren. Kon ook niet anders, want Bert had wit. Peter Uylings bracht hem even in verwarring: “verlies ik daar toch een pion”. Maar hij wist wat hem te doen stond. Even kijken en dan, alhoewel hij geen flauw benul had, veelbetekenend glimlachen. Daar had hij zich al jaren mee staande gehouden, dat zou vanmiddag ook nog wel lukken. Zo, maar weer eens verder gekeken. Alle houtjes geteld. Vergiste hij zich nou of stond Paul er echt eentje voor? Haha, die ging dus winnen, dat kon niet missen. De rest stond gelijk. Niets van te zeggen. Vooral niet als niemand hem hielp. Dus maar even aan de bar met Berend gepraat. “Niets van te zeggen hè, Berend?” Berend: “Nou, ik lig er niet wakker van”. Daar kon je tenminste op normaal niveau mee praten.

Terug naar de borden. Dat zag er opeens een stuk minder goed uit. Cees had Slavisch geruild6. En waar er twee ruilen, moet er één huilen. Cees dus. Laurens zat er ook niet vrolijk bij. En dan Alessandro, allemachtig wat kon die sjagrijnig kijken. Alleen Hans, die liep nonchalant rond. Zeker weer zo’n potje gespeeld waarin z’n tegenstander nog net iets oppervlakkiger speelde dan hij. Valse bescheidenheid van een gehalte, daar kon oom nog wat van leren.

Even verderop bij Bert Heemskerk miste hij een kwaliteit, maar daar schrok hij niet van, want Bert was zijn tegenstander aan het mat zetten. Met nog een paar seconden op de klok. Even kijken hoe dat afliep. Plichtsgetrouw noteerde hij de zetten voor de wedstrijdleider, die zenuwachtig heen en weer sprong tussen de verschillende tijdnoodduels. Bert haalde het. Bravo. Alleen was het geen mat, maar eeuwig schaak. Voor de andere Bert ook maar een halfje ingevuld. Gebrek aan routine. Allebei. Moesten ze maar wat meer spelen. Nee, dan Paul. Maar wat zat die nou te klooien? Of zag hij het verkeerd. Even afluisteren in de gang wat Pauls tegenstander te melden had. Ja hoor, dat ging mis, als je die jongen mocht geloven. Zouden ze nou waarachtig in Groningen ook al kunnen schaken? Zo werd Weenink nooit kampioen.

Hij begon behoorlijk de pest in te krijgen. Maakte hij daarvoor zo’n reis. Om al die rotzetten te noteren. Hij nam zich voor er geen een te publiceren. Nou eentje dan. Dat vorkje van Hans7. Bij Erik ging hij al helemaal niet meer kijken. Als die in deze vorm naar Clermont Ferrand8 moest, dan kwam ie niet verder dan Waterloo9. Kon ie materiaalcommissaris van de plaatselijke Club d’Echec10 worden. Nee, dit was een verloren middag. Alleen Hendrik en Peter gingen winnen, al hadden ze allebei tegenstanders die eerst mat moesten voordat ze door hadden dat ze verloren stonden. Maar ja, die hadden zo eens rondgekeken en gedacht…

Nou moest oom op zijn woorden gaan letten, want hij moest nog een plaatsje in een auto zien te krijgen voor de terugreis en dat kreeg hij natuurlijk niet als hij nu opeens uit zijn rol viel. Bij de onvermijdelijke Chinees was hij even geschrokken. Had hij niet een keertje doorgespeeld in verloren stelling? En toen zijn tegenstander in slaap gesukkeld was nog bijna gewonnen ook? Dat waren kardinale fouten, begreep hij uit de tafeldiscussie. Schuldbewust verschool hij zich achter zijn gebakken garnalen. Wou er wel in wegkruipen. Nooit meer zou hij te lang doorspelen. Het veiligst kon hij maar meteen bij de eerste zet vragen of hij op mocht geven. Dan hield hij ze misschien nog een tijdje te vriend. Want schaken konden ze.

Nee, oom Evert kan niet boos zijn, maar hij is … WEL VERDRIETIG

1) Keri Hulme, Kerewin; Sara, Amsterdam 1985.
2) E korere Maori ana koe? Spreek je Maori?
3) Sijbrands, Clerc en Misjtsjanski: dammers.
4) Palindroom: woord of zin die ook van achteren naar voren gelezen kan worden.
5) Stonewall: zwart verdedigingssysteem, niet om door te komen; met wit dus het toppunt van degelijkheid.
6) Slavische ruilvariant: om te huilen.
7) 30. … Pg3-e2 (met de witte koning op g1 en de witte dame op d4).
8) Stad in midden Frankrijk.
9) Belgisch stadje op de taalgrens: water en l’eau.
10) opmerkelijke opvatting van die Fransen: l’échec = de mislukking; jouer aux échecs = schaken

ES

[Weenink Post, jaargang 37 nummer 13, verslag van Unitas-Weenink, 11 januari 1986]