My Home Is My Castle

Tien vertelsels, die soms iets met schaken te maken hebben, de meeste uit de Weenink tijd

 

Schaakspel geschonken door Berend Pluim aan Hans Nuijen

 

My Home Is My Castle

Schaken is een spel voor: Heren. Deze komen samen op een: Club. Daar spelen zij hun: Partij. Met in de ene hand een: Havanna. En in de andere hand een goed glas: Cognac. Niet lastig gevallen door andere dames dan die op hun knie, om wie het spel eigenlijk draait. Attaqueren zij de koning, dan annonceren zij: Schaak. Raken zij terloops de dame aan, dan heet het: J’adoube. Zijn zij tevreden met de status quo, dan is het: Remise. Maar wordt de partij gewonnen, dan wisselen de spelers van kleur en de dames van knie en volgt er een: Revanche. Is de stand daarna gelijk, dan wordt, in deze moderne doch jachtige tijd, een beslissing geforceerd in een zogenaamde: Rapidpartij. Dit is niet veel anders dan het vroeger gebruikelijke en zoveel eerlijker: Dobbelen.

Het is klaar dat de vrouw achter de schaker hier beter niet kan komen. Zij zit thuis of verzet, in deze geëmancipeerde doch zedeloze tijd, haar eigen zinnen met cricket, golf, tennis of bridge. Dit is niet veel anders dan het vroeger gebruikelijke en zoveel onschuldiger: Overspel. Wil de schaker dit voorkomen, dan zal hij gedwongen zijn de adembenemende door- en inkijkers op de Club te laten voor wat ze zijn en eerst thuis orde op zaken te stellen.

 

De Lange Mare

Een uur eerder dan normaal en na een wandeling door Leiden, waarvan de meesten het fijne ontging, bereikten we klappertandend de zaal aan de Lange Mare. De jassen werden onvoorzichtig op een hoop gegooid en onder een hemel van ballonnen en in een schijnsel, waarbij we zowaar nog gingen verlangen naar ons eigen schamele onderkomen in De Eindspurt, zetten we ons achter de borden. We zouden het spoedig wel wat warmer krijgen, dachten we. Alleen vonden we het vreemd dat veel van onze tegenstanders hun jassen aanhielden. Toen onze ogen een beetje aan de duisternis waren gewend, ontwaarden we zelfs truien, dassen en een enkele muts. Het klappertanden wilde ook al niet overgaan, verergerde zich zelfs tot schokschouderen en schuddebuiken, wat alleen Peter Uylings onberoerd liet. Die hield zich warm door met ferme pas rond te benen, daarmee tegelijk de verbindingslijnen met teamleider Bram Jansen en de koffiekamer in stand houdend. Het nieuws dat Hendrik Koopman een zet had opgeschreven, maar niet uitgevoerd, bereikte ons dan ook voordat Hendrik zijn pen had neergelegd. Onmiddellijk werden de sledehonden ingespannen en spoedden we ons, dicht tegen elkaar aan gedrukt, naar het eerste bord aan het uiteinde van de fjord, waar we net op tijd aankwamen om het vreugdevolle aansteken van de Bengaalse vuurpotten te aanschouwen. Onmiddellijk verspreidde zich een aangename warmte door de zaal, heel het land en onze verkleumde botten, voorbode van de naderende lente. Het was omdat Nanny pas tegen het vallen van de avond zou komen dat ik snikkend Bram om de hals viel. En ook hij was zijn ontroering nauwelijks meester en liet mij pas los toen ik hem had beloofd ook over de mooie dingen in het leven te zullen schrijven. Terug bij de koffiekannen lieten we het paardoffer en de ingesloten toren, vertraagd en in eindeloze herhaling, aan ons geestesoog voorbijgaan. Een voor één keerden de dappere krijgers nu, onder gezang en gedans, terug van de borden, beladen met buit. Alleen de bok, die Nico Kok schoot, bleef als zoenoffer achter. En des avonds vierden we de wonderschone overwinning met een Indiaas maal, waarbij ook Peter Poncin aanzat en zelfs Bert van der Zijpp onmogelijk nog de draak kon steken.

 

Negatief gedoubleerd

Dit keer had reisleider Berend Pluim Arnhem op het programma gezet. Daar waren wij nog niet geweest. Vol verwachting verzamelden wij ons op het station van Beverwijk. Het was nog guur maar het beloofde een mooie dag te worden. Tussen Beverwijk en Amsterdam had de machinist niet genoeg trein aangekoppeld, dus moesten wij verspreid reizen, maar vanaf Amsterdam was het beter geregeld en vulden wij met ons zestienen een hele coupé. Laurens Duin mocht vandaag ook mee. En waarom ook niet, we gingen toch gewoon leuk uit?

Al spoedig waren wij verdiept in de bridgerubriek. Wat dom nou: de volgende keer moesten we niet allemaal dezelfde krant kopen. Zo zag je maar weer, dat zoiets toch voorbereiding vergt. Hans Nuijen verdiepte zich, zij het oppervlakkig (want ja, een kei zou hij er toch nooit in worden), in het negatief doublet, wat Paul Bierenbroodspot (meneer Paul voor Noortje) vrolijk Spoetnikdubbel noemde. Die wist er dus meer van. Uitleggen. Het bleek een doublet te zijn op een tussenbod van je tegenstanders, als je wel een leuk spel hebt, maar zonder uitgesproken eigen kleur of steun in je partners kleur. Een kleurloos spel dus. Noortje las De Kinderen uit de Kabaalstraat, wat eigenlijk de Kanaalstraat was, maar omdat die kinderen zo’n kabaal maakten, heette die straat Kabaalstraat. Een woordspeling dus. Ondertussen zat Nanny te breien, sprak Peter Uylings in korte notatie en trakteerde Berend op koffie uit de minibar. In Arnhem gingen Noortje, Nanny en ik de stad in, terwijl de anderen doorreisden naar station Velperpoort om daar in de buurt iets te gaan doen waar ze goed in waren. Zeiden ze.

Tegen de avond troffen we elkaar weer. Niet iedereen was nog even vrolijk als ‘s morgens in de trein. Er was die middag behoorlijk negatief gedoubleerd. Vooral Alessandro di Bucchianico scheen iets misdaan te hebben. Driemaal had hij hetzelfde standje uitgeprobeerd, wat de Arnhemmers tot groot enthousiasme had gebracht. Maar daarvoor waren wij niet gekomen, dus loodste Berend ons snel naar de dichtstbijzijnde Chinees. Die had echter niet op ons gerekend, waarop wij ons verdeelden over een Indonesisch Restaurant en een Vegetarisch Eethuis. Zo was ik helaas slechts in staat de helft van alle roddel en achterklap op te tekenen. Een servet met aantekeningen ligt bij mij thuis ter inzage. Onder leiding van Peter Uylings, die moeiteloos alle stiltes vulde met vrolijke grootspraak (over gapen in de klas en een liefdesrijm voor straf, en over het verschil tussen autoritair en autoriteit; Noortje, na afloop: die man aan het begin van de tafel maakte veel grapjes), genoten wij van de volgende vegetarische gerechten: misosoep en waterkerssoep; geroosterde zonnebloempitten (vooral Erik Schoehuijs); vier ovenschotels (meer waren er niet) en rijst met gierst en seitansaus; verse groenten; wijn en vruchtendrank; kwark met rozijnen, watergruwel, roomijs met kersensaus en koffie met taart. Tussen twee happen door bleek Peter ook nog getrouwd te zijn. De onbespoten jongen en meisje van het eethuis wisten niet hoe ze het hadden. Hoe wij bij hun terecht waren gekomen. Ja, dat vroegen wij ons ook af. En wat ze alle andere dagen met die, overigens verrukkelijke ovenschotels deden. Toen wij weggingen zagen wij nog net hoe zij een feestelijke fles wijn op deze wonderbaarlijke dag ontkurkten.

 

Achterhoek

Mannen, hoewel we gedegradeerd zijn, ben ik toch trots op jullie. Er is dit keer geen narigheid geweest, er is niet gevochten, nauwelijks getrapt en ook de scheidsrechter kon rechtstreeks naar huis en niet via eerste hulp. Dat is wel eens anders geweest. Een hoeraatje voor Heren Drie. Op het volgende seizoen!

Wat zou dat zijn, vroeg ik aan Nanny. Voetbal dacht ze. Welnee, zei ik, niet gevochten, heren drie, dat is hockey of zoiets. Ach schei uit, zei zij weer, moet je die koppen zien, dat heeft geen weet van hockey of zoiets. Ik keek achterom. Ze had gelijk. Touwtrekken misschien. Dat was hier de sport. We zouden het spoedig weten. De grootste touwtrekker van de groep had al een paar keer naar ons geroepen. Nu kwam hij vragen wat we deden. Hendrik Koopman trachtte zijn psychologisch overwicht tot gelding te brengen door de duidelijk aangeschoten jongen te prijzen als sfeermaker. Die hadden we net nodig bij Weenink. Van de naam Weenink keek onze gloednieuwe sfeermaker niet op. In de Achterhoek wemelde het van de Aaftinks, Borckinks, Hiddinks, dat was Normaal. Dus hij voelde zich meteen helemaal thuis bij ons en omarmde Hendrik innig. Deze keek moeilijk om zich heen en vroeg zich af hoe hij het initiatief zo snel was kwijtgeraakt. Peter Uylings schoot zijn vriend te hulp. Schakers, riep hij luid, we zijn schakers. Heren Drie juichte nu dat sfeermaker een potje tegen ons moest doen, want hij won van iedereen met schaken. Sfeermaker liet Hendrik los en keerde zich naar Peter. Ben je goed, vroeg hij twijfelend. Nog net geen grootmeester riepen wij, al denkt hij daar zelf anders over. Sfeermaker overwoog zijn kansen en koos toen liever waterpolo met het hele team. Jij met je hockey, zei Nanny. Nu overwoog Peter zijn kansen. Hij keek de kring rond en zag louter watervrees. In z’n eentje, dat lukte hém zelfs niet. Sfeermaker was tevreden met dit gelijke spel en werd bovendien teruggefloten naar zijn tafel. Daar werd de haaienvinnensoep opgediend.

 

 

Vraaggesprek met de man die zijn partij op het nippertje won

Wat er door me heen ging? Ik dacht, het had niet veel langer moeten duren. Het meeste ging trouwens door mijn tegenstander heen, zo te zien. Die werd eerst donkerrood, toen purper en toen hij door kreeg, dat het applaus niet voor hem bestemd was, spierwit met allemaal kippenvel en rare vlekken en tenslotte helemaal fosforescerend geelgroen. Ik durfde nauwelijks te kijken. Toen hij weer kon praten, nou ja praten, het leek meer op een vastgelopen zuiger, piepte hij: ik had wel … op zevenenvijftig manieren … kunnen winnen. En toen schoot mij opeens een gedichtje van Cees Buddingh’ te binnen, het is eigenlijk een liefdesgedichtje, het heet dan ook “zeer kleine ode aan de liefste” en het gaat zo: vanochtend/ zag ik op straat/ een leeg heinz-blikje liggen/ en onmiddellijk/ dacht ik aan jou:/ 57 varieties.

 

 

Vraaggesprek met de man die zijn toren oliedom verloor

Wat is dat voor stomme vraag. Heb je wel eens een vrije trap regelrecht in je kruis gehad? Nou dan weet je het ongeveer. Totaal overspeeld had ik hem. Maar opgeven ho maar. Gewoon door knoeien met zo’n krom paard. Let ik even niet op, staat er een kasteel in. Ik denk nog: blijf met je takken van die toren af. Maar nee hoor, totaal geen respect. Zegt de klerelijer: het is niet verdiend, maar ik kan ‘m toch moeilijk laten staan. Ik wil hem toesnauwen: aso, vuile klootzak, etterbak in het geniep, laurens in het kwadraat. Ik tel tot tien, maar raak al bij twee de tel kwijt. En opeens, geloof het of niet, schiet me een gedichtje van Cees Buddingh’ te binnen, het heet “zeer vrij naar het chinees” en het gaat zo: de zon komt op de zon gaat onder/ langzaam telt de oude boer zijn kloten.

 

Elf

Evert, je moet zaterdag invallen. Zeg, ben jij wel goed bij je hoofd? Ja, het moet, we hebben drie invallers nodig, nood breekt wet. Had je dat niet iets aardiger kunnen zeggen en wie schrijft er dan? Dat doe ik wel. Ja maar, kan Peter niet, of Laurens, Hugo, Nico, Hetty?

Nee, die konden niet en dus was er geen ontkomen aan. De hele week geen woord gewisseld met Nanny en Noortje, drie avonden schaakstudie, vroeg naar bed en geen oog dicht gedaan. Zouden ze me dit geflikt hebben om mijn verslagen uit de Weenink Post te houden? Ik zou in het vervolg wel een ander toontje moeten aanslaan. De beste stuurlui staan aan wal. Nu komt het uit.

1. d2-d4 f7-f5
Brrr! Hollands, daar heb ik geen kaas van gegeten. Zouden ze erg boos zijn als ik g4 doe?

2. g2-g4?! f5xg4 3. e2-e4 d7-d6 4. h2-h3 Pg8-f6 5. Pb1-c3 e7-e5
Nou die laat er geen gras over groeien. Moet ik nu het centrum afsluiten of me naar remise proberen te ruilen?

6. d4xe5 d6xe5 7. Ddlxd8+ Ke8xd8 8. Lc1-g5 c7-c6
Dat is jammer, nu vindt de koning een schuilplaats op c7 en kan mijn paard niet naar d5. Die eersteklassers zijn niet voor de poes.

9. 0-0-0+ Kd8-c7
Wat nu? Die pion zie ik nooit meer terug. Toch maar even volhouden. Misschien is 10.hg4 Lg4 11.f3 Le6 12.f4 Ld6 13.Pf3 Pbd7 nog wat. Dan sla ik met de toren op d6 en met de pion op e5, waarna ik met Lf4 en eventueel Th5 de kleine kwaliteit win. Zal wel geen hout van kloppen. En wat loopt die klok snel. Nou vooruit dan maar. Mijn tegenstander wordt ongeduldig, die wil ook wel weer eens zetten.

10. h3xg4 Pf6xg4???
Droom ik? Hartkloppingen, kippenvel. Dit kan niet waar zijn. Wil er dan niemand meer met mij schaken?

11. Lg5-d8 mat
Handen schudden. Ik weet niet hoe ik kijken moet. Hij ook niet.

De volgende keer ga ik weer schrijven. Ik laat me geen tweede keer belachelijk maken.

 

Een valstrik

Hij had mij bijna te pakken, had al twee keer remise aangeboden, maar ik schaakte vrolijk door. Totdat mijn tijd op was en ik het van de increments moest hebben. Een gunstig eindspel werd vakkundig verkloot, sorry, vergooid.

Ik zag dat het fout was. Dat hij de toren naar c7 kon gaan spelen en wat dan? Ik raakte mijn toren aan en bewoog naar f2, maar zag nog net op tijd dat mijn koning niet meer op e1 stond, waar hij tien seconden geleden nog wel had gestaan, de sukkel. Alsof dat geholpen had trouwens. Goede raad was duur. De zwarte adelaar zweefde boven zijn prooi. Hij was opeens errrrug geïnteresseerd wat het muisje ging doen. Of het nog wel iets ging doen, want de laatste minuut tikte weg.


Opeens zag ik het: Tg2-h2, dat zou hem verleiden tot Tf7-f3. En ja hoor hij kon zich niet beheersen en begaf zich in roekeloze val, lette niet op de valstrik: h4-h5! en greep de eerste de beste pion of eigenlijk de verkeerde: Tf3xe3. En toen was daar Th2-h4+ en bleek de vogel behalve remise nog twee andere woorden te kennen: shit en kut.

 

Verliezen is niet moeilijk

Tata, praat me er niet van, vraag me er niet naar. Twee keer had ik moeten afzeggen bij mijn fitnessclubje. Maar daar was ik weer. “En, nog wat gewonnen?” vroegen ze me. “Ja, de poedelprijs” antwoordde ik dapper. Dat vonden ze erg leuk.

Het vorige jaar was ik gepromoveerd. Tegen de klippen op, zeg maar, en dat heb ik geweten. De tochten op de fiets naar Wijk aan Zee door sneeuw en duinen waren sensationeel mooi, maar wat er in dat ellendige oord allemaal gebeurde verzwijg ik liever. Ik won de eerste partij en de laatste. Daartussendoor niks. Zo’n week duurt erg lang. Extra pijnlijk was het moment dat ik onderweg na vier verliespartijen op rij toch nog een remisetje cadeau kreeg en de hele groep me uitbundig kwam feliciteren, terwijl mijn tegenstander ondertussen probeerde uit te leggen hoe dat zo gekomen was. Ja, dan verlies ik nog liever. Dat ging me trouwens steeds makkelijker af. Of toch niet?

Ik had zwart. Na slinkse manoeuvres had ik mijn dame waar ik haar hebben wou. Er stond nu een superdoorkijker op het bord. Van Hans Nuijen geleerd. Zou mijn tegenstander het ook zien? Hij dacht dat het geen kwaad kon en gaf zijn dame voor twee torens:

28. Tg1 Txe2 29. Dxe2 Txe2 30. Lxe2

Ik kwam gewonnen te staan, maar in razende tijdnood wist ik mijn vrijpion niet aan de overkant te krijgen en op de veertigste zet vergooide ik alles. Had ik maar wat meer tijd gehad. Toen herinnerde ik me een episode eerder uit de partij. Ik had een zet gedaan en ik ging even wandelen. Toen ik terug kwam zat mijn tegenstander nog steeds te denken. Waarover? Zo moeilijk was het niet. Ik besloot om me ondertussen ook maar wat in de stelling te verdiepen, want zoveel tijd had ik niet meer. Na een poosje, hij dacht wel idioot lang na, keek ik nog eens op de klok en zag dat er steeds minder voor mij overbleef. Heb ik mijn klok niet ingedrukt, vroeg ik schaapachtig. Nee, dat was het niet, bleek. Iemand anders had zich vergist, waarvoor hij zich omstandig verontschuldigde. Mijn tegenstander vertrok geen spier en deed zijn zet.

Verliezen is niet moeilijk, maar het heeft zijn schaduwkanten.

 

Nachtmerrie

Mijn man schaakt en dat is geen pretje. Hij zou nog een deur afschilderen, dat had hij beloofd, komt dus niks van. Hij hangt er zo’n beetje in, die deur dan hè, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Vannacht, ja het is zonde dat ik het zeg, werd hij opeens heel onrustig, ik vroeg ben je wakker en meestal zegt hij dan nee zie je niet dat ik slaap, maar nu zei die eerst niks, maar hij lag wel met zijn ogen open en toen zei die dat ie bijna de dame van die andere te pakken had maar dat het toen toch net niet gelukt was. Ik zeg je weet toch dat je dat niet mag, daar ben je nu te oud voor, de dokter heeft je nog zo gewaarschuwd. En toen had die man de mijne te pakken, zei die. En ik ga d’r nog op in ook, ik zeg, daar heb ik dan helemaal niks van gemerkt, dat had ik moeten weten. En toen begon hij me opeens wild te schoppen en te roepen feyenoord feyenoord. Ik hoop maar dat het gauw over gaat want het is een nachtmerrie.