Het beweegt niet

In 1959 wint de Pool Ignacy Branicki het open Nederlands kampioenschap in Dieren. Niemand kent de man. Er zijn wat partijen uit die tijd van hem bekend uit een schaaktoernooi in Israel (Haifa/Tel Aviv 1958) dat door Reshevsky gewonnen werd, maar dat is het wel zo’n beetje. Groot is dan ook mijn verbazing als in 1980 of daaromtrent bij het open kampioenschap van Excelsior in de Schuilhoek ene Branicki meedoet. Ik speel in de eerste ronde tegen een man, die nog kleiner is dan ik. De open Nederlands kampioen van 1959? Ik dacht het niet, want ik win in een opwindende partij. Maar ik ondervraag hem en ja hij is het echt, alleen een beetje ouder inmiddels. Hoe ik hem ken, vraagt hij. Uit Schakend Nederland van twintig jaar geleden, antwoord ik. Ik ben nu zijn vriend en hij bespreekt met mij in een grappig taaltje zijn ideeën over andere regels voor ons spel. Ik versta hem niet zo goed. Het moet begrijp ik flitsender, maar zonder klok, niet zo theoretisch en met voorgiften. De eerste zetten voorgeschreven. Thematoernooitjes. In ieder geval anders. Excelsior lijkt hem daarvoor een heel geschikte club en hijzelf is denkt hij de aangewezen leermeester. Het toernooi vordert en ook wedstrijdleider Van Grootheest heeft een nieuwtje bedacht: een demonstratiebord waarop de stand van een toppartij zal worden bijgehouden. Dat wordt de partij van Branicki tegen Frans Koopman. Na een tijdje zijn daarin tien zetten gedaan. Dat is heel niet slecht. Maar een half uur later nog steeds. Frans is aan zet. Onze nieuwe nestor loopt geagiteerd rond en vraagt mij in het voorbijgaan: kan die partij niet van dat bord worden gehaald? Ik zeg: hoezo? Hij zegt: het beweegt niet. Ik ga kijken wat er aan de hand is. Frans heeft in zijn notatieboekje de zetten in blokjes van tien opgedeeld met aan het eind van elk blokje de streeftijd. Is dat een grap? Doet hij dat altijd? Het is nu al zeker dat hij geen van die tijden gaat halen. Nooit. Hij is in diep gepeins verzonken. Zijn tijdschema boeit hem allang niet meer. Wat hem boeit is de stelling met al zijn mogelijk- en onmogelijkheden. Hier zitten twee romantici tegenover elkaar. Ze hebben het schaakspel lief. Alleen al die regels en de klok, die verpesten de boel, maar voor ieder op een andere manier.

 

ES

(eerder gepubliceerd op de website van Excelsior op 25 maart 2014)

Tegen de regels

Foto gemaakt door Cees Verhoog in de speelzaal van Excelsior (bij voldoende licht…)

Het Witte Paard moest weer eens tegen Excelsior. Daar had het sinds de bekerwedstrijd vorig seizoen nog een appeltje mee te schillen. Het derde team ging dat doen. De rapporten van de Haarlemmer scouts waren klaar en helder. De zwakke stee bij Excelsior was overduidelijk het vierde bord. Daar zat, hoe lang nog, een mannetje, dat kon er echt helemaal niks van. Alles verloren. Nou ja, hij kon er wel wát van, maar alleen als hij uren en uren de tijd kreeg en regelmatig wakker gemaakt werd, maar dat ging niet gebeuren. Het licht in het zijzaaltje was op lekker slaapverwekkend gedraaid .

Laat het ventje daar nou gelijk over gaan zeuren. Een paar jaar geleden had hij daar ook al zo’n vervelend stukje over geschreven. Zogenaamd om te lachen. Maar eigenlijk heel ongepast. Moest alles dan worden uitgelegd? Dat aan het licht in zo’n historisch pand als dat van Het Witte Paard niet getornd kon worden? Dat was al sinds mensenheugenis zoals het hoort, dus gedempt, en de enige concessie aan die eeuwenoude traditie was dat het geen kaarslicht meer was maar elektrisch.

De partij verliep volgens plan. In het begin nog even niet, maar toen alles een beetje op de rails stond en zijn openingsvalletje uitgewerkt was, begon dat afgetobde koppie toch te denken en te denken, niet te kort. Of was hij al weer in slaap gevallen? Zijn vriendelijke tegenstander had expres alleen een drankje voor zichzelf gehaald om hem niet te storen en toen hij weer tekenen van leven vertoonde gevraagd of hij ook wat had gewild. Nee dat wilde de kleine droogkloot niet. Dus maar verder geschaakt. Het feestje kon beginnen. De eerste tijdnood. De ezel bleef gewoon netjes noteren. Moest hij zelf weten. Toen een teamgenoot het van hem wilde overnemen werd daar vanzelfsprekend een stokje voor gestoken. Hij stapelde nu fout op fout maar haalde het.

Ondertussen ging het niet zo goed met de andere Paarden, dus dat laatste punt moest het akelige baasje, dat nu voortdurend remise zat aan te bieden en drankjes zat af te slaan, nog wel even afgepakt worden. Geen probleem: de uitvluggerfase zou ongetwijfeld de verwachte uitwerking hebben. Alle berichten hierover waren eensluidend. De brave borst zou tegen het eind van zijn speelkwartier in paniek alles weggeven en vlak voor het vallen van zijn vlag opgelucht mat gaan of opgeven, met de onbegrijpelijke woorden: gelukkig, net op tijd. Dus toen het vlaggetje tevoorschijn sprong , kwamen alle Witte Paarden verheugd aangegaloppeerd. Maar wat was dat? Het stond aan de verkeerde kant. Wat was er met die klok aan de hand?! Fout! Fout! Fout! Het Witte Paard had verloren!! Dat was niet om te lachen. Alweer niet. En tegen de regels. Of dat misselijke valsspelertje met zijn parmantige commentaartjes zijn consumptiebon nog wilde inwisselen? Nee, gromde zijn tegenstander, hij krijgt helemaal niks meer.

ES

(eerder gepubliceerd op de website van Excelsior op 12 december 2013)

Haiku of tweet

Schakers aan de bar. Er zit niet veel beweging in, net als in hun spel, maar hun gedachten zijn, vooral als ze gestookt worden door duvel en korenwijn, onnavolgbaar. Zo was ik laatst getuige van een uitputtende discussie over twitter en tweet, judo en haiku, en heel verrassend mierikswortel.

Tom bekende een fervent twitteraar te zijn, omdat het voor hem een uitdaging was om in beknopt bestek een boodschap te formuleren. Helder. Frans fulmineerde tegen de belachelijke en volstrekt willekeurige beperking van 140 tekens in een twitterbericht en achtte, niet geheel logisch, de haiku superieur, waarop Jan enthousiast in zijn judoverleden begon te graven. Tom draaide ondertussen bij en verklaarde nu alleen te twitteren omdat zijn klanten dat vroegen, dus om redenen van versatilibility. Ongelofelijk, zeven lettergrepen, de tweede regel van een haiku, wat een techniek! Jan verslikte zich in zijn borrel en liet per ongeluk Anton Geesink door een oude Japanner werpen. Terwijl ik me toch duidelijk herinner dat het andersom was, in Tokio 1964. Geesink ging toen met zijn volle gewicht bovenop ene Kaminaga liggen en stond pas op toen die al lang geen asem meer gaf. Een houdgreep noemde ze dat toendertijd eufemistisch. Maar Jan hield vol en zei dat het in Antwerpen was, dat Geesink als een vogeltje door de lucht zeilde en dat hij het wel even voor wou doen bij mij. Ik kon nog net opzij stappen en zo aan een regelrechte ippon ontsnappen, maar zoniet mijn barkruk, die overtuigend naar de grond ging. Daardoor aangemoedigd betoogde Charly dat twitteren een primitieve vorm van communiceren was en als hij wilde communiceren dan gooide hij wel een baksteen door een ruit, dat was een veel effectievere vorm van communicatie dan een tweet van godbetert 140 tekens. En dat er dus niks boven het menselijk contact ging, kort samengevat dan. En daar waren we het allemaal wel over eens.

Maar hoe het nou zat met die mierikswortel ben ik een beetje kwijt geraakt. En wat nu beter is, een haiku of een tweet? Het is maar hoe je het bekijkt:

Een mierikswortel
vers uit de grond barst van de
vitamine c

(dit is dus een haiku)

maar laat hem niet te lang liggen want dan verliest hij al zijn smaak zegt nanny

(en zo hebben we er een geheel volgeboekte tweet van gemaakt)

ES