Vleermuis 19


De velden zijn leeg en nu Excelsior, nog iets eerder dan gedacht, is opgehouden te bestaan, resten slechts de herinneringen. Herinneringen aan hoogtepunten en dieptepunten, aan pieken en aan dalen, en daarvan waren de dalen in mijn ogen verreweg het mooist. Zoals tien jaar geleden in Volendam.


Staff Only

In een opwelling vervoegde ik mij als last minute supporter om een uur of zeven bij de Werf. Daar stond de lijndansles op het punt te beginnen. Of ik mee wou doen. Ik legde uit dat ik met het schaakteam van Excelsior mee naar Volendam ging, als er plaats was in de bus. De lijndansers haalden hun schouders op. Zou ik dat nou wel doen en ik moest het zelf weten. Maar ik was eigenwijs en er was plaats. Ik werd ingedeeld bij Martin Herruer chauffeur en Ruud Eisenberger teamcaptain.

De heenreis was opgewekt er zorgeloos. Het gesprek ging over koetjes en kalfjes in het algemeen en schaken in het bijzonder. Ruud hield een absurd betoog, waarschijnlijk om iets duidelijk te maken, wat ik nu vergeten ben. In de opening moest je niet je dame in het centrum zetten. Daar was ze kwetsbaar. Wat moest je dan wel in het centrum zetten? Iets wat niet zoveel waard was als een dame. Wat was minder waard? Een stuk. Nog minder. Wat was het minste waard? Een pion. Tot zover wisten we de antwoorden. Maar was er iets dat nog minder waard was dan een pion? Nee dat wisten we niet. Ruud wel. Niks was minder waard dan een pion. Dus moest je helemaal niks in het centrum zetten. Een redenering van likmevestje. Een club naar mijn hart.

De reisleidster van Martin Herruer sprak onberispelijk Engels. Ze loodste ons feilloos naar Volendam, maar maakte zich er toen wel erg gemakkelijk vanaf. Aan het begin van de dijk vond ze dat we er waren. Toen moesten we nog 500 meter lopen. Daar lag Hotel Spaander. Het leek mooier dan het was. We bleken tot onder in de gewelven te moeten afdalen, tot in een soort berghok met “Staff Only” op de deur. Nietsvermoedend stommelden we naar binnen.

Je zag er geen hand voor ogen. Op de tast werden handen geschud en vervolgens stukken verschoven. Het ging de Volendammers beter af dan die van ons. Dat was eerst nog niet zo duidelijk. Zoals gezegd, we zagen niet veel en als toeschouwer moest je al helemaal op je gehoor afgaan. Na een zet of tien liep Charly Zwemstra even van zijn bord weg, op zoek naar het toilet. Niet meer teruggezien, weg kwijt geraakt in de catacomben. Uiteindelijk toch nog gevonden, maar het was de oude Charly niet meer: bril op, bril af, niets hielp.

Even verderop speelde Frans Koopman best vlot voor zijn doen. Maar hij drukte steeds de klok van zijn buurman Martin Winters in, waardoor hij toch nog in tijdnood kwam. Boven ons werd met tafels en stoelen geschoven. Gegooid leek het meer. Dirk Kruiper had daar geen last van. Die speelde een partij, zo saai, dat hij evengoed in slaap viel. Waar zijn tegenstander vals van profiteerde.

Paul Lieverst had zijn laptop bij zich en Fritz. Maar toen die werd ingeschakeld was het te laat. De waarderingen varieerden op zeker moment van min zeven bij Marcel Duin tot min veertien bij Thijs Waanders. En Martin Herruer was zonder navigatiesysteem ook een stuk minder dan met. Alleen Ruud Eisenberger redde zich. Uit het donker tegenover hem had hij een stem gehoord. Die remise aanbood. Beweerde hij.

Frans was de laatste die nog speelde. Hoe is de stand vroeg hij op goed geluk. We staan achter sprak iemand, die duidelijk nog even geen zin had in een slecht nieuws gesprek. Frans zette dus alles op alles, maar miste opeens zijn zwarte loper. Al een tijdje niet meer gezien trouwens, maar dat zei niets, had hij gedacht.

Bij het licht van een stallantaarn werd het uitslagenformulier ingevuld. We bleken met zeven en een half tegen een half verloren te hebben. In de hoek van het surrealistische zaaltje kleedde een pikzwarte neger, zijn dienst zat erop, zich bijna onzichtbaar om. Ik kon mijn ogen niet geloven. We waren aan elkaar gewaagd, sprak een Volendammer. Nu kon ik ook mijn oren niet meer geloven. Op welke schaal werd hier gewogen? Waren het troostende woorden? Maar dan wel van een soort die je deed verlangen naar een gezonde dosis zout in de wond.

Ergens boven in het restaurant was Thijs Waanders een witbier en nog iets onbeduidends gaan halen. Hij kwam helemaal ontdaan terug. Raad eens hoeveel ik moest betalen. Zeven euro! En dan is Thijs ook nog van het slag dat in zo’n geval de euro’s onmiddellijk omrekent naar guldens, waardoor je nog bozer wordt. We wisten niet hoe gauw we weg moesten komen uit dat kolenhok.

Voor ons lag de nacht, achter ons gaapte een zwart gat. Het zette Ruud aan tot bespiegelingen over de kosmos. Over Bohr en Einstein en over het begin van alle materie of energie. En dat we op deze manier niets te zoeken hadden in de eerste klasse en dat als het heelal steeds uitdijde, dat dat niet vanzelfsprekend betekende dat daar omheen dan nog meer ruimte was, want hoe groot moest die dan wel zijn? En dat als twee auto’s met een snelheid van honderd kilometer per uur op elkaar botsten dat hetzelfde was als een botsing met tweehonderd kilometer per uur op een muur, maar dat het moeilijk voorstelbaar was, zeg maar twijfelachtig, dat als twee lichamen met de snelheid van het licht op elkaar vlogen, dat dan… En tussen die miljarden sterren moesten er volgens zijn kansberekening een paar zijn met leven zoals hier. En dat we daar maar eens naar op zoek moesten gaan, want hier was het gezien de gebeurtenissen eerder op de avond niet pluis meer.

Martin bracht ons keurig thuis. Mij ook. Maar aan het begin van de straat had onze reisleidster er definitief genoeg van. Bestemming bereikt, riep ze opgelucht. Ze had het weer. Geeft niet, zei Martin, het laatste stukje doen we op de tast. Doe je volgend jaar met ons mee?


Heemskerk maart 2010