Vleermuis 62

Mijn laatste partij

25 juli 1986
Toulon
Zuid Frankrijk


Zoals elke dag loop ik, roodbruin verbrand, van strand naar speelzaal om daar mijn partij te spelen. Vandaag de zevende ronde van het vierde open toernooi van de Mediterranée. Gisteren ben ik geveegd door iemand waarvan ik nog steeds denk dat hij niet kan schaken. Eén voordeel heeft dat in ieder geval in zo’n Zwitsers toernooi: vandaag kom ik weer tegen een zwakkere. De voorbereiding verloopt snel en doeltreffend langs de supermarkt om mineraalwater en koele drinkyoghurt te halen.

Eens kijken wie mijn tegenstander is. Ah, het is Marlène Estève, één van de weinige vrouwelijke deelneemsters aan dit toernooi. Zestien of zeventien zal ze zijn en hoewel haar gezicht iets popperigs heeft is ze het aankijken wel waard. Het zal moeilijk worden me geheel op het schaakbord te concentreren.
Voor de partij spreek ik nog even moeder Estève, die in het organisatiecomité zit. Zo’n nietszeggend gesprek van “leuk dat jullie tegen elkaar moeten”, en meer van die onzin.

De partij begint
.

Bram Janssen – Marlène Estève

1. a3

Daar! Als je, zoals ik, weinig schaakt en dan nog uitsluitend met zwart dan is het moeilijk “gebruik te maken van de voorzet”. Met deze zet zorg je ervoor met zwart te spelen. Daarbij komt dat a6 in veel van de systemen die ik met zwart speel niet onnuttig is. Verder ben je nog uit de bekende theorie ook.

Echt verrast is mijn tegenstandster niet. Al snel volgt


1. … Pf6 2. Pf3 g6 3. g3 Lg7 4. Lg2 d6 5. d3 0-0 6. 0-0 Pc6 7. e4 Pg4 8. h3 Pf6 9. Pc3 Le6 10. d4 Dd7 11. Kh2 Tfe8 12. d5

en wit wint een stuk. En dat al na een kwartier spelen.

Opgegeven werd er echter niet!

12. … Dd8 13. dxe6 fxe6

Zwart bood remise aan! Met een glimlach maar toch volkomen serieus zei ze: “Vous desirez la nulle?” Verbijstering maakte zich van mij meester. In wat voor een wereld leven wij dat iemand met een stuk minder na 20 minuten spelen remise durft aan te bieden.

Wat zou hier de gepaste reactie zijn voor een professionele speler als ik. Doen alsof je niets gehoord hebt? A tempo een zet doen? Je linker wenkbrauw optillen en vervolgens de partij uitschuiven? De wedstrijdleider roepen vanwege onhoffelijk gedrag? Terwijl ik hierover nadacht vloog er opeens een lach door mijn hersens. Eigenlijk was het ook wel grappig wat hier gebeurde. Ik zou het ook gewoon kunnen aannemen, dan was ik van deze partij af. Ik ging naar de bar en bestelde een kop zwarte koffie. Het bord bleef leeg en verlaten achter. Marlène liep glimlachend door de speelzaal. Ik ging toch maar weer terug naar het bord om na te denken. Niet over de stelling, die was niet zo interessant, maar over dat gekke remise aanbod.

Zo verstreken ruim anderhalf uur. Ik had nog 10 minuten over om iets te beslissen. Andere spelers bekeken de stelling met steeds meer verbazing. Het bord was regelmatig verlaten. Marlène liep door de speelzaal, ik liep regelmatig heen en weer om nog wat andere partijen te bekijken. Uiteindelijk nam ik een besluit: ik deed een zet. Marlène kwam terug aan het bord en gaf de partij op.

Binnen 1 seconde had ik de nieuwe situatie getaxeerd. Ik zei: “Non, ce n’est pas nécessaire, parceque je propose la nulle.” Dat nam ze aan, de professional.

Na deze partij heb ik nooit meer geschaakt.


Zuid Frankrijk
Toulon

25 juli 1986
Mijn laatste partij


Bram Janssen

Weenink Post extra jaargang 2 nummer 4 (mei 1990)

Vleermuis 61

Delen uit het verslag van het eerste Grasmat-toernooi door Laurens Duin

Weenink Post jaargang 42 nummer 1 september 1990

Op vrijdag 1 juni en zaterdag 2 juni 1990 werd het eerste openlucht-tournooi georganiseerd door de schaakvereniging “Het Grasmat” gehouden. De vereniging Grasmat bestaat nog maar drie jaar en is opgericht vanuit een voetbalvereniging in de Fizeaustraat te Amsterdam. Deze jongens hebben tijdig ontdekt dat voetbaltactiek en schaaktechniek heel goed samen kunnen gaan, en ondersteund door de kreet ‘aanvalluhhh’ hebben ze het gepresteerd om ieder jaar nog te promoveren vanuit de 5e klasse SGA naar nu de 3e klasse SGA. Hun schaaklocatie is gewoon in de voetbalkantine, waar de bar bediend wordt door een mokums echtpaar van boven de tachtig, ome Harrie en tante Greet, die beide net aan hun tweede jeugd zijn begonnen.

Het tournooi bestond uit twee gelijkwaardige poules van ongeveer 30 personen die 7 ronden zwitsers zouden spelen met speeltijden die variëerden van 20 minuten per persoon per partij tot 45 minuten per persoon per partij. Deze variabele speeltijden waren er om te voorkomen dat ook maar iemand een systeem in het tournooi zou kunnen ontdekken. De bedoeling was dat de twee winnaars een finale wedstrijd zouden spelen en wel buiten op de middenstip van het voetbalveld zonder publiek.

Mijn eerste tegenstander was Horatius Vlam. Na remise aangeboden te hebben die hij weigerde en na een poging een zetherhaling op het bord te toveren, welke hij met man en macht vermeed, probeerde hij winst te forceren. Deze mislukte poging van hem was voldoende de grote wijzer van zijn klok in confrontatie te brengen met het kleine rode vlaggetje, wat natuurlijk een ongelijke strijd is. Na de eerste ovaties in ontvangst te hebben genomen en van hem te hebben vernomen dat het puur om een gezelligheidstournooi ging en dat de punten een secundaire rol speelden, vervoegde ik mij bij ome Harrie om onder het genot van enkele pilsjes bij te komen. Mijn tweede tegenstander was M. Knook en het kostte me niet erg veel moeite deze partij te winnen. Het was tevens de laatste partij van de eerste dag.

Alhoewel mij door de zeer gastvrije Grasmatters een slaapplaats werd aangeboden, ben ik toch maar naar huis gegaan. Niet om mee te kunnen doen aan het Luilaktournooi dat ‘s nachts werd georganiseerd door Weenink, maar omdat ik een medepassagier had, de ‘klerelijer’ ome George, een Amsterdamse gepensioneerde kleermaker, die nu in Wijk aan Zee woont en het tweede jeugdlid van het Paard van Ree is – hij is net als ome Harrie en tante Greet net begonnen aan zijn tweede jeugd – en die de volgende ochtend om 7.00 uur ontbijtjes klaar moest maken in Hotel Sonnevanck.

Na de volgende morgen om kwart voor twaalf weer in Amsterdam aangekomen te zijn, zag ik de andere schakers met dichtgeknepen oogjes binnendruppelen. Ze waren net als ik niet gewend om zo vroeg op te staan. De sfeer was prima en na de inhoud van de koffievaten in recordtijd te hebben zien slinken kon ik aan mijn derde ronde beginnen. Toen ik na twaalf zetten in een Budapestgambiet een toren en twee pionnen voorstond gaf mijn tegenstander op. Ondanks dat we dit keer 30 minuten bedenktijd hadden begrijpt u wel dat we klaar waren voordat de andere schakers al enigszins bruin waren geworden van het zonnetje dat hun oogjes nog verder deed dichtknijpen.

Ik had nu even tijd om de prijzen te bewonderen die door een van de organisatoren waren ingekocht op het Waterlooplein. Deze prachtige prullaria stonden uitgestald op de prijzentafel. Ik zag een meter hoge zilverkleurige opiumwaterpijp, een oude bandrecorder met een geluidsband vol muziek waarmee een mens zich in de vorige eeuw zou wanen, een strijkbout van voor de oorlog (eerste of tweede?) waarvan ik bijna zeker ben dat de huisvrouw die dit ding had gebruikt geëlectrocuteerd is geworden, een prachtige metalen drankmixer die na een poetsbeurt niet zou misstaan in een huiskamer, een messing oosters beeldje met ingelegde nepdiamanten, een letterbak etc. Daarna was er nog tijd om in het zonnetje wat muziek te maken. Iemand had een gitaar meegenomen en ik heb altijd mijn Ierse ‘tinwhistles’ bij me. Dat leidde tot een algehele samenzang met zowat alle schakers waarbij je bijna vergeten zou dat er ook nog geschaakt moest worden.

In de vierde ronde had ik wit tegen Jeroen Wismeijer. Dit keer met slechts twintig minuten bedenktijd. Omdat hij de stad was ingegaan om te lunchen en zich in de tijd vergist had, kwam hij elf minuten te laat en had hij nog maar negen minuten over voor de partij. Op zich was dat voor hem geen probleem omdat hij tijdens zijn andere partijen regelmatig even ging voetballen en dan na elke drie doelpunten terugkwam om een paar zetten te doen en evengoed zijn partijen wist te winnen, maar nu had hij geen tijd meer om te voetballen en ik won de partij nipt. De overige partijen waren niet interessant en ik wist mijn groep met een honderdprocentscore te winnen.

Voor de laatste ronde zouden we met z’n allen nog een partijtje gaan voetballen, maar ik werd gered door een zware regenbui die ik voor dit tijdstip had besteld. Na dit moment passend herdacht te hebben met de nodige spirituelen begonnen we aan het gezamenlijke diner, dat bij het inschrijfgeld inbegrepen was. Een kok uit een Amsterdams restaurant bereidde in het kleine keukentje van de kantine met een oventje en een vierpits gasstelletje op nog geen drie vierkante meter een copieuze maaltijd voor zeventig personen! Ieder pakte een leeg bord (geen schaakbord) en liet dat in de keuken vullen. De maestro schatte of je een grote eter was of niet. Volgens deze maatstaf werd er een grote of een kleine gepofte aardappel op je bord gedeponeerd, een stuk vlees uit de ‘pot pourri’ gevist samen met wat groente en aangevuld met een heerlijk stuk turks brood uit de oven. Bij de bar werd de maaltijd aangevuld met een plastic bekertje rode wijn uit een jerrycan. Je zag schakers die geen kans meer hadden op een prijs zich veelvuldig bij de jerrycan vervoegen. Daarna haalde ieder zijn dessert op. De eerste liepen de keuken uit met een vol bord yoghurt met vruchten. Na de eerste twintig borden zag je dat de kok zich rijkelijk vergist had en werden de porties steeds kleiner.
Nadat ome Harrie de lege borden had opgehaald en afgewassen had, kon het tournooi afgemaakt worden op de middenstip. Het regende nog steeds.

Ralph Scheuer-Laurens Duin

1. Pf3 Bordejongen door walkie-talkie: “één paard f3” 1. … Pf6 2. b3 g6 3. Lb2 Lg7 4. e3 0-0 5. Le2 d6 6. d4 c6 7. 0-0 b5 Bordejongen: “Ehhh…, kunnen jullie dat nog een keer overdoen, want ik ben pas bij 1.Pf3.” Ik: “Zullen we de zetten als we ze uitvoeren hardop zeggen?” Ralph herhaalde de zetten en de bordejongen gaf ze door. Kantine: “Kunnen jullie het nog een keer herhalen, want we missen een paar zetten.” Bordejongen: “Eehhh…” Ralph herhaalt de zetten. Kantine: “Wat was de derde zet van zwart?” Ik: “Loper g7” Bordejongen: “Loper g7” Kantine: “Wat zeg je?” Bordejongen: “LOPER G7!!”

8. c4 Bordejongen door walkie talkie: “8. c4 … Misschien kunnen jullie de ontvangen zetten voortaan even herhalen.” Kantine: “Oké” 8. … Db6 Bordejongen: “8. … Db6” Kantine: “8… Db6. Willen de schakers wat drinken op kosten van de club?” Ik: “Ja, koffie graag. Zwart met suiker.” Ralph: “Nee, dank je.” Bordejongen door walkie talkie: “Een koffie zwart met suiker en een cola met cognac.” Kantine: “Oké” Bordejongen door walkie -talkie: O ja, doe er ook een cigaret bij.” Kantine: “Voor wie is de cola met cognac?” Bordejongen door walkie-talkie: “Dat zeggen we niet.”

9. cxb5 cxb5 10. Pc3 Bordejongen geeft de zetten door. Kantine: “Hoeveel tijd hebben ze verbruikt?” Bordejongen: “Allebei vier minuten ongeveer.” Ralph: “De klok doet het niet! Hebben ze allemaal nieuwe klokken, krijgen wij zo’n oud kreng.” Er wordt een nieuwe klok gebracht.

Kantine: “Hebben jullie het koud?” Deze vraag wordt bevestigend beantwoord, ondanks het feit dat ik van de voorzitter een warme jas had mogen lenen.

Het verdere verloop: 10. … a6 11.d5 Lb7 12. b4 Pbd7 13. Dd3 Tac8 14. h3 Pxd5 15. Pxd5 Lxd5 16. Lxg7 Lc4 17. De4 Kxg7 18. Lcx4 Txc4 19. Dxe7 Pf6 20. Pd4? Txd4 0-1 Bordejongen door walkie-talkie: “Wit geeft op.” Kantine: “Hè?!” Kantine: “Wie speelde er ook weer met wit?” Bordejongen: “Ralph Scheuer”

Vanaf het voetbalveld kon ik het applaus vanuit de kantine duidelijk horen. Bij binnenkomst moest ik eerst tekst en uitleg geven en daarna werden de prijzen uitgereikt. Ik kreeg een enorme wisselbokaal. Ze schenen deze uit de prijzenkast van de voetbalafdeling ontvreemd te hebben. De naam van de bokaal was “Bullbokaal” en ontleend aan een vroeger lid, een boom van een kerel met een klein hartje, maar waarmee je geen ruzie moest krijgen en waarmee je met een gerust hart door Amsterdam kon stappen. Bull was anderhalf jaar geleden omgekomen bij een auto-ongeluk.
Nadat de bokaal was gevuld met champagne en rond was gegaan door de hele kantine, kreeg ik ook nog de waterpijp uitgereikt.

Uren later en nog voor het feest afgelopen was, ging ik richting Wijk aan Zee met in het achterhoofd de herinnering aan een van de leukste en gezelligste schaaktournooien die ik ooit heb mogen meemaken.

Laurens Duin
8 juni 1990

Vleermuis 54

Ha acht Dame verknipt en ingekort (1983-1984)

De stukjes “Ha acht Dame” van Hendrik Koopman werden door de meesten van ons verslonden en door sommigen gevreesd. De leden van het eerste tiental van Weenink kwamen bij hem allemaal ongevraagd op de sofa terecht, maar niet ieder slachtoffer vond dat even leuk, hoewel slechts een enkeling dat toegaf. Het is wel de reden waarom ik hieronder in een versnipperd overzicht bijna alle namen afgeplakt of weggeknipt heb, want er werd naast behoorlijk gek geschoren soms ook meedogenloos raak geschoten. En ook wel eens niet. Dus wordt het (na zoveel jaar) voornamelijk gissen. Tenminste, dat hoop ik, want anders vrees ik repercussies, of van de schrijver of van een wellicht geraakte.


Weenink Post jaargang 35 nummer 6

… Op verzoek van een groot aantal fans, waarvoor mijn dank, hervat ik mijn werkzaamheden als columnist. Het is natuurlijk bekend dat het clubblad van VHS lange tijd zeer gewild was vanwege mijn bijdragen. Ik heb vanzelfsprekend wel een vaste plaats geëist in dít clubblad. Bovenaan bladzijde 2 lijkt mij het meest geschikt. Vóór Vandattus. Beter voor beiden…


Weenink Post jaargang 35 nummer 16

… De schaakstijl van een bedaarde veertiger. Rustig, positioneel van goed niveau, zeer grote kennis van openingszaken, maar ook wat angstig, te voorzichtig en terughoudend. Op zijn leeftijd hoor je niet steeds in eindspelen te geraken. Een Uylings (ai…) had op die leeftijd nog nooit een eindspel op het bord gehad! Maar hij heeft één troost. Het verstrijken der jaren werkt in zijn voordeel. Zijn spel zal steeds meer in overeenstemming komen met zijn leeftijd …


Weenink Post jaargang 35 nummer 11

… Denkt u dat ze denken? Ik denk van niet. Volgens mij denken ze niet. Volgens mij zitten ze gewoon lekker te suffen. Een zware werkdag zit erop. Het was vermoeiend. Het weekend was zwaar met al die visite en activiteiten. Reikhalzend kijken ze uit naar hun enige echte vrije avond in de week. De dinsdagavond. De schaakavond is als de ochtendkrant, maar dan langer. Lekker dicht bij de verwarming. De ogen op oneindig. Net doen of je denkt. Genotvol slurpend aan de koffie. Dan weer lekker duffen. Geen gezeur aan je kop. Mensen zwijgen omdat ze denken dat je denkt. Het tikken van de schaakklok. Het huiselijke tikken van de breipennen van Hetty. Je speelt Franse verdediging of Caro-Kann. Dan hoef je niet te denken. De eerste uurtjes zijn voor jou. Lekker kalm. Sjablone na sjablone. De ene na de andere. Laat hem maar komen …


Weenink Post jaargang 35 nummer 23

… Hij was er al bang voor. Dat het ter sprake zou worden gebracht. Dat het onder de aandacht zou komen. Helaas kan ik niet anders. Ik moest. Ik heb zitten denken, me suf zitten piekeren. Hoe anders? Hoe het te omzeilen? Steeds keerden de gedachten als door een magneet getrokken naar dat ene alles bepalende kenmerk: het brilletje.
Zeg nou zelf. Karakteristieker kan het niet. De brilstand! Slechts door dat ene aspect geboeid. Met zo’n voorzetsel kan het ook nauwelijks anders. Hij kijkt door een remise de wereld in. Frits van Turenhout (ai…). Jarenlang presenteerde hij op zondagmiddag op radio en later via tv voetbaluitslagen. Steeds zat ik er en genoot. Nec-nac-nul-nul. Heerlijk. De verfijnde uitspraak. De subtiele magere l. Nul-Nul, O-O.
Maar zó kom je er niet jongen. Wil je advies? Een schaker behoort zich op zijn minst vierkante glazen aan te meten! En voor jou, heel apart, het montuur in de vorm van een paardensprong. Wèg evenwicht. Een nieuwe wereld gaat voor je open …


Weenink Post jaargang 35 nummer 8

… en opeens werd mijn oog getroffen door een aantal kunstwerken. Steenhard, zwart, glanzend en zwanger van symboliek. Ronduit verrassend was de daaropvolgende aanblik van de schepper van deze kunstwerken. Geflankeerd door twee geweldig mooie vrouwen. Ze vraten hem bijna op. Ongegeneerd namen zij bezit van de kunstenaar en zijn creaties. Ik wendde mij af. Het deed pijn. Hij was niet meer te redden. Hij kwam handen te kort. Later achter het schaakbord eveneens …


Weenink Post jaargang 35 nummer 7

… Kunt u het nog volgen? Nou ik al niet meer! Hij denkt zoals hij schaakt. Schematisch en bij de eerste aanblik schijnbaar logisch. Staan we echter wat langer stil bij zijn ideeën en spel dat ervaren we onmiddellijk de geringe diepgang. Zo vergeet hij voor het gemak dat een “psychologische zet” beantwoordt dient te worden met psychologische tegenzet. Wanneer bijvoorbeeld remise wordt aangeboden in een vroeg stadium van de partij past slechts één houding. U blijft uw koele blik onveranderlijk aan de 64 velden gekluisterd houden en hult u in stilzwijgen. U zit daar onbeweeglijk als een sfinx. Ongenaakbaar. In deze pose volhardt u verscheidene minuten. Vergeet onderwijl niet te genieten van de gedaanteverwisseling van uw tegenstander. Het glimlachje waarmee het remiseaanbod vergezeld ging is al lang van zijn lippen verdwenen. Er is algehele onrust voor in de plaats gekomen. Onrustig schuiven op de stoel. Zijn ogen schieten herhaaldelijk richting u en ze zullen boekdelen spreken. Heeft hij me soms niet gehoord? Moet ik mijn aanbod herhalen, maar dan wat luider? Ik zei het toch duidelijk genoeg geloof ik? Waar zit hij nou naar te kijken? En net als uw tegenstander de ondraaglijk geworden spanning tracht te verminderen door op te staan en wat te gaan lopen voert u uw zet uit. Soepel en zelfverzekerd. U staat vervolgens zelf op van het bord en blijft even staan. Hoog toornt u uit boven uw tegenstander. U kijkt op hem neer en snuift even minachtend. Vervolgens begeeft u zich de speelzaal in op zoek naar Uylings (ai…), die op dat moment ongetwijfeld rond zal lopen, voor een ontspannen inhoudsloze babbel. De overwinning is nog slechts een kwestie van tijd. Meer diepgang dus. Duidelijk? …


Weenink Post jaargang 35 nummer 9


… Ik zie de foto nog helder voor me. Kampioenschap van Heemskerk 1981. Een foto van de kampioen uit 1980. Zwart wit. Een tikkeltje zweem door de uitvergroting. De spelers van Excelsior konden hun ogen er niet van af houden. Telkenmale kwamen ze weer even kijken. Eigen kweek. Schouderklopje. Bemoedigend toespreken. Tuindersjongen. Een van hen. Eenvoudig gebleven. Zelf was hij eveneens herhaaldelijk bij de tafel met de foto te vinden. Zich spiegelend gelijk Narcissus. Toch moet ik bekennen dit een goede eigenschap te vinden. Een schaker die niet met zichzelf is ingenomen zal het nooit ver schoppen. Er dient onwrikbaar geloof te zijn in eigen kunnen …


Weenink Post jaargang 35 nummer 14

… Drie jaar terug. Het eerste schot voor de boeg. Stug verdedigen. Hij pakt een pionnetje. Gaat er op zitten. Nooit meer terug gezien. Geluk dacht ik toen. Ik had gewaarschuwd moeten zijn. Een bloedhond laat nooit meer los. Steeds weer die hatelijk terugkerende nul. Voor mij wel te verstaan. Hij staat bovenaan mijn dodenlijstje. Bovenaan staat hij. Dikke rode lijnen rond zijn naam. Zijn naam. Zijn beeltenis. De bleke gelaatstrekken. Zijn magere gestalte. De handen steeds verborgen in de broekzakken. Wegkijkend. Hij combineert als een krant en speelt als een egel. Maar ik moet bekennen: een egel met erg veel gevoel voor het spelletje. Vooral als er gevaar dreigt. Opgerold, met zijn stekeltjes uit, wacht hij op de aanval. Drie keer stootte ik als jonge hond mijn neus en droop jankend af. Nu heb ik de remedie. Geduld. Wachten is het devies. Een schoteltje melk ter verleiding. Tot hij dorst krijgt en zijn verdediging verlaat. Dan is hij kwetsbaar en zal ik toeslaan …



Weenink Post jaargang 35 nummer 24

… Talloze varianten worden in hoog tempo getoond. Getoond, want denk niet dat je de kans krijgt met je handen de stukken te beroeren. Op vaardige wijze verdwijnen de stukken van het bord. Zeer logisch ook … op het eerste gezicht. Ik denk dat het vooral komt door de vele slagwisselingen. Hij pakt eerst die, dan moet die worden geslagen, die moet zo worden teruggewonnen want als je zo terugneemt wordt die gepakt en staat gelijk die ook in…. De mond van de verbouwereerd toekijkende tegenstander zakt steeds verder open. Allemaal gedwongen. Daar had hij totaal geen vermoeden van gehad. En toch… Iets binnenin mij fluisterde: nee, dit kan het niet zijn. Te primitief. Waar blijft het tussenschaak, de subtiele tussenzet, de tempodwangsituatie of de “stille”? Toen daagde het mij. Het was geen schaken. Het was dammen. Slaan verplicht. Meerslag gaat voor. Hij speelt recht voor zijn raap dammen. De stenen kunnen alleen naar voren. Pion g2-g4. Als je die pion niet vast lijmde kan je er vergif op innemen. Hij kan er met zijn fikken niet van afblijven. Kamikaze Uiltje. Hij heeft inmiddels rijles (ai…).



Vleermuis 53

Op 9 december 1981 bestaat Weenink 50 jaar. Naar aanleiding daarvan verschijnt er een jubileumboekje, samengesteld en vormgegeven door Frans Koopman, in een oplaag van 250 exemplaren.

Het bevat “zo om en nabij” de geschiedenis van 50 jaar Weenink, van 1931 tot 1981. Elk rechtgeaard Weenink-lid bezit een exemplaar. Die hoef ik dus niets te vertellen. Toch heb ik er één verhaaltje uit gepikt. Het is een wedstrijdverslag. Eentje naar mijn hart. Het vijfde van Weenink speelt met TIEN man tegen VHS. Toen nog wel. Je hebt er geen bord bij nodig. Dat is niet erg. De zetten kunnen me gestolen worden. Let op de namen. Keymans, Vogel, Schoof en Pruis. Die wil je toch niet tegenkomen? Daar is geen woord Frans bij. En een neuriënde Koopman. Bij hem dan weer wel. Maar wie is narretje?

Quintet? Narretje is een grappenmaker. En VHS schrot. Toen al.

Vleermuis 49

Max Euwe Centrum (Amsterdam 2020)

Vorige week was ik in het Max Euwe Centrum in Amsterdam. Dat werd tijd. Ik was er nog nooit geweest. En dat terwijl ik zeer gecharmeerd ben van de Nieuwsbrief die het Centrum uitgeeft. Ik was de enige bezoeker en ik werd overladen met uitleg over het centrum en bedolven onder de anekdotes. Het kostte me door deze hartelijke ontvangst de grootste moeite om de bibliotheek te bereiken.

Gelukkig had ik bij binnenkomst al wel de foto’s van Lennart Ootes gezien. Maar toen ik vervolgens langs een tentoonstelling van schaakcomputers (voor het merendeel lelijke apparaten), schaakklokken (al een stuk interessanter) en het leven van Max Euwe (geef mij maar een boek) was geleid, liep ik stuk op een vitrine met een schaakbord met de eindstelling van de match Euwe-Aljechin in 1935.

Dat is dus nep. Toevallig heb ik er in 1935 met mijn neus bovenop gestaan en dat bord en die stukken zagen er toen toch echt heel anders uit. Alleen de stelling klopt wel zo’n beetje. En wie heeft die rare letters en cijfers op de rand geplakt? Dat kan echt niet. Dammers lachen zich rot. Die kunnen zonder. Aljechin en Euwe konden dat ook.

Vleermuis 29


Koningsclub–Castricum

Een paar weken geleden kwam Piet van Wonderen van de Schaakvereniging Castricum bij mij langs gefietst met het clubblad “De Schaakbode” van december 1982. Dat was naar aanleiding van mijn verhaal over de wedstrijd van Weenink tegen de Koningsclub in 1985. Ook Castricum had (een beetje) dwarsgelegen op het pad dat de Koningsclub voor zichzelf hakte op weg naar boven, getuige het verslag van Jo Clarijs.

Verslag

In de Kennemer Sporthal te Haarlem moesten wij tijdens de grote schaakhappening op 16 oktober 1982, ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan van de NHSB, aantreden tegen de “profclub” van Pagel.

Vorig jaar speelde ons tweede achttal tegen hen en het werd in eigen huis 0-8! Bij deze gelegenheid schreef Rob Hartoch in het Parool van 27 februari 1982 onder meer “De Koningsclub van de heer Pagel uit Bergen, uitkomend in de eerste klasse van de Noordhollandse Schaakbond, zet zijn opmars naar de hoofdklasse van de KNSB gestadig voort. Verrassend is dit geenszins, want ons eerste achttal bestaat uit louter internationale (groot)meesters en subtoppers!”

Nu verloor de Koningsclub in de promotieklasse tegen Castricum meteen al 2½ punt in één wedstrijd en dat zullen ze niet leuk gevonden hebben! Het werd 7½-2½ met twee verliespartijen en één remise, die Rob Hartoch aan het eerste bord zelf aanbood!

Trouwens, hun organisatie was in het begin al slecht. Een kwartier na de gongslag stonden er drie borden, waar ze als “thuisclub” zelf voor moesten zorgen! Na een half uur wachten waren er nog maar acht borden en waarom werden hun klokken niet aangezet? Nu, die waren er niet! Een speech van de heer Pagel of van de wedstrijdleider Marcus kon er niet af, evenmin als een gratis consumptie! Dat zijn de heren profschakers bij ons in De Kern wel anders gewend. Maar Pagel schijnt naar werd gezegd de hele happening in Haarlem te hebben bekostigd! Dus alles maar vergeven, maar niet vergeten, want we willen deze heroïsche strijd van onze eigen amateurs graag vastleggen, compleet met partijen.

R. Hartoch – Hans Molenbroek ½-½; J. de Lange – Ger Holsteijn 1-0;
P. van der Weide – Cas Amende 0-1; J. Marcus – Robert van der Wal 1-0;
D. van Geet – Fred Kok 1-0; H. Wieringa – Kees Lute 1-0;
A. de Savornin Lohman – Willem Pool sr. 1-0; B. Gutman – Willem Meijer 1-0;
P. Coen – Gerard Baars 1-0; J. van der Zwan– Jo Clarijs 0-1;

Ook al wonnen de profschakers zeven partijen, gemakkelijk ging het niet! Alleen Baars ging na een misser in de opening snel ten onder. Maar Holsteijn, Van der Wal, Pool en Meijer hielden lang stand, evenals Lute. Fred Kok had snel een eindspel met lichte stukken tegen Van Geet en één pion minder, die hij niet terugzag en na lange strijd verloor ook hij. Amende en Clarijs hadden aan het eind van de avond plotseling gewonnen, terwijl Molenbroek dus allang klaar was met remise.

Partijen

Jo Clarijs verslaat een tegenstander die kennelijk geen remise mag maken van zijn baas en vervolgens ernstig de weg kwijt raakt. Het commentaar bij de zetten is (op één voorbeeld na) weggelaten, het vertekent de zaak te veel in het voordeel van zwart. En aan het eind, zo tussen de veertigste en vijftigste zet, zullen beide spelers in tijdnood zijn geweest: de wederzijdse fouten stapelen zich dan op. Maar het uiteindelijke resultaat mag er zijn.

(Over Clarijs, hij is er jammer genoeg al een tijdje niet meer, heb ik ergens eens het volgende stukje gelezen en bewaard. Het gaat over een optreden tijdens het Corustoernooi van 2006 en het misstaat hem niet: “J.C. Clarijs, een 84-jaar oude, gezonde en stijlvolle heer met een enorme liefde voor het spel. Hij schijnt veel openingskennis te hebben, maar is kennelijk ook tactisch sterk én niet bang: in een eerdere ronde heeft hij een groepslid van het bord geofferd vanuit de opening. Binnen het uur werden er twee stukken op de koningsstelling geworpen en kaboem!”)

*

Maar dit keer steelt Cas Amende toch echt de show. Hij stijgt boven zichzelf uit. Zijn op papier veel sterkere tegenstander (het verschil is meer dan 450 ratingpunten) komt er eigenlijk niet aan te pas. Het commentaar van de witspeler (en in sommige gevallen van Clarijs) heb ik laten staan, omdat het hier hout snijdt.

In de Amoriaan

Wil Ersson

In de Moriaan, tijdens het Hoogovenstoernooi van 1983, laten vier Excelsiorianen zich ernstig ringeloren. Ersson weet niet wat hij hoort (“Mevrouwtje wat kan u goed schaken”) en ziet (“Berends baard die ‘s morgens nog strijdlustig had gestaan hing nu verslagen omlaag”). Vol verbazing doet hij verslag.

Op de eerste dag van het Hoogoventoernooi ben ik samen met Bron en Ruiter naar Wijk aan Zee gereden. Onderweg sprak Bron ons moed in en wees op het feit, dat een overwinning op de eerste dag een stimulans voor het verdere toernooi zou zijn. Ik ben daar zelf wel in geslaagd, maar beide anderen niet. Zij hadden vrouwelijke tegenstanders getroffen. Nu is dat op zichzelf niet zo erg, maar de voorzitter, die zich anders bij een nederlaag de hevigste zelfverwijten maakt, verklaarde met een dromerige blik dat een nederlaag op de eerste dag niet erg was. En terwijl hij met zwevende stappen wegliep meende ik hem zachtjes “Een beetje verliefd” te horen neuriën.

Maar hoe zat het met Ruiter? Was hij ook voor vrouwelijke charmes gevallen? Zij had de aanvallige leeftijd van 85 jaar en speelde al mee toen Ruiter nog in de schoolbanken zat. Maar ja, je weet maar nooit. Er zijn mannen die voor oudere vrouwen vallen, dus waarom onze Kees niet. Ik kwam net op het moment dat hij haar wilde feliciteren met de overwinning. Met honingzoete stem zei hij: “Mevrouwtje, wat kan u goed schaken”. Waarop de Old Lady vinnig antwoordde: “Ja, wat had je dan gedacht”. Het was duidelijk, als er sprake was van romantiek, dan niet van haar kant.

‘s Avonds in de auto naar huis dacht ik het zijn gewoon een paar sukkels die niet kunnen schaken. Maar toen wist ik nog niet wat het lot nog voor Excelsior in petto had, namelijk dat onze twee clubkampioenen ook zouden sneuvelen tegen twee mooie dames.

Het volgende slachtoffer was Schmit. Nu hadden wij ons in de loop van de week al zorgen gemaakt, dit was niet onze oude Evert die daar met afwezige blik in de ogen achter het bord zat, hij leek wel betoverd. Op de dag dat hij tegen haar spelen moest, leerde één blik op het bord, tijdens de opening al, dat het mis moest gaan. Dit was niet zijn befaamde vierpionnenspel, maar één of ander romantisch gambiet. Toen ik later op de middag nog eens ging kijken was zijn stelling een ruïne. Terwijl zijn koning in doodsnood verkeerde en hijzelf in blessuretijd speelde, deed hij op a- en b-lijn de meest vreemdsoortige pionzetten. Na zijn nederlaag was het duidelijk: hij moest hier weg. De voorzitter stapte daarom vastberaden op hem toe en zei met krachtige stem: “Kom Evert, we gaan naar huis, er is nog plaats in de auto”. Maar Evert antwoordde, terwijl hij naar zijn overwinnares op blikte: “Nee, wij blijven nog wat analyseren”. De betovering was nog niet verbroken.

De volgende dag ben ik even gaan kijken of er nog meer Excelsior-leden tegen dames moesten spelen. Het was er gelukkig nog maar één: Berend. Over hem maakten wij ons niet ongerust. Deze koele harde vechtjas, gestaald in vele correspondentiepartijen, zou nog niet stuk gaan al ging Vanessa zelf achter het bord zitten. Zondagmorgen toch nog even voor de zekerheid gevraagd wat hij er zelf van dacht. “Winnen: zei hij, en hij stak zijn baard strijdlustig naar voren. Gerustgesteld begon ik aan mijn eigen partij.

Toen ik na een uurtje naar Berend keek, viel het mij op dat hij met stralende ogen en charmant lachend achter het bord zat. Van de grimmige vechter die hij anders is viel niets meer te bekennen. Ongerust stond ik op, zou hij nou toch ook … Maar hoe zijn gemoedstoestand ook was, zijn stelling was prima. Verliezen was uitgesloten. Dat dacht ik tenminste, maar toen ik even later weer eens keek, stonden er al enkele clubleden vol ongeloof en verbijstering rond zijn bord.

Ik ging kijken wat er aan de hand was en hoorde haar met een stem, die een ijsberg had doen smelten, “schaak” zeggen, waarna ze met een lieve glimlach heel zijn koningsstelling opruimde. Berends baard die ‘s morgens nog strijdlustig had gestaan hing nu verslagen omlaag. Maar dat was maar voor even. Toen schudde hij haar elegant de hand en maakte haar in bloemrijke taal complimenten over haar spel. Waarop zij met een verrukt stemmetje antwoordde: “O, je krijgt een pilsje van me”, waarop ze samen verdwenen uit het strijdgewoel.

Eén ding is mij wel duidelijk: sommige leden staan wel hun mannetje, maar niet hun vrouwtje!


De andere afleveringen in deze serie:

Excelsior ingebonden
Jus d’orange
Sightseeing de Zaanstreek
De man met de broodjes
Hij dacht geloof ik met computer te doen te hebben
Open Heemskerks schaakkampioenschap 1982
Koningsclub het snoepje van het jaar

Voor Excelsior, schakers sinds 1955, maar nu niet meer

Koningsclub het snoepje van het jaar

Koningsclub 2 komt op bezoek bij Excelsior. Daar hebben we naar uitgezien. Twee jaar geleden zijn we Koningsclub 1 net misgelopen, omdat we degradeerden uit de eerste klasse, maar nu kunnen we ons hart gaan ophalen aan Koningsclub 2. Berend van Maassen hoopt op Rob Hartoch, ik op Hébert Perez Garcia, want die heb ik een maand eerder in Amstelveen een poepje laten ruiken. Maar het loopt anders.

Koningsclub het snoepje van het jaar

Koningsclub heeft gerommeld met de opstelling. Wat een stelletje struikrovers. Rob Faase bezet het achtste bord en ene D. Gurevich acteert op het zevende. Dmitry Gurevich? Zijn ze bang voor ons? Nee, toch niet, want op het vijfde bord zit iemand die geen flauw benul heeft waarom ze hem hebben meegenomen. Onze Kees Ruiter kan zijn geluk niet op.

Het verslag

Op 8 november 1982 trad Excelsior 1 aan tegen de Koningsclub 2.

Het werd me het avondje wel. In het begin deden we het nog heel aardig. Vos leek stand te houden tegen Rob Faase op het achtste bord, Meijer had op bord drie Wim Boom een pionnetje ontfutseld, voor Perez Garcia was er bij Van Maassen geen doorkomen aan en Schmit bracht langzamerhand Wieringa tot wanhoop en in tijdnood. Maar toen begon het Excelsior-bolwerkje te kraken. Bron had heel onvoorzichtig een remiseaanbod geplaatst en daarmee zijn tegenstander overduidelijk geïrriteerd. Hij kon dus als eerste inpakken. Daarna volgden Van Grootheest, Wolterbeek en uiteindelijk ook Vos. Dat was 0-4 en een catastrofe hing in de lucht. Maar de rest hield stand!

Meijer was de eerste die scoorde. Hij had dus een pion gewonnen, maar kwam door zijn achterstand in ontwikkeling toch in moeilijkheden. Hij verdedigde zich echter kranig, net zolang tot zijn tegenstander er geen gat meer in zag en, iets te vroeg, in remise berustte.

Van Maassen brak aan het eerste bord af in betere stelling. Perez Garcia, die de hele partij geen enkele serieuze winstpoging had gedaan, bood remise aan, maar dat werd niet geaccepteerd.

Een bord verder dacht Schmit aan opgeven, maar werd daarvan, naar later bleek terecht, door verstandiger lieden weerhouden. Het kostte hem wel nachtenlang analyseren en alles voor niets, want er zou gearbitreerd worden, maar dat vertrouwde hij maar half.

En dan Ruiter, maar dat is een verhaal apart (zie verderop). Op het vijfde bord vloerde hij de zwaargewicht Twiss met een perfecte heupzwaai. Weliswaar werd de partij afgebroken, maar dat was slechts een flauwe grap.

Een paar weken later rolde de uitslag van de arbitragecommissie bij Berend in de bus: Cees Ruiter gewonnen, Berend en Evert remise.

Gedetailleerde uitslag Excelsior 1 – Koningsclub 2:
Berend van Maassen-Hébert Perez Garcia ½-½; Evert Schmit-Helmer Wieringa ½-½;
Piet Meijer-Wim Boom ½-½; Ben Bron-J. Wittebrood 0-1; Kees Ruiter-J. Twiss 1-0;
Aart van Grootheest-G. Kleber 0-1; Martin Wolterbeek-D. Gurevich 0-1;
Piet Vos-Rob Faase 0-1;
totaal 2½-5½

Partijen

Berend van Maassen speelt met zwart een prima partij. Zijn twaalfde zet b7-b5! is berensterk. Perez Garcia speelt op kousenvoeten. Ze komen beiden in tijdnood. Dan mist Berend een kans om zijn tegenstander met b5-b4! pijn te doen. In plaats daarvan wikkelt hij af naar remise.

Evert Schmit vertilt zich op het tweede bord aan de veel te moeilijke opening en staat na vijftien zetten al verloren. Dan ziet zijn tegenstander Wieringa een opgelegd kwaliteitsoffer over het hoofd. Of hij ziet er vanaf. Want ook daarna neemt hij er zijn gemak van. Heel langzamerhand vecht de witspeler zich dan terug in de wedstrijd. Totdat het rond de dertigste zet weer gelijk staat. Tijdnood doet hem alsnog bijna de das om, maar de arbitragecommissie redt ons met een verbazend diep inzicht.

Op het derde bord houdt Piet Meijer met zwart Wim Boom in toom. In de opening krijgt hij een pion maar daar staat wat ongemak tegenover. De strijd gaat lange tijd gelijk op, maar tegen het eind moet zwart toch nog even alle zeilen bijzetten om de veilige haven te bereiken.

Ruiter

Tegen Koningsclub 2 viel Ruiter op het vijfde bord in voor Brantjes. Tegenover hem nam de kolossale figuur van Twiss plaats. Ruiter, niet in het minst geïmponeerd, wenste hem succes en begon toen opgewekt aan zijn partij en Twiss z’n sigaretten.
Onmiddellijk na de opening al moet Twiss in slaap zijn gevallen en het valt in Ruiter te prijzen dat hij geen overdreven pogingen deed om hem wakker te maken. Hij schoof wat met zijn loper heen en weer (van c8 naar g4, terug naar c8, toen maar eens naar b7, terug naar c8, en o ja, d7 hadden we nog niet gehad). Intussen had Twiss al zijn pionnen op de koningsvleugel dromerig naar voren geschoven en een paardoffer op g5 geplaatst.
Ruiter deed of zijn neus bloedde, bietste nog maar eens een sigaret en liet het paard de hele verdere partij staan waar het stond. Twiss begon toen heel naar te dromen. Ruiter zette een aanval in op de damevleugel en toen zijn tegenstander tenslotte wakker schrok, was het te laat. Ruiter galoppeerde door de witte linies dat het een lust had en maakte een volle toren buit, waarna de partij pro forma afgebroken werd.

Het eind van de partij is gereconstrueerd. Ruiter komt na afloop na enig nadenken nog tot 35 zetten en merkt dan laconiek op: “de zesendertigste zet is spoorloos”.


Eén Koningsclubspeler was van ver gekomen met een taxi en had in Heemskerk de Schuilhoek niet meteen kunnen vinden. En niemand had hem geholpen. Nee, zeiden wij, wat dacht je. De Schuilhoek, die houden wij liever geheim.



Voor Excelsior, schakers sinds 1955, ze konden er wat van

Jus d’orange

In het clubblad van november 1982 komt Kees Ruiter terug op een partij die hij in mei van dat jaar met Excelsior heeft gespeeld in Bloemendaal (“Ruiter scoorde een half punt. Op weg naar huis zat hij bij Berend in de auto stilletjes na te genieten. Het regende en de ruitenwissers deden het niet. Niemand zag wat. Het deerde hem niet. Hij had een leuke partij gespeeld”). Een paar maanden later heeft hij alsnog spijt van die remise. Volgens hem had er meer ingezeten. Maar meteen daarop pakt hij dan uit met een schitterend verhaal met daarin de onverbeterlijke zinsnede “ik hou hem wel overeind”.



Jus d’orange

Nu ik toch aan het schrijven ben, moet de volgende anekdote aan de vergetelheid ontrukt worden.

Ersson en ondergetekende togen naar een toernooi in Heerhugowaard. Mijn brood in een plastieke zak en een pak jus d’orange. Later kwam Erssons brood, heerlijke krentenbollen, er ook bij. Van de jus d’orange had ik het driehoekje er al afgeknipt met de gedachte: ik hou hem wel overeind.

Om negen uur vertrokken we uit Beverwijk en na een kwartier gereden te hebben, doemden de silhouetten van deze stad weer voor onze verbaasde ogen op. Lakoniek merkte Ersson op: “Ben toch te vroeg linksaf gegaan, maar jij zit ook nog te maffen”.

In Heerhugowaard aangekomen en wij ons naar het tafeltje begeven om op te geven, werd de plastieke zak, nergens meer aan denkende, door mij plat neer gelegd en er natuurlijk gelijk een grote golf jus d’orange uitvloog. Verschrikt naar de heren kijkende, maar die vertrokken geen spier. Zeker ook nog te vroeg voor hun.

Na zo’n vier ronden was het pauze en werden de broodjes uit de zak gehaald. Maar och arme, de krentenbollen dropen van het heerlijke vocht en werd mij een vernietigende blik toegeworpen, want de resultaten waren ook niet denderend.

C. Ruiter


Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

Open Heemskerks schaakkampioenschap

De vierde editie van het open Heemskerkse schaakkampioenschap in 1981 werd gewonnen door Hendrik Koopman. In 1982 zou hij dit kunststukje nog eens herhalen. Hij werd daarmee de opvolger van Jan Smit (winnaar in 1978) en Erik Schoehuijs (winnaar in 1979 en 1980).

Open Heemskerks schaakkampioenschap 1981

Op de overzichtsfoto zien we achtereenvolgens Bram Janssen, Frans en Hendrik Koopman, een sensatie die even in de lucht hing, Ronald Maat, Nico Kok, Hendrik Koopman, Hugo Faber, Ron de Brie, Hans Nuijen, Hendrik Koopman en Ben Bron die de Beker overhandigt

De basis voor zijn kampioenschap legde Hendrik Koopman in de eerste ronde, waarin hij Hans Nuijen versloeg. Zijn tegenstanders in de tweede en derde ronde, Piet Meijer en Ronald Maat, bleken kansloos. Pas in de vierde ronde werd hij weer op de proef gesteld. In een boeiende partij, waarin hij door een torenoffer een onstuitbare pionnenvleugel kreeg, versloeg hij Nico Kok. De laatste ronde leek met een vol punt voorsprong op zijn naaste belagers een formaliteit te worden. Maar Hugo Faber hield zijn ogen wijd open en strafte het al te zorgeloze spel van zijn tegenstander hardhandig af.
Daarmee leek het toernooi een sensationele ontknoping te krijgen, want behalve Hugo Faber, kwam ook Hans Nuijen, door een overwinning in de laatste ronde op Nico Kok, nog op gelijke hoogte. Weerstandspunten moesten de beslissing brengen, maar deze spraken een duidelijke taal, waardoor de sterkste toch nog kampioen werd.


Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

Sightseeing de Zaanstreek

In 1980 schrijft een geplaagde Reinhout over het tweede van Excelsior, dat een uitwedstrijd moest spelen tegen Het Witte Paard, maar hoe ze ook zochten, ze konden het beestje, op die bitterkoude dinsdagavond in december, in Koog aan de Zaan niet vinden.

Keurig op tijd hadden we van onze wedstrijdleider de uitnodiging ontvangen om op dinsdag 9 december 1980 de strijd aan te binden met Het Witte Paard te Koog aan de Zaan, Lagedijk 25.

Rechtstreeks uit een receptie reden we dus naar de Schuilhoek om de broeders in de strijd op te halen. Pauëlsen zou over Uitgeest rijden en daar Van der Klis oppikken en ik zou Ruiter en Jongejans uit Meerestein ophalen. Via Assendelft ging het op Koog aan de Zaan af. Klokslag acht uur betraden we de Honig-kantine op het aangegeven adres.

Tot onze verbazing stonden er geen schaakborden klaar. Wel liepen er een paar soepklanten, die blijkbaar middagdienst hadden, rond een biljart. Op onze vraag of er die avond schaken was kwam een ontkennend antwoord, maar als we zin hadden mochten we meedoen met biljarten. Een van hen adviseerde ons bij de portier te informeren. Dus wij als ganzen in de snijdend koude wind weer naar buiten. Daar was geen portier te bekennen. Doch Jongejans wist raad. Boven baadde het gebouw ook in het licht en daar zou het wel zijn. Vol goede moed de trap naar boven beklommen. Daar was het heerlijk warm. Het was namelijk een was- en douchegelegenheid. Dus moesten we weer terug de kou in en de straat op. Het was al kwart over acht.

Ha, daar kwam iemand aan, snel even vragen. Verder in de straat was nog een kantine en daar kon het ook zijn. Alles en iedereen stapte weer in en wij op naar die andere kantine. Daar waren alle deuren gesloten. Het fabrieksterrein dan maar op. Diep in de jassen gestoken werden we al snel benaderd door een man met een vervaarlijke herdershond. Nou, hier was het dus ook niet. Er was alleen hondendressuur. We moesten toch in de eerste kantine zijn. Dus deuren open, alles er weer in en draaien. Inmiddels was het half negen en we hadden alleen nog maar kou geleden.

In de kantine werden we wederom hartelijk begroet en uitgenodigd tot biljarten. We zetten daarom maar weer de tanden op elkaar op zoek naar de portier. Ha, daar aan de overkant was een portiersloge. Helaas gesloten. Wel hing er een briefje “melden bij de portier zuidzijde”. Dat moesten we dan maar lopend doen. Dus door de verlaten koude eenzame straat zuidwaarts. En ja hoor, een portier in een loge die hermetisch gesloten was. Op ons kloppen werd aan een touw getrokken en konden we acht man sterk naar binnen. Hem onze problemen uitgelegd. Het was inmiddels kwart voor negen.

We mochten Meijer bellen. Nou alles klopte. We moesten toch in die kantine zijn. De portier wist het adres en het telefoonnummer van de secretaris. Ik kreeg een lieftallige vrouwenstem aan de lijn met de mededeling dat pa niet thuis was en dat ze het verder ook niet wist, maar wel dat het Witte Paard op vrijdag speelde. En ze vond na veel zoeken het telefoonnummer van de penningmeester in Wormer. Die was zowaar thuis en wist te vertellen dat er ook in Haarlem een vereniging was die Het Witte Paard heette en díe schaakte op dinsdag.

Omdat het inmiddels half tien was geworden en we nog geen kop koffie en zelfs geen kop soep gedronken hadden, zijn we maar gedesillusioneerd in de auto’s gestapt en naar huis gereden, niet wetend wat voor gevolgen dit gaat hebben.


Jaap Reinhout

Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

De man met de broodjes

Zaterdag 13 november 1982 had Pagel een snelschaaktoernooi georganiseerd in De Rustende Jager te Bergen. Bijna iedereen won een beker. Alleen Excelsior niet. Wat wel gek was, want er stonden er genoeg, een hele tafel vol. Noortje was vijf en keek haar ogen uit. En voor ik het wist zat ze met Hartoch aan de bar. Nanny dacht dat het geen kwaad kon. Zo te zien kan die Hartoch wel tegen een stootje, zei zij.

De afgebroken partij, waarvan gewag wordt gemaakt, betrof de wedstrijd Excelsior t
egen Koningsclub 2 vijf dagen eerder, maar daarover komen we nog te spreken.



Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

Hij dacht geloof ik met computer te doen te hebben

In 1982 bestaat de Noord-Hollandse Schaakbond vijftig jaar en het bestuur en mijnheer Pagel hebben samen iets leuks bedacht. Zo’n elfhonderd schakers uit heel Noord-Holland zijn op zaterdag 16 oktober verzameld in de Kennemer Sporthal in Haarlem voor een massale competitieronde. Wil Ersson wordt door wedstrijdleider Berend van Maassen gecharterd om Excelsior met have en goed ter plaatse te krijgen. Hij doet verslag.

Zaterdag 16 oktober was ik uitgenodigd om in ons tweede team een wedstrijd te spelen in de Haarlemse Sporthal. Ik had gedacht om ‘s middags rustig een partij te kunnen schaken, maar dat pakte anders uit.

Omstreeks een uur of elf ‘s morgens werd ik achter mijn koffie vandaan gehaald door Van Maassen. Ik mocht nog wel even douchen, maar daarna moest ik mee naar de Schuilhoek om mee te helpen bij het inladen van het schaakmateriaal.
Toen dit gebeurd was, moest ik mee naar zijn huis om diverse briefjes in ontvangst te nemen met namen en voertuigen, over personen die al gespeeld hadden, die opgehaald moesten worden, snel even gebeld moesten worden, die op eigen gelegenheid gingen. Op gegeven ogenblik kreeg ik zoveel gegevens dat de huiskamer in steeds sneller tempo voor mijn ogen begon te draaien. Hij dacht geloof ik met computer te doen te hebben.

Toen ik buiten weer in de frisse lucht stond, was het me niet duidelijk wat de wedstrijdleider feitelijk zelf ging doen, maar mijn taak was duidelijk: ik moest drie teams naar Haarlem zien te krijgen. Die opdracht lukte ook nog, al ging het gepaard met veel geschreeuw en nog meer kabaal, zodat de niet-schakers uit De Schuilhoek verschrikt kwamen kijken. Uiteindelijk kwam ik met Vos en Maas in een auto terecht om Ruiter op te gaan halen. Na Vos, onze ex-wethouder van verkeerszaken, met vaste hand door Heemskerk geloodst te hebben – alleen op de Jan Ligthartstraat was hij prima thuis, maar die had hij dan ook zelf geopend – kwamen wij op de ontmoetingsplaats, waar geen Ruiter te bekennen was. Nu was ik daar wel eens meer geweest en ook tevergeefs naar Ruiter gezocht, dus ik wist waar ik wezen moest in de Antillenstraat. Op mijn bellen kwam Ruiter in hemdsmouwen aan de deur en keek niet-begrijpend naar mij en de auto. Er was namelijk om kwart voor twee afgesproken en wij waren er om vijf over half twee. Na Ruiter overtuigd te hebben dat hij best tien minuten eerder kon vertrekken, gingen we richting Haarlem.

In de sporthal stonden wij enigszins verloren tussen duizend andere schakers, de wedstrijdleider schitterde nog steeds door afwezigheid. Na verloop van tijd bleek dat Henk Maas feitelijk een thuiswedstrijd speelde. Hij schudde tenminste iedereen de hand en werd zelf uitbundig op de schouders geslagen. Op de een of andere manier kwamen wij toch op de plaats waar wij moesten spelen. Van Asperen en Van IJsseldijk waren ook gearriveerd, zodat het tweede team compleet was. Wij waren met zes man, want twee van ons hadden reeds gespeeld. Jongejans had remise gespeeld en Otten verloren. Toen we moesten beginnen werd ik door Vos ook nog gebombardeerd tot wedstrijdleider, maar gelukkig nam hij daarna de leiding zelf vast in handen.

De wedstrijd zelf verliep niet zo succesbol voor ons: we leden een nederlaag van 2½-5½ tegen de Lange Rochade. Vos speelde remise, Van Asperen verloor van ons oud-lid Van de Wakker en Van IJsseldijk dolf ook het onderspit. Toen was de stand 4-1 voor onze tegenstanders. Op dat moment bood mijn tegenstander remise aan. Na samenspraak met Vos besloot ik verder te spelen, maar ik stond reeds verloren. Ruiter speelde remise en Maas won, maar die speelde dan ook een thuiswedstrijd.

Toen we naar huis gingen zag ik ook nog de voorzitter voorbijsnellen met wat volgens mij de totale voorraad jubileumkranten was.


Ersson



Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

Excelsior ingebonden

Het is al weer heel wat jaren geleden dat Kees Ruiter (hij is er niet meer) mij aanschoot en me trots vertelde dat hij de clubbladen die ik voor Excelsior heb gemaakt allemaal nog had. Hij had ze laten inbinden. Dat streelde mij, ik zei wat leuk, maar durfde niet te bekennen dat ik ze in een moment van verstandsverbijstering zelf allemaal had weggegooid. En nu vertelt Berend van Maassen dat hij in het bezit is van een band met oude clubbladen van Excelsior. Hij weet niet hoe hij eraan gekomen is. Ik mocht ze inzien.

Tussen 1979 en 1983 werden de clubbladen bij mij thuis aan de Jan Ligthartstraat vervaardigd. De kopij werd op een ouderwetse Adler-schrijfmachine-met-brede-wagen uitgetypt op stencils en vervolgens nog veel ouderwetser met een met de hand aangedreven stencilmachine afgedrukt. Trots vermeldde ik in elke uitgave dat: “Dit blad werd gestencild op kringlooppapier”. Dat laatste werd me niet in dank afgenomen. Het kon mooier vond men. Het papier was grauw, de inkt verbleekte. Die inkt, eerst bruin naar de mode van die tijd, later blauw, haalde Nanny in grote tubes bij Gestetner in Diemen.

Het valt mee nu ik ze doorblader. Ze zijn nog best te lezen. Ik ga er de komende dagen uit citeren. Ofschoon ik er een beetje tegen opzie om het voor de tweede keer te moeten uittypen. Voor nu dus alleen de drukfout die ik vond.

Drukfout

Het schaakseizoen is weer begonnen
Laat paarden en lopers maar gaan
Het torenoffer was nog te onbezonnen
Wel zag ik iemand een passant slaan



Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden.

Weenink-Koningsclub


Beverwijk 1985 Weenink-Koningsclub, een wedstrijd om in te lijsten. Tien clubspelers tegen twee internationale grootmeesters, drie internationale meesters, twee FIDE meesters, twee nationale meesters en een in opleiding.


Supervisor Frans Koopman zweept de ploeg maandenlang op in de Weenink Post. Het ratingverschil van gemiddeld 250 punten per speler wordt in een sensationele wedstrijd volledig weggepoetst.

Over het paard getild

De prognoses waren overduidelijk en wetenschappelijk onderbouwd. Weenink zou twee bordpunten scoren tegen de Koningsclub. Een halfje meer of minder, daar zou rekenmeester Bram niet wakker van liggen, maar dan hield het op. Twee remises dus en misschien, heel misschien één overwinning.

Weenink verscheen in de sterkste opstelling. Alle spelers stonden op scherp. Want al was de kans op ploegsucces dan kleiner dan één procent, de kans op persoonlijke roem was minstens tien keer zo groot. Ook Pagel had geen risico genomen en verscheen met onder anderen twee internationale grootmeesters en drie internationale meesters. De korf stond wel erg hoog opgesteld.

Drie uur gespeeld. “Meneer Pagel, wat vindt u van de stand, nog steeds 0-0?” Pagel: “Ja, auf Papier…”

Een half uur later. Cees Duivenvoorde opent de score tegen De Savornin Lohman. In één klap het hele seizoen goed. De Koningsclub over het paard getild en Weenink aan de leiding!

Maar och heden. Wat is er met Erik Schoehuijs aan de hand? Is dat de Berlijnse verdediging? Het lijkt wel gatenkaas. En wat gebeurt daar? Daar probeert Hartoch met zijn volle gewicht een pionnetje naar de overkant te duwen. Dat houdt onze Alessandro nooit. Pagel, die even deed alsof hij er niet bij hoort, loopt nu weer ontspannen rond.

Ik loop langs het bord van Hans Nuijen. Wat staat die slecht. Dat ziet een leek. Die Van der Sterren is ook een halve grootmeester. Hé, dat is aardig, Hans slaat een pionnetje en laat zijn dame een soort pirouette maken op het snijpunt van vier velden. Pas als zij uit getold is, zet hij haar op haar plaats. Maar wat doet die Van der Sterren nou? Hij vindt het helemaal niet grappig zo te zien. Hij geeft op! Heb je daar van terug?

En dan Bert van der Zijpp. Die maait Van der Weide. Als in zijn beste jaren. Zelf geeft hij alle eer aan de tegenstanders: “Die jongens zijn goed vooruitgegaan, een paar jaar geleden speelden ze nog in de onderbond.”

Bert Heemskerk meldt zich, met remise. Hij had de hele partij moeilijk gestaan en hij moest nog één zet doen binnen één minuut. Voor een bedaarde speler als Bert is dat erg weinig tijd. Dus toen Van Geet, van het dubbelfianchetto, plotseling remise aanbood, had hij het maar aangenomen. “Maar ik stond wel gewonnen”, probeert hij ons gerust te stellen. Wij zijn een zenuwinzinking nabij.

Het is niet meer bij te houden. overal lachende gezichten. Paul Bierenbroodspot is wel erg vrolijk. Adam Kuligowski niet. Die zit met zijn hoofd in zijn handen als verdoofd over zijn bord gebogen. De stukken staan al lang weer in de beginstand. In het Hoogovens Schaaktoernooi van 1983 won hij van Korchnoi. Nu verliest hij van Bierenbroodspot. Twintig minuten zit hij zo. Dan wankelt hij naar Pagel, die onduidelijke brieven zit te schrijven aan een tafeltje. Wij zien hem wat vragen. Pagel schudt van nee en gaat door met schrijven. Kuligowski is ontslagen.

Nico Kok verliest van Marcus. Nico heeft zijn dag niet. Berend Pluim maakt vreemd kappende bewegingen met zijn handen en trekt een raar gezicht. We mogen niet praten van Jan Sinnige, want er mag ook niet gebiljart worden. Berend bedoelt: de-span-ning-is-te-snij-den.

Op het eerste bord sterft Hendrik Koopman duizend doden. Maar hij blijft zetten. Met de rug tegen de muur vecht hij tegen de aanval van Sergei Kudrin, tegen de voortrazende secondenwijzer, tegen de onrust om hem heen en binnen in hem. Als hij dit toch eens remise mocht houden. Het mag nét niet.

De laatste partij is die tussen Peter Uylings en Job de Lange. De laatste zetten zijn niet meer genoteerd en er moet eerst gereconstrueerd worden. De Lange is aan zet. Lichte paniek maakt zich van hem meester. Hij moet kiezen: eeuwig schaak toelaten of de dames ruilen en een misschien wel verloren eindspel ingaan. De stand is 4½-4½. Hij gaat schoorvoetend naar Pagel toe: of hij misschien remise aan mag bieden.

Pagel bestudeert de stelling. Berend beduidt dat het voorbij is. En inderdaad, Pagel geeft toestemming om het punt te delen. Hij houdt zich groot, zijn spelers klitten wat lacherig in groepjes bijeen. Het applaus is voor Weenink.

Buiten zien we grootmeester Kuligowski nog een laatste poging doen, als Pagel in zijn auto stapt. Het tafereel is te navrant. Het portier slaat dicht. Loket gesloten.


DE PARTIJEN

Sergei Kudrin, internationaal grootmeester en speciaal voor deze gelegenheid overgevlogen door Pagel, lijkt zich niet erg in te spannen. Hendrik Koopman des te meer, wat al snel tot uiting komt op de klok. Toch overleeft hij de tijdnood en de aanval, die niet doorzet, maar de grootmeesterlijke afwikkeling naar een eindspel met vrijpion is hem net even te veel.

_

De tweede grootmeester Adam Kuligowski wordt aan de tand gevoeld door Paul Bierenbroodspot en dat doet pijn. Na de partij schatert Paul het uit over de penning waarmee hij een uitgelokte vork onschadelijk had gemaakt. Tijdnood doet zijn radeloze tegenstander uiteindelijk de das om. Op de vierendertigste zet valt zijn vlag.

_

De Berlijnse verdediging van Erik Schoehuijs vertoont dit keer gaten, die pijnlijk snel door zijn tegenstander John van Baarle opgemerkt worden. Sommige ervan ziet Erik ook nog wel, maar niet het mat op h8.

_

Hans Nuijen, helemaal niet bang, opent met b4, maar komt toch al snel in de verdrukking door een zwarte pion op e4 en later op d3. Bovendien is er de latente dreiging van mat op g2. En ofschoon hij de grootste problemen weet op te lossen, dreigt een verloren eindspel, totdat zijn tegenstander Paul van der Sterren de blunder van de dag begaat. Hans laat zijn dame een vreugdedansje uitvoeren op het winnende veld.

_

Voortdurend knipogend naar Pagel ruilt Rob Hartoch zich tegen onze Alessandro in sneltreinvaart naar een eindspel toe, dat zo op het oog volkomen gelijk staat, maar waarin de superieure stand van zijn koning en een op slinkse wijze verkregen vrijpion toch nog de doorslag geven.

_

Het witte g4 van Peter Uylings mist dit keer overrompelingskracht en de torens worden afgeruild langs de open h-lijn. In het tijdnoodduel dreigt Job de Lange nog even heel ondeugende dingen op f2, maar wordt daar terecht van weerhouden door de dame van Peter. Tot zijn opluchting kan Job zijn baas er dan van overtuigen dat verder spelen niet slim is.

_

Geen lachje kan er af bij Piet van der Weide. En met recht, want Bert van der Zijpp kent geen pardon met hem. Onze vreugdekreten beheerst onderdrukkend zien wij hoe Bert wat onbelangrijk materiaal afstaat in ruil voor een hele rits pionnen. “Een kwestie van techniek, dus dat kan nog moeilijk worden”, zegt hij bescheiden. Even later heeft hij gewonnen.

_

Broodspelers zijn het, tot de laatste stuiver toe. Bezorgd vraagt John Marcus of het eerste kopje koffie wel gratis is, anders ziet hij er liever van af. Gastheer Nico Kok maakt het hem niet al te moeilijk.

_

Op de deur van de Wijckermolen hangt de mededeling dat er niet gebiljart kan worden wegens een belangrijke schaakwedstrijd. “Waar is die belangrijke schaakwedstrijd dan wel?” vraagt De Savornin Lohman hautain bij binnenkomst. Cees Duivenvoorde maakt het hem al snel duidelijk. Een week lang heeft hij gestudeerd op het Jänisch en het verbluffende resultaat daarvan staat al na twintig zetten afgetekend op het bord. Onberispelijk wikkelt hij af, als zijn tegenstander vergeet op te geven.

_

Een vrij normale partij, maar toch nog een dubbelfianchetto van de zwartspeler. Van Geet loopt rond alsof hij reeds gewonnen heeft. Bert Heemskerk is dus in moeilijkheden. Zijn evenwichtsgevoel loodst hem echter langs de gevaarlijkste punten en vlak voor de veertigste zet staat hij opeens gewonnen. Van Geet heeft dat net iets eerder door dan Bert en ziet zijn remiseaanbod geaccepteerd.

_

[Weenink Post, jaargang 36 nummer 22, 14/05/85]

Vleermuis 2

Uit: “A man of answers…?” van Graba’ (Ignace De Graeve)

Jekaterinenburg

Wordt het niet gezien
Of spelen zij misschien met
Een bord voor hun kop?

Dit is een haiku. Op schaaksite.nl worden ze verzameld. Daar gaan ze over schaken. En over het kandidatentoernooi in Jekaterinenburg. Ze zijn tandeloos en wereldvreemd. Ach wat maak ik me druk. Want waar gaat het nou helemaal over…?

Draco dormiens nunquam titillandus

Het Denksport- en biljartcentrum ‘t Spaerne in Haarlem is afgeladen met schakers in de KNSB-competitie en het parallelle Kennemer Open toernooi. Wij spelen tegen een combinatieteam van Het Spaarne en de Heemsteedse Schaakclub. Wedstrijdleider Joost Jansen zegt dat we geen handen hoeven te schudden vanwege het coronavirus. Te laat. De meesten hebben het al gedaan. We hopen er met z’n allen het beste van.

Collignon (in de Volkskrant van 7 maart 2020)

Het is erop of eronder heeft onze teamcaptain gezegd. Iedereen die nu nog verliest moet vrezen voor zijn plaats. Jan Koopman en ik spelen met vuur. Jan, omdat hij doodgemoedereerd een stuk in laat staan en ondergetekende omdat hij het doodleuk offert. De tegenstander van Jan durft niet te pakken en die van mij schrikt zo dat hij opeens zijn halfuur voorsprong in tijd kwijt is. Wij redden het. Met gemak. Het combinatieteam van Spaarne/Heemstede niet. Dat verliest met 6½-1½. Het is de spreuk van Zweinstein. Kietel nooit een slapende draak.


Drie sukkels dachten met remise weg te kunnen komen. Die zullen dus met een hele goede reden moeten komen. Hieronder het slot van mijn partij. Mea culpa. Ik kon niet beter.

ES

Open ASK-toernooi

Fotoimpressie


en een partijfragment, waarin Romayn Brandsma zijn tegenstander Hans Galjé hardhandig vloert

Het toernooi om het open Alkmaars schaakkampioenschap is dit jaar (samen met de organiserende vereniging De Waagtoren) verkast van het Gulden Vlies in de binnenstad van Alkmaar naar het meer afgelegen wijkcentrum Overdie. Dat is jammer, maar tegelijk ook een verademing qua ruimte, en met een prima bar.

Sandra Keetman, Rob Freer en Jan Poland leidden het toernooi. Rob en Sandra hadden voor alle deelnemers een kolossale schaal snoep klaar staan voor de broodnodige suikers, waar gretig gebruik van werd gemaakt. En Jan sloeg aan het begin van elke ronde op de gong…

Is dat de goden niet verzoeken?

Het Alkmaars schaakkampioenschap leed nog niet onder het virus, wel onder de concurrentie van het gelijktijdig gehouden Noteboom toernooi in Leiden. Maar het kreeg met Yong Hoon de Rover een sterke winnaar. Eén keer zag ik hem, heel even, zuchten. Dat was toen hij op een Slavische ruilvariant werd getrakteerd. Daar kon zelfs hij geen chocola van maken.

Kijk voor uitslagen en partijen op de toernooisite van de Waagtoren