De foto’s van mijn vader (deel 1)

De foto’s van mijn vader zijn verzameld in tien leren banden. De zwart-witfoto’s zijn door hemzelf afgedrukt. De kleurenfoto’s niet. De negatieven zitten in negatiefalbums, de dia’s zijn ingeraamd en zitten in dozen. Panatomic X en Kodachrome 25 waren favoriet. Hoe kleiner de korrel, hoe mooier hij het vond. Zijn ideaal was dat er een film zou worden uitgebracht zó fijn van korrel dat je geen telelens meer nodig had omdat je eindeloos zou kunnen vergroten. Toen ik leerde fotograferen en afdrukken en Tri-X in de donkere kamer introduceerde was hij erg teleurgesteld, in mij en in de nieuwe tijd. De Nikkormat die ik verkoos boven zijn Leica en (op een ander terrein) VHS die het won van Betamax, het moest niet gekker worden.

Zijn foto’s stonden oorspronkelijk in een fotoboek dat hij van mijn moeder had gekregen. Met een opdracht voorin.
1941-den-haag-een-foto-dooft-de-herinnering-niet

Op het eind van zijn leven wilde hij nog één keer alles goed overdoen. Het fotoboek werd uit elkaar getrokken, de foto’s en de negatieven werden als werkmateriaal gebruikt, met kadreringen in rode inkt. Alles werd opnieuw afgedrukt of afgekeurd en weggegooid. Mijn moeder die daar verdrietig over was maar het niet tegen kon houden redde achter zijn rug wat er te redden viel, uit de prullenmand en soms in tweede ronde uit de vuilnisbak. Na deze stille veldslag restte ons tien pontificale fotoboeken en een veel interessantere doos van mijn moeder met het illegale restmateriaal, maar zonder het lieve bloemetje.

Mijn vader fotografeerde naar mate hij ouder werd een steeds kleinere wereld om hem heen. In het begin nog Den Haag en Middelburg, later ook wel Amsterdam, maar al gauw alleen maar zijn gezin en familie. Binnenshuis of rondom het huis. Of de schade aan de dakkapel vanuit alle hoeken en gaten. En op het laatst maakte hij alleen nog maar proefopnames. Om scherptediepte, belichting en kleur te meten en eventuele afwijkingen in het materiaal. Het lukte hem niet meer en hij zag het ook niet meer. Daarom laat ik hier een aantal van zijn vroegere foto’s zien, toen zijn blik nog ruim genoeg was.

Al in beeld waren het gezinsportret, het stadhuis van Veere en de loodstender op de Westerschelde bij Vlissingen. Foto’s veelal gemaakt met een 9×12 platencamera. De glasnegatieven die over gebleven zijn hebben de tand des tijds niet allemaal goed doorstaan, getuige een foto van de Lange Jan in de steigers. De Loskade in de winter staat er iets beter op, maar het houdt niet over.

De Lange Jan in de steigers (Middelburg 1950)
De Loskade in de winter (Middelburg 1949)

(klik op de foto om de bewerkte versie te zien en een beter zicht op de man die in het want hangt)

Een andere foto die aan de Loskade is genomen toont het overladen van de bietenoogst . Daarvan meteen maar de bewerkte versie (uitsnede):

Bietenoogst (Middelburg 1949)

 

Heel mooi vind ik een foto van de Kaai in Veere met de Schotse huizen en het stadhuis. Het is weer een uitsnede, noodgedwongen, want ook dit negatief is aangetast.

De Kaai van Veere in 1950

 

En, omdat ik het niet laten kan, twee prachtige portretten uit 1949 van mijn grootouders van moeders kant:

 

Loodstender

Een loodstender is een snelle motorboot met een kleine bemanning die vanuit een haven een loods aan boord brengt van zeeschepen die daarom verzoeken, of omgekeerd van uitvarende schepen de loods ophaalt.

Boulevard De Ruyter

In Vlissingen logeerden wij vorig jaar in het hotel De Belgische Loodsensociëteit aan de Boulevard De Ruyter. Dat is het roomwitte gebouw rechts op de foto. Wij hadden een prachtig uitzicht op de Westerschelde en de binnenkomende en uitvarende schepen.

MSC Altamira op de Westerschelde bij Vlissingen op 25-6-2015

En op de tenders die vanuit een klein pilot-haventje de loodsen van en naar de schepen brachten. Er lagen drie tenders, een oranje voor de Nederlandse en twee rode voor de Vlaamse loodsen. Die verzorgen gezamenlijk het scheepsverkeer over de Westerschelde naar Antwerpen en terug. In vroeger tijden, toen de schepen nog van hout waren en de mannen van staal, gebeurde dat in een moordende onderlinge concurrentieslag. Daarbij werden aan Nederlandse kant zoals gewoonlijk de gemeenste trucs uitgehaald, zoals het bekleden van de bodems van de roeiboten met dun koperbeslag, waardoor er minder aangroeisel was en de boten sneller gingen, waar de Vlamingen zo gauw niet van terug hadden. Maar heden ten dage gaat alles in goed overleg en is de verdeling tot achter de komma afgesproken: 72,5% van de boten is voor de Vlaamse loodsen en 27,5% voor de Nederlandse.

Tussen de glasnegatieven van mijn vader (zie ook: Het stadhuis van Veere) vind ik een foto uit 1950 van een loodstender op de Westerschelde voor Vlissingen, die er opgepoetst zo uitziet:

Westerschelde 1950

 

In 2015 sta ik op het Roeiershoofd en maak een foto van een uitvarende tender. Het water van de Westerschelde is onstuimig en ziet groen. En de vogel in de lucht? Die is kennelijk niet weg geweest.

Westerschelde 2015

De Belg zet er duidelijk de sokken in. Maar hij heeft dan ook wat goed te maken. De Happy Fellow ligt al een tijdje te wachten in de monding van de rivier, zwarte rooksignalen uitzendend. Zonder loods durft hij echt niet verder. Maar ook wij hebben geluk. Meestal legt de tender aan de andere kant aan, nu blijft hij aan bakboord om de loods af te zetten. En de zon breekt door.

LPG-tanker Happy Fellow op de Westerschelde bij Vlissingen op 23-6-2015