Vleermuis 112

Een spelletje schaak (Utrecht 1925)

Dit zijn mijn grootouders. Gisteren waren ze nog met hun twee kleinste kinderen in Egmond aan Zee, vandaag zijn ze alweer terug in Utrecht voor een spelletje schaak. En wat zijn ze al oud.

Het is niet te zien of mijn grootmoeder ook toen al een loopje nam met de spelregels, maar dertig jaar later, toen ze mij dammen leerde, deed zij dat wel. Tsjonge wat speelde dat mens vals! Ik weet niet hóe ze het deed, maar opeens was alles helemaal potdicht geschoven, kon er ook niks meer geslagen worden en was ik aan zet. En dan had zij gewonnen, zei zij. Zo ging het altijd. Als we halma speelden vlogen voortdurend al mijn pionnetjes van het bord en als ik zoiets probeerde waren er opeens allemaal spelregels die ik nog niet kende. Ik mocht niet klagen van mijn moeder want mijn grootmoeder had snel hoofdpijn.

Mijn moeder klaagde wel. Zij had als kind altijd het nieuwste speelgoed uit de winkel van mijn grootvader moeten uitproberen, waarmee zij dan voor aap liep, op stelten of met diabolo. Speelgoed was er dus in overvloed, ook later nog, toen ik op het toneel verscheen, maar meestal stuk of incompleet, want als de klanten van Perry iets kwijt raakten of kapot maakten, mochten ze het ruilen en dan bleven wij met de brokstukken zitten. Poppen die niet wilden plassen en ook als je erin kneep geen kik gaven, puzzels waar het laatste stukje aan ontbrak, opwindauto’s die niet reden, spelletjes die niet uitkwamen. Ik kreeg een zusje. Toen ik in de wieg mocht kijken, zag ik het meteen: ook het zusje was niet af, wat me niets verbaasde. Mijn moeder zei dat het zo hoorde. Ik wist beter.

Waar zo’n fotootje niet toe leidt in coronatijd.

Meerstate

Het is druk in het restaurant van Meerstate. We zien Ronald zitten. Ben en Martin zijn er ook. We schuiven twee stoelen aan en vragen wat ze willen drinken. Ronald wil wel koffie, Ben bestelt kamillethee met drie scheppen suiker, goed voor de maag zegt hij, en Martin wil nog even niks.

Ben is soms moeilijk te verstaan, maar nu Nanny thee voor hem heeft gehaald doet hij erg zijn best en horen we dat hij uit Veendam komt en in Delfzijl rails voor de trein heeft gelegd. Op de milligram nauwkeurig. Daar moet Ronald om lachen. Millimeter verbetert Ben onverstoorbaar. Een secuur werkje en daar houdt hij wel van. Een mooie tijd. En in Apeldoorn heeft hij nieuwe wielen onder treinen gezet. Dat is zwaar. Elke morgen als hij opstaat wil hij zo weer gaan werken. Daar kan Ronald zich nou niets bij voorstellen.

Ronald heeft andere zorgen. Twee keer heeft hij al naar zijn AOW geïnformeerd. Hij vraagt zich af waarom hij daar niets van ziet. Dat gaat nu al weken zo. Ben vindt dat wel grappig. Hij vraagt aan ons hoe oud Ronald is. Wij vragen het Ronald. Die wil het niet meer uitrekenen: te moeilijk. Wij mogen het dus zeggen: zesenzestig. Ben zegt nu tergend langzaam, maar wel zo dat Ronald het goed kan horen: “Maar dan moet die man toch al AOW hebben?” Wij schieten in de lach. Ronald niet. Die moeten we het nu voor de derde keer uitleggen. Het is een onuitputtelijk onderwerp.

Ben en Martin gaan even naar buiten voor een sjekkie. Als ze terug zijn rolt Martin zijn stoel naar de bar. Hij wisselt een blik met Ben. Die knikt. Martin komt met twee bier en een borrel terug. Wij mogen het nu zelf uitzoeken. Maar ze demonstreren ons nog wel even de truc met de aansteker. Daarmee ontkurken ze hun flesjes bier. Even ploppen zegt Ben. Nanny moet kijken. Ach, plopje van niks mompelt hij. Ben geeft afwezig de kroonkurk aan Martin door. Maar die wil in plaats daarvan zijn aansteker terug. Ook goed.

Ronald is overgeschakeld op Weenink. Hij vraagt of ze nog steeds eerste klasse spelen. Wijkertoren zeg ik. Tweede klasse. Omdat ik niet meer meedoe zegt Ronald. Ik zeg je moet een potje doen met Martin. Bord en schaakstukken staan in je kast. Het is onbegonnen werk. Ronald zegt dat hij de stukken niet kan zien en Martin doet net alsof hij niet weet dat hij ooit geschaakt heeft.

Het is vijf uur. Ronald heeft een sprekend horloge. De mevrouw in dat horloge zegt ook dat het vijf uur is. Naast ons wordt Koos, die zit te slapen, opgehaald om te komen eten. Maar als Koos wakker is moet hij eerst alle stoelen recht zetten en alle leesbladen weer in het rek zetten waar ze horen. Dat is ook een secuur werkje. Wij helpen hem soms door alles expres een beetje slordig achter te laten als we weggaan. Daar heeft hij wat aan.

Spakenburg

Botterwerf (Spakenburg 2018)

We zijn in Spakenburg. Niet te geloven roept Nanny als ze de twee stadions van VV IJsselmeervogels en SV Spakenburg naast elkaar ziet liggen. Rood en blauw, ze hebben het hier goed voor elkaar. Het stadion van IJsselmeervogels stroomt vol. We gaan een kijkje nemen en vinden nog net een plaatsje op de afgeladen staantribune Midden Noord. De vrouwen van Ajax en PSV spelen om de KNVB-beker. We weten niet wat we meemaken. Nummertje 5 van Ajax gaat als een kanonskogel door de linies en vliegt voortdurend ondersteboven door de lucht, met of zonder tegenstandster. Het is bijna het enige wat we zien achter de brede ruggen van al die Spakenburgse vissers. Ajax wint. Het PSV-vak stroomt leeg, het Ajax-vak gaat uit zijn dak. Wij zoeken de jachthaven op, waar we ons tentje hebben opgezet.

Als het donker wordt kruipen we in onze slaapzakken, maar van slapen is geen sprake. We staan naast een caravan met twee onduidelijke figuren. Een ontsnapte tbs-er en zijn coach, soort van, zeg ik tegen Nanny. De mannen hebben zich bevoorraad met drie kratten bier. Het is zaterdagavond. Zij gaan het aan de waterkant luidruchtig op een zuipen zetten. Wij liggen in ons tentje en proberen niet op te vallen.

“Wat is dat voor een kut tentje, waarom doen ze dat?” “Dat vinden die mensen leuk.” Nanny fluistert: gaat dit over ons? Ik zeg: welnee, en wordt onmiddellijk uit de droom geholpen. “Stelletje homo’s” Dit laten ze even op ons en zichzelf inwerken. Dan is er plotseling paniek. “Godverdomme zag je dat?” “Waar?” “Daar! Een rat. Dat trek ik niet, ik ga naar binnen.” Ik fluister: het zijn watjes. Nanny sist: stil. Even later is er opnieuw paniek. “Muggen! Kan die deur niet dicht?” “Godsklere wat is het hier warm. Ik ga naar buiten.”

De mannen drinken stug door. Wij houden ons koest.

“Weet je waar ik zin in heb?” De tbs-er belt vriendinnen, slaat opeens heel fatsoenlijke taal uit. De vrouwen beloven wel maar komen niet. Dat verandert de zaak. “Kan jij niet een paar lekkere wijven voor ons gaan schieten in het dorp?” “Ga zelf een paar lekkere wijven schieten in het dorp.” “Ja maar jij hebt een auto.” “Ik ga nou niet rijden.” “Dan ga je toch lopen.” “Hoe kan ik nou lopen met dat been, dat heb ik je toch laten zien?”

Er vallen gaten in de conversatie steeds afgewisseld met “Dat gaat echt niet op komen.” Coach probeert zijn makker in het gareel te houden. Die sputtert nog wat tegen, probeert in zijn eentje toch nog het derde krat onschadelijk te maken, maar moet tenslotte ook afhaken. Het wordt langzamerhand stil. Opeens klinken er twee harde knallen. Ze hebben een pistool waarschuw ik Nanny. Uit de caravan klinkt angstig: “Wat was dat wat was dat, ik moet pissen.” Het valt mee, de mannen zijn ook geschrokken, stel ik Nanny gerust. Niet te geloven mompelt zij.

Om twee uur slapen wij.

Muggenbeet 1963

 

De 30m² Zuiderzee van de familie de Boer uit Steenwijk (Muggenbeet 1965)

 

Fokke de Boer

We kampeerden in Muggenbeet op het erf van boer Harm van Sluis. Mijn neef Kasper en ik sliepen in een tentje. Naast ons stonden de jongens van de familie De Boer, Thijsse en Fokke. Het waren aardige jongens. Niet van het soort dat elkaar op vrijdagavond op het bruggetje vlakbij het cafeetje van Geertien en Griet met bromfietskettingen te lijf ging. De een was beter met het hoofd, de ander beter met zijn handen. Hun vader had in Steenwijk een drukkerij en in Muggenbeet lag de woonboot van de familie. En de dertig kwadraat. Dat was nog eens een boot. Daarvan waren er maar een stuk of dertig. Zij hadden nummer 3. Op het water stonden de schippers elkaar naar het leven. Maar in de Sneekweek ging de bemanning van elke boot halfweg de wedstrijd in Terhorne even aan wal voor een neut. Dat was traditie.

Wij leerden zeilen in een opgetuigde sloep. Later trokken wij met een zestien kwadraat naar Friesland. Of naar de Ronduite want daar had de familie De Haan een huisje met vijf dochters. Wij waren er niet weg te slaan. Toen het een keer spookte op de Beulaker voer ik er met de kano naar toe. Midden op het meer sloeg ik om. Ik had geleerd hoe je weer in de kano kon komen. Dat lukte nu niet. Ik dreef met kano en al richting de Blauwe Hand. Maar een motorjacht viste me op en bracht me alsnog naar waar ik zijn moest. Ik kreeg droge kleren waaronder een veel te grote onderbroek van pa De Haan en de jongste dochter vond dat ik nu wel kon blijven slapen. Ik dacht dat ik het gemaakt had. Maar toen zagen we door de verrekijker van vader De Haan een zeiltje uit de Walengracht het meer op komen. Het was mijn neef die de overtocht op de fok deed. Dat werd moeder De Haan toch te gortig. Twee jongens, een kano en een zeilboot, zoveel ligplaatsen had zij niet. Er werd een auto uit Muggenbeet besteld, met Fokke de Boer om de zeilboot terug te brengen. Wij mochten ook mee. Fokke hees naast de fok nu ook het grootzeil en zeilde ons met één hand dwars door de wind terug naar Muggenbeet.

Voor het slapen gaan hielden we ter afsluiting een stoeipartij in de boomgaard naast de boerderij. Kasper en ik tegen de jongens van De Boer. Ik scheurde per ongeluk de pyjama van Fokke. Dat had ik niet moeten doen. Het laatste wat ik zag was dat de aarde opeens omhoog tuimelde en tegen mij aan daverde. Een hallucinerende gewaarwording. Hij had mij met één machtige haal van zijn vuist buiten westen geslagen. Toen we in onze tentjes lagen bij te komen, wilde Kasper de haringen van de tent van de jongens van De Boer uit de grond gaan trekken. Ik wist dat uit zijn hoofd te praten. Met Fokke de Boer viel niet te spotten.

 

Muggenbeet 1963

Klik op de foto’s voor een vergroting

 

zie ook: Soms moet je lachen en soms is het beter van niet

Soms moet je lachen en soms is het beter van niet

Muggenbeet 1963

De foto’s doen me denken aan de vakanties lang geleden in Muggenbeet. Dat is in Noordwest-Overijssel, tussen Steenwijk en Blokzijl. We kampeerden op het erf van een boerderij en ’s avonds kwam de oude boer steevast een praatje maken aan de waterkant. Ik verstond er helemaal niets van. Op school kreeg ik Frans, Duits, Engels, Grieks en Latijn, maar daar leek dit dialect totaal niet op. En van zijn gezicht was niets af te lezen. Mijn neef Kasper, die nota bene al lang van school af was gestuurd, ouwehoerde moeiteloos mee. Van hem wist ik dat de boer grapjes maakte. Dus toen hij op een avond weer wat voor zich heen stond te orakelen, een keer naar de lucht wees en een keer naar het water en me toen onderzoekend aankeek, lachte ik hartelijk om zijn verhaal. Op die manier had ik me tot dan toe steeds gered, dus waarom nu niet. Maar deze keer werd de boer overduidelijk zeer ernstig boos. Als ik van dat slag was kon ik beter meteen mijn boeltje pakken, begreep ik. Mijn neef legde mij naderhand uit dat de boer had verteld van zijn broer die tijdens het koeien verweiden overvallen was door een onweersbui en van de platbodem gevallen was en verdronken. Alles ging daar over water en geen hond die kon zwemmen. Dat was dus niet zo leuk. De dagen daarna probeerde ik dus net zo ondoorgrondelijk te kijken als de boer na zijn dagelijkse praatje en wachtte ik op een teken van mijn neef. Nooit lachte ik meer voor mijn beurt.

(Over Muggenbeet een volgende keer misschien meer)

Een trommeltje met brood

Het leek op een gewone droom. Maar zó gedetailleerd. Dat had mij moeten waarschuwen.

We waren met de auto onderweg naar ons vakantieadres. Op de slingerende dijkjes van het Kampereiland leefde onze oudere vriend zich uit. Dat was nog eens stuurmanskunst. Makkelijk zat, hij was vertegenwoordiger. Mijn neef zat naast hem. Ik zat achterin. Wij waren vijftien en zestien.

In de Noordoostpolder waren de wegen overzichtelijk. Het was nog vroeg. De Austin had het naar zijn zin. Op de Kraggenburgerweg zagen we vanaf de Paardenweg een bromfiets aankomen. Van rechts, maar dat gaf toen nog niet. Op de bromfiets zat een jongen. Hij kon de weg wel dromen. Zijn moeder had hem een trommeltje met brood meegegeven. Dat deed ze elke dag.

De auto begon te remmen. Week uit. Schoof van rechts naar links over de weg. Mijn fototoestel viel van de bank. Ik dacht: gaat dit goed. Toen werd de voorruit helemaal wit en zaten er stukjes glas in mijn mond. De jongen op de bromfiets had een bijna volmaakte buitenbocht gereden. En alles stond stil.

Ik liep om de auto heen. De bromfiets was kapot. De jongen lag in de berm. Hij was dood. Dat kon je zien. Alleen de broodtrommel was nog heel. Ik liep over de remsporen terug over de weg. Maar er veranderde niets meer. Toen liep ik het veld in naast de weg en ging zitten. Er was ook een kraai. Die keek naar mij. Ik dacht: er is iets mis gegaan.

In het politiebusje werden we een voor een ondervraagd. Ik was als laatste aan de beurt. Hoe hard reden jullie? Ik zei: heb je het remspoor gezien. De politieman schreef iets op. Dat ik in shock was. Hij had mij uit het veld gehaald.

We werden door een andere automobilist naar huis gereden. De verhalen kwamen los. Steeds stoerder. Over een kind dat de snelweg op was gerend. Daar kon je ook niets aan doen. En dat je meteen weer achter het stuur moest kruipen. Anders deed je het misschien nooit meer. En dát was pas erg.

Thuis was het al gauw weer ouderwets gezellig. Met borreltijd zat ik in de tuin. De deuren stonden open. Binnen ging de telefoon. Het was de moeder van de jongen. Zij vertelde van het broodtrommeltje en dat het de wil van God was geweest. Ik hoorde het. Er werd even niet gelachen.

Het was helemaal geen droom. Zo was het echt gegaan. De echte droom moest nog komen. Ik dacht dat ik wakker werd. Naast mij op het bed zat een jongen. Hij had een korte broek aan. Wie was hij? Ik zei hem gedag, maar hij zei niets terug. Ik vroeg hem: het is meer dan vijftig jaar geleden, is mijn schuld nu afgelost? En hij zei weer niets.

Het broodtrommeltje, dat doodlopende remspoor, het is allemaal zó uitgekiend. Ik ben nog steeds boos. En verdrietig.

ES/08/11/2017

Welkom in de wereld van …

Welkom in de wereld van de prostaatkanker sprak zij opgewekt. Ik voelde me gelijk een stuk beter. Ik dacht nog wel: heb ik dat, maar ik zei: ik geef geen krimp. Dat had andersom gemoeten. Ik nam me voor vanaf nu beter op te letten. Een vriend van mij heeft het ook, die deed het wel meteen goed. Dat wordt vechten met de engel, zei ik, toen ik het van hem hoorde, daar kom je niet ongeschonden van af. Mijn vriend drukt het iets anders uit, volgens hem ben je gewoon aan de heidenen overgeleverd, niet meer en niet minder.

Een serie impressies opgeschreven tussen september 2014 en maart 2015 en nu hier bijeengebracht.