Doet glad niet zeer

De Nieuwe Vlissingseweg tussen Middelburg en Vlissingen was op de schop. Alle klinkers werden vervangen. Toen de nieuwe erin lagen, lagen de oude op een hoop. Halve en hele. De halve hadden de voorkeur. Daar konden we mee gooien. Wij waren een jaar of zeven. Tussen de in de grond gezette stenen borden met een P erop voerden we oorlog. De uitwijkplaats in wording voor auto’s was het niemandsland. En achter die grote P’s kon je schuilen. Ik bewaakte de P aan de Vlissingse kant. De aanval kwam vanaf de andere kant, de Middelburgse. Het regende stenen. Soms stak ik mijn hoofd boven het bord uit om te kijken of het tijd was voor een tegenaanval. Toen het even stil was waagde ik het erop en kwam overeind. Een verdwaalde klinker trof mij vol op het voorhoofd. Een loodzwaar gevoel zakte helemaal door mij heen tot in mijn schoenen. Ik had moeite om te blijven staan. Er werd een staakt-het-vuren afgekondigd. Alle jongens kwamen naar mij toe. We gooiden met stenen, maar mikten niet op het hoofd. Ik zie bloed, zei er een. Roep je moeder, zei een ander. Ik stak de weg over en belde aan. Ik was nu niet duizelig meer, maar begon mij toch zorgen te maken. De druppels die van mijn hoofd vielen werden steeds groter en maakte sterretjes op de vloer van het portiek, die langzaam rood kleurde. Mijn moeder deed open en trok wit weg. En opeens stonden er ook twee buurvrouwen op de stoep. Zij riepen aanwijzingen door de open deur. Ik werd plat neergelegd in de keuken met een natte doek over de wond op mijn voorhoofd. En een van de buurvrouwen ging de dokter halen.

Ik lag in een bed op de overloop tussen mijn eigen slaapkamer en de slaapkamer van mijn ouders in. Ik weet niet waarom. Ik had het erg warm en het voelde heel raar. Het leek net alsof mijn hoofd niet meer van mij was. Ik dwaalde ermee door het donker. Zou dat het heelal zijn, dacht ik, een spiraal waar ik niet uit kon komen, wat ik ook probeerde, steeds verder weg. Stik bang werd ik ervan. Mijn moeder zei de volgende dag dat ik de hele nacht had liggen ijlen en dat zij ook bang was geweest. Waarvoor wilde ze niet zeggen. De dokter was geweest en had haar gevraagd of zij gelovig was, want dat het niet meer aan hem was, of zoiets. Wat had je daar nou aan? En mijn vader zei, toen ik hem er later toch maar naar vroeg, naar die spiraal en dat donkere gat waardoorheen je zomaar omhoog kon vallen en of dat echt was, dat hij zoiets ook wel eens had meegemaakt, maar dat kon bijna niet waar zijn, hij zei maar wat, om mij gerust te stellen.

Met het hoofd kwam het niet vanzelf goed. Ik moest geopereerd worden. Dat werd dus schaapjes tellen. Had ik eerder gedaan. En daar had je natuurlijk weer die spiraal en dat gat. Maar minder erg, want ik was daar nu niet meer zo bang voor. Toen ik thuiskwam uit het ziekenhuis hadden mijn moeder en vader alle autootjes en het verkeersplein, dat ik onder de tafel in de voorkamer op het kleed achter had gelaten, precies zo laten staan. Zoals ze beloofd hadden. Toch zag het er anders uit. Nu het gelukt was om weer thuis te komen was het opeens niet zo belangrijk meer. Denk ik.

De nieuwe weg voor ons huis was af en de losliggende stenen waren opgeruimd. Had mijn vader gedaan zei hij. Ik mocht geen oorlogje meer spelen van hem. En mijn moeder, gevoelig voor wat de dokter tegen haar gezegd had, kreeg mijn vader zover dat mijn zusje en ik gedoopt werden in de Lutherse kerk. Door dominee Johannes. Hoe mooi wil je het hebben? En mijn zusje, die nergens bang voor was, riep daar in die doodstille kerk, toen het water over haar heen geschept werd: “Doet glad-nie-zeer papa!” Was ik maar zo flink.

Ja mensen, zo zie je maar, van het een komt het ander en een ongeluk zit in een klein hoekje.



Zie ook: De zandauto waar mijn zusje tegenaan liep in Middelburg

De foto’s van mijn vader (deel 1)

De foto’s van mijn vader zijn verzameld in tien leren banden. De zwart-witfoto’s zijn door hemzelf afgedrukt. De kleurenfoto’s niet. De negatieven zitten in negatiefalbums, de dia’s zijn ingeraamd en zitten in dozen. Panatomic X en Kodachrome 25 waren favoriet. Hoe kleiner de korrel, hoe mooier hij het vond. Zijn ideaal was dat er een film zou worden uitgebracht zó fijn van korrel dat je geen telelens meer nodig had omdat je eindeloos zou kunnen vergroten. Toen ik leerde fotograferen en afdrukken en Tri-X in de donkere kamer introduceerde was hij erg teleurgesteld, in mij en in de nieuwe tijd. De Nikkormat die ik verkoos boven zijn Leica en (op een ander terrein) VHS die het won van Betamax, het moest niet gekker worden.

Zijn foto’s stonden oorspronkelijk in een fotoboek dat hij van mijn moeder had gekregen. Met een opdracht voorin.
1941-den-haag-een-foto-dooft-de-herinnering-niet

Op het eind van zijn leven wilde hij nog één keer alles goed overdoen. Het fotoboek werd uit elkaar getrokken, de foto’s en de negatieven werden als werkmateriaal gebruikt, met kadreringen in rode inkt. Alles werd opnieuw afgedrukt of afgekeurd en weggegooid. Mijn moeder die daar verdrietig over was maar het niet tegen kon houden redde achter zijn rug wat er te redden viel, uit de prullenmand en soms in tweede ronde uit de vuilnisbak. Na deze stille veldslag restten ons tien pontificale fotoboeken en een veel interessantere doos van mijn moeder met het illegale restmateriaal, maar zonder het lieve bloemetje.

Mijn vader fotografeerde naar mate hij ouder werd een steeds kleinere wereld om hem heen. In het begin nog Den Haag en Middelburg, later ook wel Amsterdam, maar al gauw alleen maar zijn gezin en familie. Binnenshuis of rondom het huis. Of de schade aan de dakkapel vanuit alle hoeken en gaten. En op het laatst maakte hij alleen nog maar proefopnames. Om scherptediepte, belichting en kleur te meten en eventuele afwijkingen in het materiaal. Het lukte hem niet meer en hij zag het ook niet meer. Daarom laat ik hier een aantal van zijn vroegere foto’s zien, toen zijn blik nog ruim genoeg was.

Al in beeld waren het gezinsportret, het stadhuis van Veere en de loodstender op de Westerschelde bij Vlissingen. Foto’s veelal gemaakt met een 9×12 platencamera. De glasnegatieven die over gebleven zijn hebben de tand des tijds niet allemaal goed doorstaan, getuige een foto van de Lange Jan in de steigers. De Loskade in de winter staat er iets beter op, maar het houdt niet over.

De Lange Jan in de steigers (Middelburg 1950)

De Loskade in de winter (Middelburg 1949)

(klik op de foto om de bewerkte versie te zien en een beter zicht op de man die in het want hangt)

Een andere foto die aan de Loskade is genomen toont het overladen van de bietenoogst . Daarvan meteen maar de bewerkte versie (uitsnede):

Bietenoogst (Middelburg 1949)

Heel mooi vind ik een foto van de Kaai in Veere met de Schotse huizen en het stadhuis. Het is weer een uitsnede, noodgedwongen, want ook dit negatief is aangetast.

De Kaai van Veere in 1950

En, omdat ik het niet laten kan, twee prachtige portretten uit 1949 van mijn grootouders van moeders kant:

Domburgse watergang met theekoepel De Griffioen en Seismolen

Middelburg 2015
Theekoepel De Griffioen en Seismolen
(inzet: glasplaat omstreeks 1950)

Vorig jaar zomer waren we een paar dagen in Zeeland, op Walcheren, en daar vonden we een paar plekken, die mij terug voerden naar de tijd waarin mijn vader mij meenam als hij de foto’s ging maken waarvan ik nu nog enkele glasplaten bezit. Eén van die plekken was de Domburgse watergang bij Middelburg. Daaraan lag, net buiten het bolwerk, een landgoed met een groot herenhuis, De Griffioen geheten, en een theekoepel. Die theekoepel staat op een glasplaat uit 1950, met op de achtergrond De Seismolen. Zowel theekoepel als molen zijn, zoals te zien is op mijn foto uit 2015, in de loop van de jaren opgeknapt. Het herenhuis bestaat ook nog maar heeft een kantoorbestemming gekregen en is op geen van de foto’s (goed) zichtbaar. Het terrein van het landgoed is volgebouwd met woningen, want ook Middelburg is veel groter geworden dan het in mijn kindertijd was en er ligt nu een hele wijk die Griffioen heet. Feiten die mijn foto zoveel mogelijk probeert te ontkennen, zie ik nu.



Beschrijving van Buitenplaats ‘De Griffioen’ in Middelburg

Pand met vijf traveeën brede rechte gevel en schilddak door pirons bekroond. Boven de strakke lijst twee getoogde dakkapellen met vleugelstukken. Eenvoudige voordeuromlijsting. XVIII. Op het terrein van het huis aan de watergang: Theekoepel. Vrijstaand verdiepingloos vierzijdig gebouwtje met rond gebouwde hoeken. Deuren- aan land- en waterzijde -met omlijsting en bekroning van snijwerk. Schilddak door vaasjes bekroond. XVIII.

Rijksmonument nummer: 29486

(bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)


De zandauto

Middelburg 1953

Wij woonden langs de Nieuwe Vlissingseweg. We gingen lopend naar school. Voorbij de Trambaan en de bakker, naar de Piet Heinstraat, langs het nieuw uitgegraven kanaal, de busremise en de lagere school aan de Dorus Rijkersstraat, waar ik op zat. Mijn zusje zat op de kleuterschool en die was nog veel verder, helemaal op ‘t Zand. Om daar te komen moest ze eerst de Koudekerkseweg oversteken en die was gevaarlijk, want daar reden de zandauto’s. Dat waren grote vrachtauto’s met een bak, die kon kiepen, vol zand. Wel zes wielen hadden ze. Het waren dus zestonners. Dat wist elke jongen. Mijn zusje was door mijn moeder op het hart gedrukt wat ze moest doen. Goed kijken en als er een zandauto aankwam: wachten tot die voorbij was.

Ik speelde met de jongens op het schoolplein. Aan het eind van de straat, op de Koudekerkseweg, was een opstootje. Vast een ongeluk. Wij wilden er naar toe. Maar de bel ging en we moesten naar binnen. Als een klein bang vogeltje zat ik in de klas. Het zou toch niet… Laf dat ik niet toch was gaan kijken. Maar misschien viel het mee, was het niet mijn zusje. Totdat er een meneer de klas in kwam en met de juffrouw praatte. Ze keek naar mij en ik moest mee met die meneer achterop de fiets om mijn moeder op te halen.

Bij de Koudekerkseweg dromden nog steeds veel mensen samen en er stond een vrachtauto aan de verkeerde kant van de weg met zijn neus in de bosjes. Midden op straat lag een hoop zand. Wij werden een showroom aan de overkant van de weg ingebracht. Daar lag mijn zusje, op een soort veldbed waarvan de poten ingeklapt waren, te vloeken als een ketter.

Vandomme vandomme vandomme. Wat zegt dat kind toch, vroegen de streng gereformeerde Zeeuwen aan mijn moeder. Mijn moeder improviseerde. Ze zegt: wat dom hè, wat dom hè, wat dom hè. De Zeeuwen haalden opgelucht adem. Arm kind.

Ze had nog zo goed uitgekeken. Gewacht tot die zandauto voorbij was en toen was ze overgehold. Was er vandomme een tweede zandauto achteraan gekomen. Daar wist zij niets van. In een flits had de chauffeur zijn stuur omgegooid waarbij hij een deel van zijn lading was verloren. Mijn zusje had een schaafwond aan haar gezicht en later bleek een gebroken been. Ze lag verloren in een hoopje zand. Omstanders hadden haar op een veldbed gelegd en weggedragen.

De volgende dagen gingen wij op bezoek in het ziekenhuis. Ik nam snoep mee. De nog steeds dodelijk geschrokken chauffeur bloemen. En mijn vader zijn fototoestel. Het gebroken been was loodrecht omhoog getakeld. Als we de zaal opkwamen zat Rika met haar armen om dat been heen op ons te wachten. Ik vond dat onwaarschijnlijk knap.

Evert