Victory Boogie Woogie

Ton de Vries is dit jaar coach van het tweede. De eerste wedstrijd onder zijn leiding wonnen we van de onberekenbare Chess Society uit Zandvoort, de tweede was tegen het even geduchte als doortrapte ZSC/Saende 3, maar nu met Ton als speler in plaats van coach. Dat scheelde een slok op een borrel. Het team sloeg zich er manhaftig doorheen en bereikte een wonderbaarlijk gelijkspel. En omdat Ton wel aan zag komen dat hij zijn handen vol zou hebben aan zijn eigen partij (zo’n partij is vaak moeilijker te volgen dan acht van een ander), zouden we dit keer zelf verslag moeten doen van onze capriolen. Dus deden we extra ons best, daarbij geholpen door het toeval. Maar wat is toeval?

Zeven seizoenen geleden speelde ik met Weenink 2 in Zaandam tegen ZSC/Saende 2. Mijn tegenstander was René Hennipman. Hij schaakte beter dan ik en bereikte een gewonnen stelling. Maar met een zetje zo gemeen, dat ik er nu nog kippenvel van krijg, ontfutselde ik hem de partij:

48. … Ta8-h8 ☺♪!!☼!!♫☺

Zo te winnen. Victory Boogie Woogie. Maar dan oneindig veel mooier. De sensatie golfde nog minstens een week lang door mijn hoofd. Het belemmerde mij ernstig in mijn normale bezigheden. Maar erger moet het gesteld zijn geweest met mijn tegenstander, die niet alleen zijn partij, maar ook de wedstrijd voor zijn team had verknald. Zouden we die nog terugzien?

Dit keer speelde Weenink 2 in Beverwijk tegen ZSC/Saende 3. En tot mijn stomme vebazing en ik mag wel zeggen grote blijdschap was mijn tegenstander weer René Hennipman. Het was of we op herhaling waren. Hij schaakte opnieuw beter dan ik en bereikte een gewonnen stelling. Maar ik hecht aan geschiedenis en met een plannetje zo gemeen, dat ik er nu nog kippenvel van heb, ontfutselde ik hem wederom de partij:

 

Victory Boogie Woogie diagram 221. … Lb7-a6!?

Om zijn voordeel vast te houden moet wit nu 22.d6! doen. Maar de ongelukkige is zich nog van geen gevaar bewust en slaat uit voorzorg (hahaha) de toren op a8.

22. Lc6xa8? Lf6xc3!

Een normaal mens had nu toch onraad geroken, zo niet onze Hennipman:
23. b2xc3? 23. … Dd8-d6 ☺♪!!☼!!♫☺ Victory Boogie Woogie.

Is dit toeval? Waarschijnlijk niet. Ik kom hem gewoon elke zeven jaar een keer tegen.

ES

(eerder gepubliceerd in de Weenink Post)

Pioenrozen

Alles had hij op moeten geven. De bekerwedstrijden met Ton, matten met Ds. Hoopman, de bitterballen van José, de Weenink Post, alles. Nooit meer post van MacDonald’s met een winstpartij van De Roode. Nooit meer bij Ronald thuis tot diep in de nacht de correcties van Vermeulen weer ongedaan maken. Er waren ogenblikken, ‘s nachts, dat hij haar dacht te vermurwen: Als we nu eens samen op Sans Atout gingen, ‘s zaterdags een balletje slaan op Marquette, dan mag jij alleen op wintersport en doe ik mee aan het Hoogovenstoernooi. Maar ze was meedogenloos en hij weerloos. Ooit had hij pionrozen voor haar meegebracht. Zij had toegeeflijk geglimlacht en hem zacht verbeterd. Maar na die betoverende opening, was hij in het middenspel zoals gewoonlijk de draad kwijtgeraakt en nu had hij sterk het gevoel in een verloren eindspel terecht te zijn gekomen, waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Toch had hij het geprobeerd: correspondentieschaak, met zijn kantoor- als postadres. De zetten werden ontstolen aan de zeldzame momenten, dat haar achterdocht verslapte, als ze hoofdpijn had en vroeg naar bed ging en hij achter de computer kroop om “nog wat werk door te nemen”. Natuurlijk had ze het ontdekt, toen hij een keer in slaap was gesukkeld met Fritz in de analysestand en zij kwam kijken waar hij bleef. Wat was ze te keer gegaan. Hij had moeten beloven nooit meer te schaken. Het spelletje vond zij stompzinnig, schakers onbeduidend en hun rituelen primitief. Hij had gezwegen, zei maar niet wat hij van haar vond. Rozen verwelken, schepen vergaan.. de rest was hem ontschoten. Nog één dun draadje verbond hem met zijn oude passie: de door Jan Sinnige clandestien bezorgde Weenink Post, ingenaaid in de Playboy. ‘s Avonds op de bank voor de televisie, als zij zich door het tuinprogramma op de BBC het hoofd op hol liet brengen, las hij, zijn kreten van genot nauwelijks onderdrukkend, over Uylings, Nuijen en Poncin, over dameoffers, doorkijkaanval en aftrekschaak. Totdat, op een keer, het vreselijke was gebeurd. Ze had langs haar neus weg gevraagd wie het model van de maand was en hij had gedachteloos geantwoord: Vandattus. Het was alsof de bliksem tussen hen insloeg. Doodstil hoopte hij dat ze niets gemerkt had. Maar ze was niet achterlijk. Laatst had ze, toen in een woordspelletje alleen de n was ingevuld, onmiddellijk “pantalon innemen” geraden. Nee, haar speldde je niets op de mouw. Ze had zich langzaam naar hem toegekeerd en, terwijl de Playboy Extra onafwendbaar uit zijn handen gleed, zwijgend de afstandsbediening gericht. Opeens wist hij het weer: …maar onze liefde…stamelde hij… Hij zag nog net hoe ze de rode knop indrukte. Door zijn hoofd galmde het honderdvoudig uitvergrote metalen geluid van een vallend vlaggetje. Zo mooi had hij het nog nooit gehoord. Op de televisie kruiste de immer verkouden Geoff Hamilton een Sarah Bernhardt met een Scarlett O’Hara.

ES

(eerder gepubliceerd in de Weenink Post van juni 1995)

De wijzen uit het Oosten

Onderweg vroeg ik Ronald hoe Het Oosten aan zijn naam kwam. Ronald weet alles, maar nu mompelde hij iets van: de wijzen of zo. Wat zeg je Ronald? Nou, de wijzen uit het Oosten. Weet je dat dan niet? Het is bijna kerstmis. Het is geloof ik een afsplitsing van Roland. Nee, Ronald, dat is een anagram, dan kan ik jou wel Arnold noemen, zo komen we niet verder. Kom nou maar mee, zei hij, en loodste me een kerk in.

Binnen in het helverlichte zaaltje stond een lange tafel opgesteld met acht borden. Achter de eerste drie borden zaten drie wijze oude mannen. Ze waren op tijd van huis gegaan en hadden, het wachten moe, de meegebrachte rookwaren zelf maar vast uitgepakt. De andere borden waren nog onbezet. Wij namen plaats en kregen allen een consumptiebon. Nu werden achter de laagste borden van het Oosten vier aan Herodes ontsnapte zuigelingen vastgebonden. Tot zover kon ik het volgen. Toen nam tegenover mij een vierde oude wijze man plaats. Daar sprak het verhaal niet over. Voor ik hiervan de betekenis kon doorgronden was de wedstrijd begonnen.

Mag ik u een consumptie aanbieden, vroeg de vierde wijze oude man, terwijl hij mijn consumptiebon van tafel griste. Ik had moeite mijn zwakke Franse pion, waar hij een begerig oog op had laten vallen, uit zijn handen te houden en kon niet overal tegelijk opletten. Toen hij terugkwam met oliebollen overviel mij een gevoel van naderend onheil, wat al spoedig gepaard ging met hevige maagkrampen. Wees je voorzichtig, had Nanny me nog nageroepen. Weer had ik haar raad in de wind geslagen.

De drie wijzen aan het hoofd van de tafel schoven sereen remise en aan het uiteinde van de tafel werd de motorisch gestoorde vierling alsnog uit zijn lijden verlost. Alleen ik was nog over. De kramp in mijn maag verplaatste zich naar mijn hoofd. De vierde wijze oude man tegenover mij had een klein uiterst modern black en deckertje uit zijn vest gehaald waarmee hij heel praktisch ragfijne gaatjes boorde in mijn Franse pion. Daar blies hij vervolgens de rook van zijn sigaretten doorheen. Aan de wand werd een bord opgehangen met de tekst: Svp niet roken voor halftien in verband met het grote aantal leden. De zaal was bijna leeg. Bovendien was het elf uur.

De weerstand van mijn arme pion was gebroken en met een lichte beweging van zijn hand veranderde de vierde wijze oude man hem in een hoopje as, waar hij onder applaus van de andere drie zijn dame opzette. Wíj waren ernstig gehandicapt aan de laagste vier borden, spraken de wijzen en ze knikten me bemoedigend toe.

Thuisgekomen klopte ik op de deur. Boven stak Nanny haar hoofd uit het raam. Ik heb je gewaarschuwd, riep ze en gooide een slaapzak naar beneden. Achterin de tuin vond ik een plaatsje. In de donkere lucht boven mij probeerde ik door mijn tranen heen een ster te ontwaren. Maar het was regen die mij in het gezicht sloeg.

ES
(Eerder gepubliceerd in de Weenink Post van december 1992)

Niet boos … wel verdrietig

NIET BOOS … maar wel verdrietig, is oom Evert.

Zaterdagmorgen vroeg in de trein gestapt richting Groningen. Mochten de jongens alleen reizen. Nog wat gemene plannetjes bedenken. Zou het allemaal een verrassing zijn. Als hij aankwam, was er misschien al eentje klaar. Had hijzelf vorig jaar niet in elf zetten afgerekend met zo’n Unitasser. Konden ze toch niet op zich laten zitten. Ze zeiden het wel niet, maar hij wist hoe ze over hem dachten. Hoe ze over iedereen dachten, die niet meteen van meesterklasse was. Hún klasse dus zo ongeveer. In de trein begon hij aan zijn nieuwe boek. Kerewin1. E korere Maori ana koe?2 Snapte hij ook al niet. De krant dan maar. De schaakrubriek van Ligterink las hij, zoals hij altijd naar de schaakverhalen van Uylings luisterde. De zetten konden hem gestolen worden. De verbindende tekst, daar ging het om. Zoals die morgen nog, op het stationsplein van Beverwijk: “ja en toen deed ik paardje huppeldepup en toen was hij eigenlijk wel gedwongen tot toren wijk aan zee, wat toevallig een hele goeie was en zo verloor ik, min of meer door eigen genialiteit, want daar was de broek natuurlijk nooit zelf op gekomen”. Even voorbij Harderwijk was hij afgezakt naar de damrubriek van Sijbrands. Tsjonge, wat had die raar gedroomd. Van Clerc (Den Haag) en Misjtsjanski (Donjetsk)3. Dat kon hij ook wel even doen, een tukkie. En zo leek het er even op dat hij die middag met een zelfbedachte variant van het Veluws voor de tweede keer sensationeel inviel. Mooie zeden in Ede zei oom4, en hij speelde de zetten terug tot in de beginstand, waarna zijn tegenstander hem de hand reikte. Het bleek de conducteur te zijn, die zijn dagkaart wilde zien.

De wedstrijd was een half uur oud toen hij binnenstapte. Eerst een rondje langs de borden. Bert Heemskerk zat er wat onwennig bij. Die had ook al zo lang niet meer geschaakt. Een Stonewall5 met verwisselde kleuren. Kon ook niet anders, want Bert had wit. Peter Uylings bracht hem even in verwarring: “verlies ik daar toch een pion”. Maar hij wist wat hem te doen stond. Even kijken en dan, alhoewel hij geen flauw benul had, veelbetekenend glimlachen. Daar had hij zich al jaren mee staande gehouden, dat zou vanmiddag ook nog wel lukken. Zo, maar weer eens verder gekeken. Alle houtjes geteld. Vergiste hij zich nou of stond Paul er echt eentje voor? Haha, die ging dus winnen, dat kon niet missen. De rest stond gelijk. Niets van te zeggen. Vooral niet als niemand hem hielp. Dus maar even aan de bar met Berend gepraat. “Niets van te zeggen hè, Berend?” Berend: “Nou, ik lig er niet wakker van”. Daar kon je tenminste op normaal niveau mee praten.

Terug naar de borden. Dat zag er opeens een stuk minder goed uit. Cees had Slavisch geruild6. En waar er twee ruilen, moet er één huilen. Cees dus. Laurens zat er ook niet vrolijk bij. En dan Alessandro, allemachtig wat kon die sjagrijnig kijken. Alleen Hans, die liep nonchalant rond. Zeker weer zo’n potje gespeeld waarin z’n tegenstander nog net iets oppervlakkiger speelde dan hij. Valse bescheidenheid van een gehalte, daar kon oom nog wat van leren. Even verderop bij Bert Heemskerk miste hij een kwaliteit, maar daar schrok hij niet van, want Bert was zijn tegenstander aan het mat zetten. Met nog een paar seconden op de klok. Even kijken hoe dat afliep. Plichtsgetrouw noteerde hij de zetten voor de wedstrijdleider, die zenuwachtig heen en weer sprong tussen de verschillende tijdnoodduels. Bert haalde het. Bravo. Alleen was het geen mat, maar eeuwig schaak. Voor de andere Bert ook maar een halfje ingevuld. Gebrek aan routine. Allebei. Moesten ze maar wat meer spelen. Nee, dan Paul. Maar wat zat die nou te klooien? Of zag hij het verkeerd. Even afluisteren in de gang wat Pauls tegenstander te melden had. Ja hoor, dat ging mis, als je die jongen mocht geloven. Zouden ze nou waarachtig in Groningen ook al kunnen schaken? Zo werd Weenink nooit kampioen.

Hij begon behoorlijk de pest in te krijgen. Maakte hij daarvoor zo’n reis. Om al die rotzetten te noteren. Hij nam zich voor er geen een te publiceren. Nou eentje dan. Dat vorkje van Hans7. Bij Erik ging hij al helemaal niet meer kijken. Als die in deze vorm naar Clermont Ferrand8 moest, dan kwam ie niet verder dan Waterloo9. Kon ie materiaalcommissaris van de plaatselijke Club d’Echec10 worden. Nee, dit was een verloren middag. Alleen Hendrik en Peter gingen winnen, al hadden ze allebei tegenstanders die eerst mat moesten voordat ze door hadden dat ze verloren stonden. Maar ja, die hadden zo eens rondgekeken en gedacht… Nou moest oom op zijn woorden gaan letten, want hij moest nog een plaatsje in een auto zien te krijgen voor de terugreis en dat kreeg hij natuurlijk niet als hij nu opeens uit zijn rol viel.

Bij de onvermijdelijke Chinees was hij even geschrokken. Had hij niet een keertje doorgespeeld in verloren stelling? En toen zijn tegenstander in slaap gesukkeld was nog bijna gewonnen ook? Dat waren kardinale fouten, begreep hij uit de tafeldiscussie. Schuldbewust verschool hij zich achter zijn gebakken garnalen. Wou er wel in wegkruipen. Nooit meer zou hij te lang doorspelen. Het veiligst kon hij maar meteen bij de eerste zet vragen of hij op mocht geven. Dan hield hij ze misschien nog een tijdje te vriend. Want schaken konden ze.

Nee, oom Evert kan niet boos zijn, maar hij is … WEL VERDRIETIG.

1) Keri Hulme, Kerewin; Sara, Amsterdam 1985.
2) E korere Maori ana koe? Spreek je Maori?
3) Sijbrands, Clerc en Misjtsjanski: dammers.
4) Palindroom: woord of zin die ook van achteren naar voren gelezen kan worden.
5) Stonewall: zwart verdedigingssysteem, niet om door te komen; met wit dus helemaal het toppunt van degelijkheid.
6) Slavische ruilvariant: om te huilen.
7) 30. … Pg3-e2 (met de witte koning op g1 en de witte dame op d4).
8) Stad in midden Frankrijk.
9) Belgisch stadje op de taalgrens: water en l’eau.
10) opmerkelijke opvatting van die Fransen: l’échec = de mislukking; jouer aux échecs = schaken

 

ES

[Weenink Post, jaargang 37 nummer 13, verslag van Unitas-Weenink, 11 januari 1986]