Vleermuis 65



Ik hou er mee op. Die oude Weenink Posten moesten maar weer eens terug naar Bram Janssen. Ik heb er genoeg van en Vandattus ook. Vooral nadat hij een keer heel gemeen over ons geschreven had. De een was te sloom, de ander te lui, te laf, te dik, te goor, hij werd er misselijk van. Maar toen hebben we hem wel een poepje van eigen deeg laten ruiken.

We waren met zeven man in twee auto’s en reden rondjes door Zaandam. De achtste was “op eigen gelegenheid”. Zoals gewoonlijk konden wij het speellokaal niet vinden. De straatjes en de pleintjes begonnen ons aardig de keel uit te hangen. En steeds als we het opnieuw probeerden passeerde ons een motorrijder. Het was een bespottelijk klein mannetje op een bespottelijk grote motorfiets. Bij het derde rondje herkenden we hem. Het was onze achtste man! Hij wees op zijn voorhoofd. Het was Vandattus! Kon niet anders. Bij het vijfde rondje kwam hij ons van de andere kant tegemoet. Hij maakte met beide handen los van het stuur een gebaar van: waar zijn jullie nou mee bezig? Wij sloegen een zijstraatje in dat we nog niet gehad hadden. Omdat het eigenlijk niet mocht. Eenrichtingsverkeer. Hij moest nu teveel dingen tegelijk doen. Handen aan het stuur, schakelen, afremmen, bocht nemen. Ons ook nog op het bord wijzen had hij beter niet kunnen doen. We hebben de wedstrijd uiteindelijk toch nog gespeeld, maar met z’n zevenen. Ging prima. En nooit meer last gehad.

Schaakvereniging Weenink 1931-2002

Wie echt iets wil weten over Weenink leze het boekwerk “Schaakvereniging Weenink 1931-2002” dat Ron Faber en Ton de Vries samenstelden nadat Weenink gefuseerd was met Pat Mat. Of het eerder gememoreerde Schaakclub “Weenink” (50 jaar Weenink) samengesteld door Frans Koopman. Het eerste is te vinden in het Max Euwe Centrum. Het tweede is een collectors item.



***

Vleermuis 64


Five Easy Pieces



Van het bestuur

Teksten uit dit blad mogen worden overgenomen, mits met bronvermelding, MAAR NIET ONS PAARD, dat in het laatste Excelsiorblad werd aangetroffen.


Gre

Mensen, ik hoop dat een ieder van het vierde tevreden is over het kommentaar geven van mij in het clubblad. Ik meen het nooit zo. Ik hoop dat ik volgend seizoen weer met jullie mee mag doen.


Van Dam tot Dam

Bram Janssen is behalve leider van het eerste team ook lange afstandsloper. Dat hadden we niet gedacht. Toch is het niet zo gek. Juist tijdens zware beproevingen komt de geest vaak tot diepe inzichten.

Want zie je, ik ren helemaal niet, ik loop gewoon, en op de een of andere manier weet ik dat, als ik vergeet dat ik in een wedloop zit en alleen maar op een sukkeldrafje verder ga tot ik niet meer weet dat ik hardloop, ik altijd de race win. Ik vraag me af of iemand van de andere jongens hetzelfde geintje uithaalt, maar ik weet zeker dat dat niet zo is (Alan Sillitoe: De eenzaamheid van de lange afstandsloper).

Bram vertelde ons dat zijn beste tijd over de tien Engelse mijlen één uur en twintig minuten of daaromtrent is, een veredeld sukkeldrafje dus, waarbij hij in het midden liet of daar de drie minuten, die verloren gingen bij de start, bij inbegrepen zijn. Maar wat is drie minuten. Nog hetzelfde weekend zag ik op tv een wedstrijd in Engeland over een halve marathon. Driehonderdduizend lopers op een snelweg. Een half uur duurde het voordat de staart van het veld zich in beweging zette. Hardlopen is tegenwoordig een zaak van veel geduld, zoals schaken met het nieuwe speeltempo haastwerk is geworden.


Bijna volmaakt

Het slot van het seizoen had plaats bij Greet en Hendrik Koopman in Noordwijk thuis. De zonen waarschuwden ons er geen varkenskot van te maken. De dochters waren prachtig gekleed. En het maal was feestelijk. Bram Janssen kreeg van het team voor zijn jarenlange ploegleiderschap een door Nico Kok gemaakt kunstwerk aangeboden. Het was bijna volmaakt…


Frans Koopman

Lange leren jas, klompen.
Bedremmeld stond ik tegenover hem.
Ik stamelde een groet. Schaamde mij voor
zijn ontrouw, smachtte naar zijn bewondering.
Hij glimlachte slechts, sprak niet eens:
tot ziens.

Weenink, 16 november 1991

Vleermuis 63

VOTRE TOUR MADAME

Vrolijk betreedt invaller Peter Poncin het wedstrijdlokaal in de Nieuwe Slof. Ogenblikkelijk veert zijn antenne kaarsrecht omhoog: VROUW IN DE ZAAL! Kom je alleen maar mee of schaak je ook zelf, opent Peter. Nee, uh..ja ik doe mee, antwoordt zij blij verrast. Nederlandse damestop, verduidelijkt een ploeggenoot. Hoe heet jij dan? (uitnodiging tot de dans…) Patricia de Wit. Nóóit van gehoord! (…van de ongelikte beer). De opstelling bepaalt dat Patricia wit heeft en Peter zwart.

Bram houdt zijn hart vast. Maar Peter is dit keer even koel als hij er uitziet. De partij verloopt goed voor hem. De verhouding is naar zijn zin. Als zij even naar het toilet is, wacht hij haar op. Zijn “votre tour madame” overvalt haar (kunstje, poets, ommetje, staat haar toren in of is ze gewoon aan zet). “Wat zegt u?” Peter kijkt haar vriendelijk aan. “Heb jij dan geen Frans gehad op school?” Zij zet zich achter haar bord, maar strijdt voor een verloren zaak. In hopeloze stelling valt haar vlag.

Peter is als eerste klaar. Analyseren. De partij wordt van voren naar achteren en van achteren naar voren doorgenomen. Zij blijkt schorpioen. Zijn Venus staat in de schorpioen. Hello, is it me you’re looking for? Peter weet van geen ophouden. Totdat haar teamgenoten het welletjes vinden. Mevrouw De Wit, gaat u nog mee eten? Even probeert Peter het nog. Of hij mag adviseren in de keuze van het restaurant. De jongens van HMC beslissen Italiaan. Pas nu valt ook Peters vlag.

Weenink Post jaargang 43 nummer 5 (oktober 1991)

Vleermuis 62

Mijn laatste partij

25 juli 1986
Toulon
Zuid Frankrijk


Zoals elke dag loop ik, roodbruin verbrand, van strand naar speelzaal om daar mijn partij te spelen. Vandaag de zevende ronde van het vierde open toernooi van de Mediterranée. Gisteren ben ik geveegd door iemand waarvan ik nog steeds denk dat hij niet kan schaken. Eén voordeel heeft dat in ieder geval in zo’n Zwitsers toernooi: vandaag kom ik weer tegen een zwakkere. De voorbereiding verloopt snel en doeltreffend langs de supermarkt om mineraalwater en koele drinkyoghurt te halen.

Eens kijken wie mijn tegenstander is. Ah, het is Marlène Estève, één van de weinige vrouwelijke deelneemsters aan dit toernooi. Zestien of zeventien zal ze zijn en hoewel haar gezicht iets popperigs heeft is ze het aankijken wel waard. Het zal moeilijk worden me geheel op het schaakbord te concentreren.
Voor de partij spreek ik nog even moeder Estève, die in het organisatiecomité zit. Zo’n nietszeggend gesprek van “leuk dat jullie tegen elkaar moeten”, en meer van die onzin.

De partij begint
.

Bram Janssen – Marlène Estève

1. a3

Daar! Als je, zoals ik, weinig schaakt en dan nog uitsluitend met zwart dan is het moeilijk “gebruik te maken van de voorzet”. Met deze zet zorg je ervoor met zwart te spelen. Daarbij komt dat a6 in veel van de systemen die ik met zwart speel niet onnuttig is. Verder ben je nog uit de bekende theorie ook.

Echt verrast is mijn tegenstandster niet. Al snel volgt


1. … Pf6 2. Pf3 g6 3. g3 Lg7 4. Lg2 d6 5. d3 0-0 6. 0-0 Pc6 7. e4 Pg4 8. h3 Pf6 9. Pc3 Le6 10. d4 Dd7 11. Kh2 Tfe8 12. d5

en wit wint een stuk. En dat al na een kwartier spelen.

Opgegeven werd er echter niet!

12. … Dd8 13. dxe6 fxe6

Zwart bood remise aan! Met een glimlach maar toch volkomen serieus zei ze: “Vous desirez la nulle?” Verbijstering maakte zich van mij meester. In wat voor een wereld leven wij dat iemand met een stuk minder na 20 minuten spelen remise durft aan te bieden.

Wat zou hier de gepaste reactie zijn voor een professionele speler als ik. Doen alsof je niets gehoord hebt? A tempo een zet doen? Je linker wenkbrauw optillen en vervolgens de partij uitschuiven? De wedstrijdleider roepen vanwege onhoffelijk gedrag? Terwijl ik hierover nadacht vloog er opeens een lach door mijn hersens. Eigenlijk was het ook wel grappig wat hier gebeurde. Ik zou het ook gewoon kunnen aannemen, dan was ik van deze partij af. Ik ging naar de bar en bestelde een kop zwarte koffie. Het bord bleef leeg en verlaten achter. Marlène liep glimlachend door de speelzaal. Ik ging toch maar weer terug naar het bord om na te denken. Niet over de stelling, die was niet zo interessant, maar over dat gekke remise aanbod.

Zo verstreken ruim anderhalf uur. Ik had nog 10 minuten over om iets te beslissen. Andere spelers bekeken de stelling met steeds meer verbazing. Het bord was regelmatig verlaten. Marlène liep door de speelzaal, ik liep regelmatig heen en weer om nog wat andere partijen te bekijken. Uiteindelijk nam ik een besluit: ik deed een zet. Marlène kwam terug aan het bord en gaf de partij op.

Binnen 1 seconde had ik de nieuwe situatie getaxeerd. Ik zei: “Non, ce n’est pas nécessaire, parceque je propose la nulle.” Dat nam ze aan, de professional.

Na deze partij heb ik nooit meer geschaakt.


Zuid Frankrijk
Toulon

25 juli 1986
Mijn laatste partij


Bram Janssen

Weenink Post extra jaargang 2 nummer 4 (mei 1990)

Vleermuis 61

Delen uit het verslag van het eerste Grasmat-toernooi door Laurens Duin

Weenink Post jaargang 42 nummer 1 september 1990

Op vrijdag 1 juni en zaterdag 2 juni 1990 werd het eerste openlucht-tournooi georganiseerd door de schaakvereniging “Het Grasmat” gehouden. De vereniging Grasmat bestaat nog maar drie jaar en is opgericht vanuit een voetbalvereniging in de Fizeaustraat te Amsterdam. Deze jongens hebben tijdig ontdekt dat voetbaltactiek en schaaktechniek heel goed samen kunnen gaan, en ondersteund door de kreet ‘aanvalluhhh’ hebben ze het gepresteerd om ieder jaar nog te promoveren vanuit de 5e klasse SGA naar nu de 3e klasse SGA. Hun schaaklocatie is gewoon in de voetbalkantine, waar de bar bediend wordt door een mokums echtpaar van boven de tachtig, ome Harrie en tante Greet, die beide net aan hun tweede jeugd zijn begonnen.

Het tournooi bestond uit twee gelijkwaardige poules van ongeveer 30 personen die 7 ronden zwitsers zouden spelen met speeltijden die variëerden van 20 minuten per persoon per partij tot 45 minuten per persoon per partij. Deze variabele speeltijden waren er om te voorkomen dat ook maar iemand een systeem in het tournooi zou kunnen ontdekken. De bedoeling was dat de twee winnaars een finale wedstrijd zouden spelen en wel buiten op de middenstip van het voetbalveld zonder publiek.

Mijn eerste tegenstander was Horatius Vlam. Na remise aangeboden te hebben die hij weigerde en na een poging een zetherhaling op het bord te toveren, welke hij met man en macht vermeed, probeerde hij winst te forceren. Deze mislukte poging van hem was voldoende de grote wijzer van zijn klok in confrontatie te brengen met het kleine rode vlaggetje, wat natuurlijk een ongelijke strijd is. Na de eerste ovaties in ontvangst te hebben genomen en van hem te hebben vernomen dat het puur om een gezelligheidstournooi ging en dat de punten een secundaire rol speelden, vervoegde ik mij bij ome Harrie om onder het genot van enkele pilsjes bij te komen. Mijn tweede tegenstander was M. Knook en het kostte me niet erg veel moeite deze partij te winnen. Het was tevens de laatste partij van de eerste dag.

Alhoewel mij door de zeer gastvrije Grasmatters een slaapplaats werd aangeboden, ben ik toch maar naar huis gegaan. Niet om mee te kunnen doen aan het Luilaktournooi dat ‘s nachts werd georganiseerd door Weenink, maar omdat ik een medepassagier had, de ‘klerelijer’ ome George, een Amsterdamse gepensioneerde kleermaker, die nu in Wijk aan Zee woont en het tweede jeugdlid van het Paard van Ree is – hij is net als ome Harrie en tante Greet net begonnen aan zijn tweede jeugd – en die de volgende ochtend om 7.00 uur ontbijtjes klaar moest maken in Hotel Sonnevanck.

Na de volgende morgen om kwart voor twaalf weer in Amsterdam aangekomen te zijn, zag ik de andere schakers met dichtgeknepen oogjes binnendruppelen. Ze waren net als ik niet gewend om zo vroeg op te staan. De sfeer was prima en na de inhoud van de koffievaten in recordtijd te hebben zien slinken kon ik aan mijn derde ronde beginnen. Toen ik na twaalf zetten in een Budapestgambiet een toren en twee pionnen voorstond gaf mijn tegenstander op. Ondanks dat we dit keer 30 minuten bedenktijd hadden begrijpt u wel dat we klaar waren voordat de andere schakers al enigszins bruin waren geworden van het zonnetje dat hun oogjes nog verder deed dichtknijpen.

Ik had nu even tijd om de prijzen te bewonderen die door een van de organisatoren waren ingekocht op het Waterlooplein. Deze prachtige prullaria stonden uitgestald op de prijzentafel. Ik zag een meter hoge zilverkleurige opiumwaterpijp, een oude bandrecorder met een geluidsband vol muziek waarmee een mens zich in de vorige eeuw zou wanen, een strijkbout van voor de oorlog (eerste of tweede?) waarvan ik bijna zeker ben dat de huisvrouw die dit ding had gebruikt geëlectrocuteerd is geworden, een prachtige metalen drankmixer die na een poetsbeurt niet zou misstaan in een huiskamer, een messing oosters beeldje met ingelegde nepdiamanten, een letterbak etc. Daarna was er nog tijd om in het zonnetje wat muziek te maken. Iemand had een gitaar meegenomen en ik heb altijd mijn Ierse ‘tinwhistles’ bij me. Dat leidde tot een algehele samenzang met zowat alle schakers waarbij je bijna vergeten zou dat er ook nog geschaakt moest worden.

In de vierde ronde had ik wit tegen Jeroen Wismeijer. Dit keer met slechts twintig minuten bedenktijd. Omdat hij de stad was ingegaan om te lunchen en zich in de tijd vergist had, kwam hij elf minuten te laat en had hij nog maar negen minuten over voor de partij. Op zich was dat voor hem geen probleem omdat hij tijdens zijn andere partijen regelmatig even ging voetballen en dan na elke drie doelpunten terugkwam om een paar zetten te doen en evengoed zijn partijen wist te winnen, maar nu had hij geen tijd meer om te voetballen en ik won de partij nipt. De overige partijen waren niet interessant en ik wist mijn groep met een honderdprocentscore te winnen.

Voor de laatste ronde zouden we met z’n allen nog een partijtje gaan voetballen, maar ik werd gered door een zware regenbui die ik voor dit tijdstip had besteld. Na dit moment passend herdacht te hebben met de nodige spirituelen begonnen we aan het gezamenlijke diner, dat bij het inschrijfgeld inbegrepen was. Een kok uit een Amsterdams restaurant bereidde in het kleine keukentje van de kantine met een oventje en een vierpits gasstelletje op nog geen drie vierkante meter een copieuze maaltijd voor zeventig personen! Ieder pakte een leeg bord (geen schaakbord) en liet dat in de keuken vullen. De maestro schatte of je een grote eter was of niet. Volgens deze maatstaf werd er een grote of een kleine gepofte aardappel op je bord gedeponeerd, een stuk vlees uit de ‘pot pourri’ gevist samen met wat groente en aangevuld met een heerlijk stuk turks brood uit de oven. Bij de bar werd de maaltijd aangevuld met een plastic bekertje rode wijn uit een jerrycan. Je zag schakers die geen kans meer hadden op een prijs zich veelvuldig bij de jerrycan vervoegen. Daarna haalde ieder zijn dessert op. De eerste liepen de keuken uit met een vol bord yoghurt met vruchten. Na de eerste twintig borden zag je dat de kok zich rijkelijk vergist had en werden de porties steeds kleiner.
Nadat ome Harrie de lege borden had opgehaald en afgewassen had, kon het tournooi afgemaakt worden op de middenstip. Het regende nog steeds.

Ralph Scheuer-Laurens Duin

1. Pf3 Bordejongen door walkie-talkie: “één paard f3” 1. … Pf6 2. b3 g6 3. Lb2 Lg7 4. e3 0-0 5. Le2 d6 6. d4 c6 7. 0-0 b5 Bordejongen: “Ehhh…, kunnen jullie dat nog een keer overdoen, want ik ben pas bij 1.Pf3.” Ik: “Zullen we de zetten als we ze uitvoeren hardop zeggen?” Ralph herhaalde de zetten en de bordejongen gaf ze door. Kantine: “Kunnen jullie het nog een keer herhalen, want we missen een paar zetten.” Bordejongen: “Eehhh…” Ralph herhaalt de zetten. Kantine: “Wat was de derde zet van zwart?” Ik: “Loper g7” Bordejongen: “Loper g7” Kantine: “Wat zeg je?” Bordejongen: “LOPER G7!!”

8. c4 Bordejongen door walkie talkie: “8. c4 … Misschien kunnen jullie de ontvangen zetten voortaan even herhalen.” Kantine: “Oké” 8. … Db6 Bordejongen: “8. … Db6” Kantine: “8… Db6. Willen de schakers wat drinken op kosten van de club?” Ik: “Ja, koffie graag. Zwart met suiker.” Ralph: “Nee, dank je.” Bordejongen door walkie talkie: “Een koffie zwart met suiker en een cola met cognac.” Kantine: “Oké” Bordejongen door walkie -talkie: O ja, doe er ook een cigaret bij.” Kantine: “Voor wie is de cola met cognac?” Bordejongen door walkie-talkie: “Dat zeggen we niet.”

9. cxb5 cxb5 10. Pc3 Bordejongen geeft de zetten door. Kantine: “Hoeveel tijd hebben ze verbruikt?” Bordejongen: “Allebei vier minuten ongeveer.” Ralph: “De klok doet het niet! Hebben ze allemaal nieuwe klokken, krijgen wij zo’n oud kreng.” Er wordt een nieuwe klok gebracht.

Kantine: “Hebben jullie het koud?” Deze vraag wordt bevestigend beantwoord, ondanks het feit dat ik van de voorzitter een warme jas had mogen lenen.

Het verdere verloop: 10. … a6 11.d5 Lb7 12. b4 Pbd7 13. Dd3 Tac8 14. h3 Pxd5 15. Pxd5 Lxd5 16. Lxg7 Lc4 17. De4 Kxg7 18. Lcx4 Txc4 19. Dxe7 Pf6 20. Pd4? Txd4 0-1 Bordejongen door walkie-talkie: “Wit geeft op.” Kantine: “Hè?!” Kantine: “Wie speelde er ook weer met wit?” Bordejongen: “Ralph Scheuer”

Vanaf het voetbalveld kon ik het applaus vanuit de kantine duidelijk horen. Bij binnenkomst moest ik eerst tekst en uitleg geven en daarna werden de prijzen uitgereikt. Ik kreeg een enorme wisselbokaal. Ze schenen deze uit de prijzenkast van de voetbalafdeling ontvreemd te hebben. De naam van de bokaal was “Bullbokaal” en ontleend aan een vroeger lid, een boom van een kerel met een klein hartje, maar waarmee je geen ruzie moest krijgen en waarmee je met een gerust hart door Amsterdam kon stappen. Bull was anderhalf jaar geleden omgekomen bij een auto-ongeluk.
Nadat de bokaal was gevuld met champagne en rond was gegaan door de hele kantine, kreeg ik ook nog de waterpijp uitgereikt.

Uren later en nog voor het feest afgelopen was, ging ik richting Wijk aan Zee met in het achterhoofd de herinnering aan een van de leukste en gezelligste schaaktournooien die ik ooit heb mogen meemaken.

Laurens Duin
8 juni 1990

Vleermuis 60

Klulkoek

Daar heb je die verrekte Vandattus weer. Met een van zijn netste onzinstukjes. Heb ik naar moeten zoeken. Er staan aanwijzingen in. Ik doe aan tekstanalyse. Heb ik voor geleerd. Hij stamt af van een vervlaamd Waals (of verwaand Frans) officiersgeslacht, waarvan de nazaten tegen hun zin in Antwerpen waren gestrand en van dat dus behoorlijk de pest in hadden kregen. En van die bekakte Gentenaren natuurlijk. Kan ook andersom zijn geweest. De rest is lariekoek en dwaalspoor. Zie ik iets over het hoofd?

Weenink Post jaargang 37 nummer 28 juli 1986

Kan ik er wat aan doen dat mijn voornaam Vlaams en mijn achternaam Vlaams is? Eigenlijk wel, maar dat voert minstens voorbij de taalgrens, andere keer misschien.

Ik wil het eens hebben over dat door die ‘Ollanders’ misverstane werkwoord ‘verbelgen’: sommige heren en dames hollandici menen dat woordteruglopend te kunnen afleiden uit het situatie-veranderende voorvoegseltje ‘ver’ en het intrigerende oud-vlaamse woord ‘balg’. Dat zou dan via kruisbestuiving door Welshmen onder Filips de Schone uit het Noord-Iers zijn gekomen en staan voor ‘walgen van’. Zodoende zou ‘verbalgen’ iets of iemand verfoeien zijn. Klulkoek!

Uit de jongste opgravingen te Peerkens-Kruisegem wordt mijn mening gestaafd dat ‘balg’ staat voor ‘balg’ en dat wij Hollanders er alleen maar mee konden blazen, terwijl de Belgen er in knepen en kneedden. Ware meesters waren die Belgen daarin en het duurde niet lang of hun faam in dit handwerk snelde hen achterna naar de Nederlanden alwaar zij reeds decennia in slavernij werden gehouden om de ‘balg’ te hanteren. Al spoedig werd het instrument synoniem voor de bediener ervan. ‘Daar hejje’nen Balg’ zei men dan en als die ‘Balgen’ te veel gedronken hadden, dan wilden ze er nog wel eens flink tegenaan gaan en iemand ‘verbalgen’ wat neerkwam op het modieuze nederlands: iemand even verbouwen of vertimmeren. Het is aan het bekakte taalgebruik van de Gentenaren te danken of te wijten dat men van ‘verbelgen’ begon te spreken.

Hoe zit het dan met ‘gebelgd’ en ‘verbolgen’? Awel, hier hebben wij van doen met een sterke Belg en een zwakke Belg, die elkaar in een historische tongverstuiking hebben misverstaan, zo simpel ligt dat.

Frankie Verzottus

Vleermuis 59

Van welk een nooit geschatte waarde

Hein de Vries (hij overleed in 2005) was een kleurrijk mens. Nog elk jaar wordt in de laatste dagen van december een naar hem vernoemd schaaktoernooi gehouden in Wijk aan Zee, georganiseerd door het Schaakgenootschap Het Paard van Ree. Een niet te missen gezellig toernooi omlijst met gedichten, muziek en een gezamenlijk diner.

Hein was behalve lid van het Paard van Ree ook lid van Weenink. In het seizoen 1985/1986 leidde hij het tweede van Weenink naar een kampioenschap en tijdens die campagne werden wij in de Weenink Post op een geheel eigen wijze op de hoogte gehouden van dat succes. Zijn ideaal was een verslag te schrijven waar geen schaakterm of -zet aan te pas kwam. Daar oefende hij op. En zo kon het gebeuren dat ons een schaakwedstrijd verteld werd als ware het een regatta op het Wijkermeer, dan gingen de trossen los, was er geen sprake meer van open lijnen maar van rakken, werd er bij harde wind gereefd en als het echt niet anders kon de steven gewend, maar nooit schipbreuk geleden, ofschoon kantje boord. Tegenstanders werden gefinndold. Dat was een woordspeling. Maar er werd ook wel eens uit Beverwijk vertrokken. Vroeger was dat gewoon een uitwedstrijd. Maar Hein zag dat toch anders en dan heette het: er zijn soldaten uit Beverlo vertrokken. Een lied, aan de inhoud waarvan de eigen spelers zich niet veel gelegen lieten liggen, want het waren hun tegenstrevers die zouden sneven.

Beverlo

Een lied uit Mistero Buffo van Dario Fo
Internationale Nieuwe Scène


Bij het kampioenschap volstond hij met een gedicht:

Sebastian Coe
Een dertigtal meters
genomen met schijnbaar gemak…
Hautain wendt het hoofd zich
linksom over de schouder,
rechtsom over de schouder.
Het lichaam schakelt terug –
de benen gaan in vrijloop.
Ze dragen twee geheven
armen over de finishlijn.


Heel mooi vond ik een stuk dat hij een keer zomaar plompverloren middenin een “wegens een bruiloft in Dubrovnuk verlaat” verslag opschreef. Had laten slingeren leek het. Vergeten op te ruimen. Een verdwaalde tekst uit een ander verhaal, een andere plaats, een andere tijd. Wonderschoon.

We zitten langs de weg ergens midden in Kroatië; Walter, Wolter en ik. We eten en drinken wat. Onder en tegenover ons het glooiend landschap van een bergdal. Verspreid liggende boerderijen, wat omgeploegde akkertjes, veeteelt. Zo’n zes, zevenhonderd meter beneden ons, zowat aan de voet van de tegenover ons liggende heuvelrij, grazen enige koeien. Er staat een vrouw bij. Rechtop en schier bewegingloos. Ik breek een stuk van een groot, plat brood en wacht tot Wolter klaar is met ons enige mes. Het is hier fris langs de weg. Nu krijg ik het mes. Daarmee druk ik wat harde schubjes boter in het veel zachtere brood en daarmee snijd ik wat plakjes van de te dure salami worst. Wachten, aankloten, snijden, dat kost mij een minuut of tien. Hap. Ik kijk weer naar de koeien. Ze grazen. De vrouw staat bij hen. Rechtop, bewegingloos en schier op dezelfde plaats. Ik pak een fles bier en maak hem open. Fleng. Salami, bier en broodpap. Weer kijk ik naar beneden. De koeien grazen wat verderop, 30 à 40 meter. De vrouw staat bij hen, 30 à 40 meter van haar oude positie. Rechtop en schier bewegingloos. Wellicht spaart ze haar krachten; ik denk dat ze vandaag het huishouden nog moet doen. Welk een tempo heeft het leven hier en van welk een nooit geschatte waarde is hier de Dame?

Vleermuis 57


Met alles rekening gehouden…


De wedstrijd tegen de Koningsclub Bergen is in sportief opzicht het hoogtepunt in de geschiedenis van Weenink. Wekenlang had de “hulpkoots athok” de ballon opgepompt tot die wel móest klappen. Het knappe was dat dat precies op het goede moment gebeurde: op zaterdagmiddag 11 mei 1985 in de Wijckermolen.

In de maanden daarvoor had hij de Koningsclub hinderlijk gevolgd en nauwlettend geanalyseerd. Hij wist wie er wel en wie er niet zouden spelen. En wat er moest gebeuren: Play the man – not the board! Bij al onze spelers legde hij voor het slapen gaan Simon Webb’s Chess for Tigers onder het hoofdkussen.

“The Tiger is a vicious beast. He doesn’t care about the aesthetic side of chess. He doesn’t even care about making the ‘best’ moves. All he cares about is winning. Do you want to win more games? Then become a Tiger.”

Hij zei het ook nog een keer in begrijpelijke taal: “Luister goed. Ik zeg alles maar één keer. Begin bij de sloomheid van Kuligowski, de bril van van der Sterren, de moederbuik van Hartoch, de notatieneurose van Marcus, enzovoort”. Eerst de man en dan pas de bal.

Minstens zo prikkelend waren de rekenkundige prognoses waarmee Bram Janssen de bespiegelingen van de hulpkoots, die in ogenblikken van twijfel, als hij in zijn korfbalverleden groef en daaruit de hoop putte dat als je maar genoeg oefende en het vaak genoeg probeerde de bal vanzelf een keer door het mandje ging, laten we zeggen nuanceerde. Samengevat kwam het erop neer dat Weenink met 2,02 tegen 7,98 zou verliezen en dat de kans op een goed resultaat (gelijkspel of kleine overwinning) één procent was. Onthutsend?

Onmiddellijk gingen de gedachten uit naar Donner, die toen hem werd gevraagd hoeveel procent kans hij dacht te maken in zijn tweekamp tegen Ree (Nederlands kampioenschap 1971) zei, hij deed alsof hij het uitrekende: negenennegentig. En na de match die hij verloor, hij zocht naar een fatsoenlijke verklaring: ja, je moet met alles rekening houden, net dat ene procent is er nou uit gekomen.

https://www.jadoube.nl/schaken/weenink-koningsclub/

Net dat ene procent …

Vleermuis 56


Met vlag en wimpel

In het seizoen 1983/1984 debuteerde Weenink in de eerste klasse KNSB. Aanvankelijk met schrik in het hoofd en de benen werden de eerste twee potjes (uit tegen Amersfoort en thuis tegen Bussum) dik en dik verloren. Met acht twee en zeven drie maar liefst. Maar in de derde wedstrijd wierp Weenink de schroom van zich af en won het in Leiden met 7½-2½ van LSG. Zeven en een half. Dat smaakte naar meer. Ik meldde me aan als supporter en reisde met het team mee naar Enschede. Dat mocht. Als ik beloofde een verslag te schrijven.

Weenink Post jaargang 35 nummer 11

De treinreis was ver en niet zonder zorgen. Zou Weenink er in slagen de vierpionnenwedstrijd tegen Esgoo in zijn voordeel te beslissen? Als je Jan Sinnige moest geloven, dan hing het eersteklasserschap af van deze ene wedstrijd. Het Leidens ontzet had de schrik van de eerste twee nederlagen, tegen Amersfoort en Bussum, kennelijk nog niet geheel weggenomen.

Bijna een uur te vroeg kwam de ploeg in Enschede aan, hetgeen teamleider Berend Pluim nog even de gelegenheid gaf wat verfijningen in de opstelling aan te brengen. Rien Aalbregt zou debuteren op het negende bord, terwijl Erik Schoehuijs zonder bril op het achtste bord (Ha acht…) op adem mocht komen van de psychologische klappen, die hij met behulp van zijn Nederlandse lerares (…dame!) had trachten af te weren.

Hotel Modern bleek het eigendom te zijn van de vierdebordspeler van Esgoo. Waarschijnlijk was dat de reden dat hij meespeelde, want de strijd was nog maar net begonnen of hij gaf als goed gastheer Bert van der Zijpp een paard cadeau. Hinnikend schoof Bert de partij uit.

Ondertussen had Rien Aalbregt vliegensvlug remise gemaakt, met toestemming overigens van Berend, die dit mooi meegenomen vond. Later zou Rien zich de haren uit het hoofd trekken, toen hij zag hoe de Esgoo-spelers één voor één hun verkreukelde notatieformulieren over de balustrade wierpen als ze maar even iets in de weg werd gelegd.

Op het eerste bord raakte Haitsma, de tegenstander van Hendrik Koopman al na twaalf zetten (uit een matchpartij Korchnoi-Spassky, Belgrado 1977) de weg kwijt, waarna hij uiteindelijk met een kleine petit-combination (de woorden van onze kopman), dus zeer subtiel, aan de nul werd geholpen. Dat prikkelde Peter Uylings zodanig dat hij met behulp van Tsjigorin ijlings de vloer aanveegde met zijn bange tegenstander Okkes. Het nadeel hiervan was dat hij (Peter) er niet over uitgepraat raakte. Tegelijkertijd gaf in de achterhoede Cees Doevelaar onze Alessandro di Bucchianico (wat een ongelijke strijd) een paard ten geschenke. Alessandro had Russisch geopend en bedankte de gulle gever beleefd en na de partij nog eens hartelijk voor dit geschenk.

Daarmee was een tussenstand van 4½-½ in het voordeel van Weenink bereikt en de steeds geestdriftiger dreunen van Berend op mijn schouder deden mij verlangen naar slechter tijden.

Het was tijd geworden om met kuchen en smekende blikken in de richting van zijn klok Nico Kok tot grotere spoed aan te zetten. Het spel van Nico was weer als vanouds: een schatkamer boordevol met de schitterendste ideeën, waarvan alleen de sleutel nog even gevonden moest worden. In de extra minuut die de spelers tegenwoordig krijgen lukte dat nog net op tijd.

Aan het achtste bord speelde Erik naar eigen inzicht een magistrale partij, waar zijn tegenstander ook maar de helft van begreep, en dus werd het remise. Het wordt tijd dat Erik weer net zo slordig gaat spelen als vroeger en gewoon tevreden is met kwaliteitswinst.

Drie partijen waren nog aan de gang en de roep “tien!tien!tien!” werd steeds luider, waaruit moge blijken dat het zelfvertrouwen bovennatuurlijke proporties begon aan te nemen. En inderdaad, er was nog van alles mogelijk: Paul Bierenbroodspot bracht met zijn koning de allerlaatste pion naar de overkant, terwijl zijn paard de vijandelijke loper afhield, en Hans Nuijen voerde bekwaam zijn eindspel van toren, loper en pluspion tot winst.

Maar Ben Otten spande de kroon. Zijn tegenstander was al na twintig zetten in hevige tijdnood geraakt en noteerde niet meer. Ben was even in moeilijkheden geweest, omdat hij met zijn dame op a4 een pionnetje had opgehaald, wat hem er eentje op f7 had gekost, maar ja, dat is van nature een zwakke broeder, dus daar zat hij niet mee. Op vriendelijk verzoek van de wedstrijdleider noteerde Ben de zetten, waaronder een paar erg slechte van zijn kant. Hierdoor geholpen haalde zijn tegenstander op het nippertje de veertigste zet, waarna hij onmiddellijk een uur lang in gepeins verzonk. Een remiseaanbod werd door Ben met een blik op de klok afgeslagen. Bovendien stond hij slechts één pionnetje achter en de stand in de wedstrijd vereiste dat hij doorspeelde, zou hij later verklaren…

Hij won twee pionnetjes en stond er nu dus één voor. Opnieuw moesten er twintig zetten in een minuut gedaan worden. Op vriendelijk verzoek van de wedstrijdleider noteerde Ben de zetten, op zijn knie. Hierdoor opgejaagd haalde zijn tegenstander de achtenzeventigste (!) zet, alvorens zijn vlag viel. Op zoveel zetten had ik trouwens niet gerekend, zodat de zetten niet alleen op de knie van Ben, maar ook op de binnenkant van mijn hand, arm, enzovoort stonden, wat betekende dat de wekelijkse wasbeurt uitgesteld zou moeten worden tot na de analyse.

Dit alles had de Esgoo-speler niet onberoerd gelaten en nadat opnieuw een remiseaanbod van hem afgeslagen was, zette hij mopperend de klok stil en brak af. Ben liet hem rustig begaan, riep nadat de envelop verzegeld was de wedstrijdleider en claimde vriendelijk winst wegens tijdsoverschrijding. Hij had nog vijf kwartier op de klok en als zijn tegenstander die erbij nam, dan zouden, defecten nagelaten, onherroepelijk vlag en wimpel vallen. De wedstrijdleider trapte erin en daarmee was de eindstand bepaald op 9-1. Waarop Jan Sinnige tegenover de verblufte Twentenaren verklaarde, dat Weenink aanvankelijk wat aanpassingsmoeilijkheden had gekend in de eerste klasse, maar nu het juiste ritme te pakken had.

De terugreis verliep voorspoedig en zonder zorgen.

De Weenink-spelers op 10 december 1983 in Enschede waren: Hendrik Koopman, Peter Uylings, Hans Nuijen, Bert van der Zijpp, Paul Bierenbroodspot, Ben Otten, Nico Kok, Erik Schoehuijs, Rien Aalbregt en Alessandro di Bucchianico. Voor de goede orde: Ben Otten heet nu Colleen Otten. Zij schaakt nog steeds. Evenals Peter, Paul, Nico, Erik en Alessandro. Schakers gaan lang mee. Van de Esgoo-spelers (Anne Haitsma, Menno Okkes, Henk Bernink, Gerard Grotenhuis, Ton Binnendijk, Jan Hondebrink, Bert Jongsma, Hans van Bekkum, Bertus Bremer en Cees Doevelaar) weet ik het niet zo precies.

Vleermuis 55


Wie is Vandattus?

Jarenlang bezocht een schuinsloper de Weenink Post. Waar Ha acht Dame fijntjes fileerde, daar had je Vandattus die woest te keer ging en pseudoniem scalpeerde. Proestend en snuivend schopte hij alles overhoop en iedereen voor zijn kont. En het liefst maakte hij dus iedereen een kopje kleiner. Hij was onder ons. Maar wij wisten niet wie hij was, raadden maar wat. Of zagen wij iets over het hoofd?

Weenink Post jaargang 35 nummer 11

BOOS

Ik beboos. Ben ontzettend boos. Ik ben godvergemes boos! Schrijf in afgemeten zinnen. Komt mijn boosheid beter uit. Lees je nog wel? Lees dan verder! Over boos. Wat is het? Het is dit. En het kwam zo. Goeroe Hen-drik schrijft heen. Discipel E-rik terug. Oogt puik. Als z’n schaakspel. Maar dan! Het begint zeer, zeer goed. “De heer H Koopman.” De heer Koopman. Voel je ‘m? Delicaat en toch beschaafd. Krijg er bijna eriktie van. Dan, als het al bijna vastgepakte stuk: “Beste Henk.”

Beste Henk??? In één klap dame kwijt. Partij verloren. Huil. Teneur, tendens en trend ontkracht! Erik toch! Hoe kon je? Hendrik rijp voor Willibrordusstichting. Had al ‘n fruitmand in m’n hoofd. Kan ik daar wel laten zitten nu. Laat-ie bijna Hendriks bilspleet zien. Wij, van Weenink, al gegeten en gedronken! Gaat-ie zijn kont likken! Beste Henk! Begrijp je dan nooit iets van het schaakspel? Je hoefde nog maar één ding te doen. Rondgaan met de collectebus. Maar in plaats daarvan? Beetje amicaal doen. Minderwaardigbrilspelletjes zitten doen! Ben je nu helemaal van achteren genomen?

Luister. Volgende keer moet het anders. Je observeert HK. Je constateert dat achterlijke schudden. Zogenaamd concentratie. Onder het spel. Vraag of-ie daar mee wil stoppen. Zo niet, dan zeg je het tegen Vandattus. Of je maakt hem écht bang. Gaan we straks allemaal zo knikkebollen. Wedden dat-ie groen aanloopt? Of, fijne Erik, Hans, Nico en volgende laf uitgezochte slachtoffers: lees wat aandachtiger Jan Blokker. S-a-v-o-u-r-e-e-r zijn mening. Over gogologen en aanverwante kruisingen. Bevrijd jezelf en lach eens kriek! Zielo-loog! Ja ja, drie-hoog met een boog. Zonder vangnet. Wie is van hout? Swami bami Hendrikineesi.

Wie is van dat dus?
Uw eigen Sjaan Foudraal

We konden niet genoeg krijgen van deze schuinsmarcheerder, zolang hij zijn rotjes maar in iemand anders zijn broekzak stopte. We dachten slim te zijn en begonnen elkaar wijs te maken dat we het heel misschien wel wisten of in ieder geval vermoedden, maar dat we echt niks gingen zeggen, want als het dan niet waar was dan werden we de volgende keer zelf te kakken gezet. En als het wel waar was ook. Totdat iedereen het zogenaamd wist. En dus hadden we de schelm nog steeds niet te pakken.

Vleermuis 54

Ha acht Dame verknipt en ingekort (1983-1984)

De stukjes “Ha acht Dame” van Hendrik Koopman werden door de meesten van ons verslonden en door sommigen gevreesd. De leden van het eerste tiental van Weenink kwamen bij hem allemaal ongevraagd op de sofa terecht, maar niet ieder slachtoffer vond dat even leuk, hoewel slechts een enkeling dat toegaf. Het is wel de reden waarom ik hieronder in een versnipperd overzicht bijna alle namen afgeplakt of weggeknipt heb, want er werd naast behoorlijk gek geschoren soms ook meedogenloos raak geschoten. En ook wel eens niet. Dus wordt het (na zoveel jaar) voornamelijk gissen. Tenminste, dat hoop ik, want anders vrees ik repercussies, of van de schrijver of van een wellicht geraakte.


Weenink Post jaargang 35 nummer 6

… Op verzoek van een groot aantal fans, waarvoor mijn dank, hervat ik mijn werkzaamheden als columnist. Het is natuurlijk bekend dat het clubblad van VHS lange tijd zeer gewild was vanwege mijn bijdragen. Ik heb vanzelfsprekend wel een vaste plaats geëist in dít clubblad. Bovenaan bladzijde 2 lijkt mij het meest geschikt. Vóór Vandattus. Beter voor beiden…


Weenink Post jaargang 35 nummer 16

… De schaakstijl van een bedaarde veertiger. Rustig, positioneel van goed niveau, zeer grote kennis van openingszaken, maar ook wat angstig, te voorzichtig en terughoudend. Op zijn leeftijd hoor je niet steeds in eindspelen te geraken. Een Uylings (ai…) had op die leeftijd nog nooit een eindspel op het bord gehad! Maar hij heeft één troost. Het verstrijken der jaren werkt in zijn voordeel. Zijn spel zal steeds meer in overeenstemming komen met zijn leeftijd …


Weenink Post jaargang 35 nummer 11

… Denkt u dat ze denken? Ik denk van niet. Volgens mij denken ze niet. Volgens mij zitten ze gewoon lekker te suffen. Een zware werkdag zit erop. Het was vermoeiend. Het weekend was zwaar met al die visite en activiteiten. Reikhalzend kijken ze uit naar hun enige echte vrije avond in de week. De dinsdagavond. De schaakavond is als de ochtendkrant, maar dan langer. Lekker dicht bij de verwarming. De ogen op oneindig. Net doen of je denkt. Genotvol slurpend aan de koffie. Dan weer lekker duffen. Geen gezeur aan je kop. Mensen zwijgen omdat ze denken dat je denkt. Het tikken van de schaakklok. Het huiselijke tikken van de breipennen van Hetty. Je speelt Franse verdediging of Caro-Kann. Dan hoef je niet te denken. De eerste uurtjes zijn voor jou. Lekker kalm. Sjablone na sjablone. De ene na de andere. Laat hem maar komen …


Weenink Post jaargang 35 nummer 23

… Hij was er al bang voor. Dat het ter sprake zou worden gebracht. Dat het onder de aandacht zou komen. Helaas kan ik niet anders. Ik moest. Ik heb zitten denken, me suf zitten piekeren. Hoe anders? Hoe het te omzeilen? Steeds keerden de gedachten als door een magneet getrokken naar dat ene alles bepalende kenmerk: het brilletje.
Zeg nou zelf. Karakteristieker kan het niet. De brilstand! Slechts door dat ene aspect geboeid. Met zo’n voorzetsel kan het ook nauwelijks anders. Hij kijkt door een remise de wereld in. Frits van Turenhout (ai…). Jarenlang presenteerde hij op zondagmiddag op radio en later via tv voetbaluitslagen. Steeds zat ik er en genoot. Nec-nac-nul-nul. Heerlijk. De verfijnde uitspraak. De subtiele magere l. Nul-Nul, O-O.
Maar zó kom je er niet jongen. Wil je advies? Een schaker behoort zich op zijn minst vierkante glazen aan te meten! En voor jou, heel apart, het montuur in de vorm van een paardensprong. Wèg evenwicht. Een nieuwe wereld gaat voor je open …


Weenink Post jaargang 35 nummer 8

… en opeens werd mijn oog getroffen door een aantal kunstwerken. Steenhard, zwart, glanzend en zwanger van symboliek. Ronduit verrassend was de daaropvolgende aanblik van de schepper van deze kunstwerken. Geflankeerd door twee geweldig mooie vrouwen. Ze vraten hem bijna op. Ongegeneerd namen zij bezit van de kunstenaar en zijn creaties. Ik wendde mij af. Het deed pijn. Hij was niet meer te redden. Hij kwam handen te kort. Later achter het schaakbord eveneens …


Weenink Post jaargang 35 nummer 7

… Kunt u het nog volgen? Nou ik al niet meer! Hij denkt zoals hij schaakt. Schematisch en bij de eerste aanblik schijnbaar logisch. Staan we echter wat langer stil bij zijn ideeën en spel dat ervaren we onmiddellijk de geringe diepgang. Zo vergeet hij voor het gemak dat een “psychologische zet” beantwoordt dient te worden met psychologische tegenzet. Wanneer bijvoorbeeld remise wordt aangeboden in een vroeg stadium van de partij past slechts één houding. U blijft uw koele blik onveranderlijk aan de 64 velden gekluisterd houden en hult u in stilzwijgen. U zit daar onbeweeglijk als een sfinx. Ongenaakbaar. In deze pose volhardt u verscheidene minuten. Vergeet onderwijl niet te genieten van de gedaanteverwisseling van uw tegenstander. Het glimlachje waarmee het remiseaanbod vergezeld ging is al lang van zijn lippen verdwenen. Er is algehele onrust voor in de plaats gekomen. Onrustig schuiven op de stoel. Zijn ogen schieten herhaaldelijk richting u en ze zullen boekdelen spreken. Heeft hij me soms niet gehoord? Moet ik mijn aanbod herhalen, maar dan wat luider? Ik zei het toch duidelijk genoeg geloof ik? Waar zit hij nou naar te kijken? En net als uw tegenstander de ondraaglijk geworden spanning tracht te verminderen door op te staan en wat te gaan lopen voert u uw zet uit. Soepel en zelfverzekerd. U staat vervolgens zelf op van het bord en blijft even staan. Hoog toornt u uit boven uw tegenstander. U kijkt op hem neer en snuift even minachtend. Vervolgens begeeft u zich de speelzaal in op zoek naar Uylings (ai…), die op dat moment ongetwijfeld rond zal lopen, voor een ontspannen inhoudsloze babbel. De overwinning is nog slechts een kwestie van tijd. Meer diepgang dus. Duidelijk? …


Weenink Post jaargang 35 nummer 9


… Ik zie de foto nog helder voor me. Kampioenschap van Heemskerk 1981. Een foto van de kampioen uit 1980. Zwart wit. Een tikkeltje zweem door de uitvergroting. De spelers van Excelsior konden hun ogen er niet van af houden. Telkenmale kwamen ze weer even kijken. Eigen kweek. Schouderklopje. Bemoedigend toespreken. Tuindersjongen. Een van hen. Eenvoudig gebleven. Zelf was hij eveneens herhaaldelijk bij de tafel met de foto te vinden. Zich spiegelend gelijk Narcissus. Toch moet ik bekennen dit een goede eigenschap te vinden. Een schaker die niet met zichzelf is ingenomen zal het nooit ver schoppen. Er dient onwrikbaar geloof te zijn in eigen kunnen …


Weenink Post jaargang 35 nummer 14

… Drie jaar terug. Het eerste schot voor de boeg. Stug verdedigen. Hij pakt een pionnetje. Gaat er op zitten. Nooit meer terug gezien. Geluk dacht ik toen. Ik had gewaarschuwd moeten zijn. Een bloedhond laat nooit meer los. Steeds weer die hatelijk terugkerende nul. Voor mij wel te verstaan. Hij staat bovenaan mijn dodenlijstje. Bovenaan staat hij. Dikke rode lijnen rond zijn naam. Zijn naam. Zijn beeltenis. De bleke gelaatstrekken. Zijn magere gestalte. De handen steeds verborgen in de broekzakken. Wegkijkend. Hij combineert als een krant en speelt als een egel. Maar ik moet bekennen: een egel met erg veel gevoel voor het spelletje. Vooral als er gevaar dreigt. Opgerold, met zijn stekeltjes uit, wacht hij op de aanval. Drie keer stootte ik als jonge hond mijn neus en droop jankend af. Nu heb ik de remedie. Geduld. Wachten is het devies. Een schoteltje melk ter verleiding. Tot hij dorst krijgt en zijn verdediging verlaat. Dan is hij kwetsbaar en zal ik toeslaan …



Weenink Post jaargang 35 nummer 24

… Talloze varianten worden in hoog tempo getoond. Getoond, want denk niet dat je de kans krijgt met je handen de stukken te beroeren. Op vaardige wijze verdwijnen de stukken van het bord. Zeer logisch ook … op het eerste gezicht. Ik denk dat het vooral komt door de vele slagwisselingen. Hij pakt eerst die, dan moet die worden geslagen, die moet zo worden teruggewonnen want als je zo terugneemt wordt die gepakt en staat gelijk die ook in…. De mond van de verbouwereerd toekijkende tegenstander zakt steeds verder open. Allemaal gedwongen. Daar had hij totaal geen vermoeden van gehad. En toch… Iets binnenin mij fluisterde: nee, dit kan het niet zijn. Te primitief. Waar blijft het tussenschaak, de subtiele tussenzet, de tempodwangsituatie of de “stille”? Toen daagde het mij. Het was geen schaken. Het was dammen. Slaan verplicht. Meerslag gaat voor. Hij speelt recht voor zijn raap dammen. De stenen kunnen alleen naar voren. Pion g2-g4. Als je die pion niet vast lijmde kan je er vergif op innemen. Hij kan er met zijn fikken niet van afblijven. Kamikaze Uiltje. Hij heeft inmiddels rijles (ai…).



Vleermuis 52

Het virus is nog wel even onder ons en ik raak door mijn vleermuizen heen. Dus ik vraag aan Bram Janssen: heb jij nog wat Weenink Posten van vroeger? Vroeger toen de liedjes nog mooi waren en de meisjes schoon. Dan draai ik een paar van die wijsjes op mijn oude koffergrammofoon.


Dat had ik dus niet moeten doen. Want nu staat er een onbarmhartige stapel Weenink Posten mij aan te staren. Ze willen gelezen worden. Niet allemaal natuurlijk, sommige zijn stomvervelend of gesteld op hun privacy, maar dan blijven er nog genoeg over om daar de rest van de zomer, de herfst en de winter mee door te komen. Ik ga eens kijken hoe ik dat ga aanpakken. Kijken daar ben ik goed in. Aanpakken niet zo. We zullen zien.

Pioenrozen

Alles had hij op moeten geven. De bekerwedstrijden met Ton, matten met Ds. Hoopman, de bitterballen van José, de Weenink Post, alles. Nooit meer post van MacDonald’s met een winstpartij van De Roode. Nooit meer bij Ronald thuis tot diep in de nacht de correcties van Vermeulen weer ongedaan maken. Er waren ogenblikken, ‘s nachts, dat hij haar dacht te vermurwen: Als we nu eens samen op Sans Atout gingen, ‘s zaterdags een balletje slaan op Marquette, dan mag jij alleen op wintersport en doe ik mee aan het Hoogovenstoernooi. Maar ze was meedogenloos en hij weerloos. Ooit had hij pionrozen voor haar meegebracht. Zij had toegeeflijk geglimlacht en hem zacht verbeterd. Maar na die betoverende opening, was hij in het middenspel zoals gewoonlijk de draad kwijtgeraakt en nu had hij sterk het gevoel in een verloren eindspel terecht te zijn gekomen, waaruit geen ontsnappen mogelijk was.

Toch had hij het geprobeerd: correspondentieschaak, met zijn kantoor- als postadres. De zetten werden ontstolen aan de zeldzame momenten, dat haar achterdocht verslapte, als ze hoofdpijn had en vroeg naar bed ging en hij achter de computer kroop om “nog wat werk door te nemen”. Natuurlijk had ze het ontdekt, toen hij een keer in slaap was gesukkeld met Fritz in de analysestand en zij kwam kijken waar hij bleef. Wat was ze te keer gegaan. Hij had moeten beloven nooit meer te schaken. Het spelletje vond zij stompzinnig, schakers onbeduidend en hun rituelen primitief. Hij had gezwegen, zei maar niet wat hij van haar vond. Rozen verwelken, schepen vergaan.. de rest was hem ontschoten.

Nog één dun draadje verbond hem met zijn oude passie: de door Jan Sinnige clandestien bezorgde Weenink Post, ingenaaid in de Playboy. ‘s Avonds op de bank voor de televisie, als zij zich door het tuinprogramma op de BBC het hoofd op hol liet brengen, las hij, zijn kreten van genot nauwelijks onderdrukkend, over Uylings, Nuijen en Poncin, over dameoffers, doorkijkaanval en aftrekschaak. Totdat, op een keer, het vreselijke was gebeurd. Ze had langs haar neus weg gevraagd wie het model van de maand was en hij had gedachteloos geantwoord: Vandattus.

Het was alsof de bliksem tussen hen insloeg. Doodstil hoopte hij dat ze niets gemerkt had. Maar ze was niet achterlijk. Laatst had ze, toen in een woordspelletje alleen de n was ingevuld, onmiddellijk “pantalon innemen” geraden. Nee, haar speldde je niets op de mouw. Ze had zich langzaam naar hem toegekeerd en, terwijl de Playboy Extra onafwendbaar uit zijn handen gleed, zwijgend de afstandsbediening gericht. Opeens wist hij het weer: …maar onze liefde…stamelde hij…

Hij zag nog net hoe ze de rode knop indrukte. Door zijn hoofd galmde het honderdvoudig uitvergrote metalen geluid van een vallend vlaggetje. Zo mooi had hij het nog nooit gehoord. Op de televisie kruiste de immer verkouden Geoff Hamilton een Sarah Bernhardt met een Scarlett O’Hara.

ES

(eerder gepubliceerd in de Weenink Post van juni 1995)