Haiku of tweet

Schakers aan de bar. Er zit niet veel beweging in, net als in hun spel, maar hun gedachten zijn, vooral als ze gestookt worden door duvel en korenwijn, onnavolgbaar. Zo was ik laatst getuige van een uitputtende discussie over twitter en tweet, judo en haiku, en heel verrassend mierikswortel.

Tom bekende een fervent twitteraar te zijn, omdat het voor hem een uitdaging was om in beknopt bestek een boodschap te formuleren. Helder. Frans fulmineerde tegen de belachelijke en volstrekt willekeurige beperking van 140 tekens in een twitterbericht en achtte, niet geheel logisch, de haiku superieur, waarop Jan enthousiast in zijn judoverleden begon te graven. Tom draaide ondertussen bij en verklaarde nu alleen te twitteren omdat zijn klanten dat vroegen, dus om redenen van versatilibility. Ongelofelijk, zeven lettergrepen, de tweede regel van een haiku, wat een techniek! Jan verslikte zich in zijn borrel en liet per ongeluk Anton Geesink door een oude Japanner werpen. Terwijl ik me toch duidelijk herinner dat het andersom was, in Tokio 1964. Geesink ging toen met zijn volle gewicht bovenop ene Kaminaga liggen en stond pas op toen die al lang geen asem meer gaf. Een houdgreep noemde ze dat toendertijd eufemistisch. Maar Jan hield vol en zei dat het in Antwerpen was, dat Geesink als een vogeltje door de lucht zeilde en dat hij het wel even voor wou doen bij mij. Ik kon nog net opzij stappen en zo aan een regelrechte ippon ontsnappen, maar zoniet mijn barkruk, die overtuigend naar de grond ging. Daardoor aangemoedigd betoogde Charly dat twitteren een primitieve vorm van communiceren was en als hij wilde communiceren dan gooide hij wel een baksteen door een ruit, dat was een veel effectievere vorm van communicatie dan een tweet van godbetert 140 tekens. En dat er dus niks boven het menselijk contact ging, kort samengevat dan. En daar waren we het allemaal wel over eens.

Maar hoe het nou zat met die mierikswortel ben ik een beetje kwijt geraakt. En wat nu beter is, een haiku of een tweet? Het is maar hoe je het bekijkt:

Een mierikswortel
vers uit de grond barst van de
vitamine c

(dit is dus een haiku)

maar laat hem niet te lang liggen want dan verliest hij al zijn smaak zegt nanny

(en zo hebben we er een geheel volgeboekte tweet van gemaakt)

ES

De man die voor zijn plezier speelde

Indrukken van een toeschouwer

Wijk aan Zee. De eerste twee teams van De Wijker Toren spelen een thuiswedstrijd, dat zijn achttien vaak onbegrijpelijke partijen. Maar dit keer niet, want vrijwel onmiddellijk wordt mijn aandacht getrokken door een man die voor zijn plezier speelt, met alle stukken netjes op hun plaats. Hij kan er niet van af blijven, ook als hij niet aan zet is. Zo, die kan ook nog wat rechter, of zijn tegenstander het niet erg vindt. Nou, die vindt het geen probleem, maar vanaf dat moment gaan de stukken ongemeen zwierig – ik deed het niet met opzet, zou de dader later toegeven – over de velden. Vooral de paarden maken rare sprongen. Niet in toom te houden eigenlijk. Totdat de man die voor zijn plezier speelt er genoeg van heeft. Zo wil ik niet verder spelen, briest hij, ik dien een protest in. De wedstrijdleider moet er aan te pas komen. In ben in tijdnood en alle stukken staan scheef, huilt de man die voor zijn plezier speelt. Op de gang komt hij tot bedaren. Hij zal het nog één keer proberen. De partij gaat verder en de wedstrijdleider staat er nu met zijn neus bovenop. De Wijker Toren is aan zet. Meteen gaat het fout. De paardzet is onberispelijk, het indrukken van de klok ook, maar daarna het extra op zijn plaats zetten van het paard niet. Zie je wel, nou doet hij het weer, roept de man die voor zijn plezier speelt, niet geheel naar waarheid, want hij is zelf degene die dat steeds heeft gedaan. Maar de wedstrijdleider grijpt in. De man die voor zijn plezier speelt krijgt er een minuut bij. Daarmee haalt hij op het nippertje de tijdcontrole en de gemoederen lijken gesust. De paarden springen zoals het hoort en alleen de man die voor zijn plezier speelt zet ze nog wel eens recht nadat hij de klok heeft ingedrukt, maar alleen als er niemand in de buurt is en voor de zekerheid mompelt hij j’adoube. Totdat de Wijker Toren paardwinst mist en vals de zetten herhaalt om te proberen de stelling opnieuw op het bord te krijgen. De man die voor zijn plezier speelt gaat vragen of hij remise mag maken. Dat mag. En zo verliest de man die voor zijn plezier speelt alsnog zijn paard. Nu zijn de rapen gaar. Het winnende paard gaat parmantig en overdreven precies over de velden, maar neemt soms wel een raar omweggetje. Het hoofd van de man die, naar eigen zeggen, voor zijn plezier speelt wordt steeds roder. Hij ontploft. Tegen zo’n galbak speel ik niet verder, verklaart hij en met de wedstrijdleider in zijn kielzog verlaat de man die voor zijn plezier speelde het toneel.

ES

(eerder gepubliceerd op de website van De Wijkertoren, november 2008)

Het Witte Paard

De tweede uitwedstrijd van Castricum 2 dit seizoen was tegen Het Witte Paard 4 in Haarlem. Ik besloot deze keer op eigen gelegenheid te gaan. Op grond van ervaring. Maar al in Heemskerk ging het mis. De trein wilde niet vertrekken. We stonden nog langs het perron. Een jongeman begon heen en weer te lopen in het gangpad. Twee dames spraken elkaar moed in: kijk, dan zijn er altijd weer mensen die niet kunnen blijven zitten, en je doet er toch niets aan, je kan beter rustig blijven zitten, in de auto sta je ook wel eens in de file, zo lang kan het toch niet duren, het helpt je niets als je je druk maakt, waarom zeggen ze niks? De intercom meldde opgewekt dat we een nog niet opgehelderd defect hadden. De jongeman kwam nog iets driftiger langs gebeend. De dames zeiden: zie je wel, een defect, dat is niet erg, dat lossen ze wel op, toch? De jongeman: ik zou d’r maar niet op rekenen, spook. Even later de intercom weer, nu iets minder zonnig: ja sorry hoor, de oorzaak is nog niet gevonden en wat heel vervelend is, de deuren willen ook niet meer open. De jongeman deed nu een gekooide tijger na. Maar niet lang. Scheldend op de Nederlandse Spoorwegen schoof hij een raampje open en begon naar buiten te klimmen, daarbij geholpen door twee meisjes in de trein. Op het perron stond een derde klaar om hem op te vangen. Hij was dus niet alleen. De dames verstomden en keken vol ontzag naar dit tafereel. Halverwege schrok de jongen terug. Zijn hoofd was erdoor, zijn benen hingen nog binnen. Dat was eigenlijk verkeerd om. De twee meisjes duwden, het derde meisje trok. Hij durfde zich niet voorover te laten vallen. En op dat moment was daar weer de intercom met de verheugende mededeling dat het defect was verholpen en dat we gingen rijden. Zie je wel, zeiden de dames. De jongen probeerde zich nu achterwaarts weer naar binnen te werken, waarbij de twee meisjes trokken en het derde meisje duwde. Zijn leren jack stroopte op tot onder zijn kin. Op het laatste nippertje worstelde hij zich uit zijn jack en in de trein. Hij wilde nu de conducteur en de machinist vermoorden. De twee meisjes hadden moeite om hem van dat plan af te brengen, het derde meisje was er met zijn leren jack vandoor. De dames mopperden dat je altijd kalm moest blijven, dan kwam alles vanzelf weer goed. En inderdaad haalden we Haarlem, met horten en stoten, maar net op tijd.

Sociëteit “Vereeniging” aan de Zijlweg 1 in Haarlem. Een prachtig gebouw uit 1923 en een herensociëteit. Wat een ruimte, wat een ambiance en wat een stijl! De lambrisering, de zes meter hoge plafonds, de dikke tapijten op de vloer, de bolvormige lampen hoog boven mijn hoofd, ik dacht dat ik verdwaald was. Maar daar zag ik mijn teamgenoten met onze coach en de opstelling. Alles klopte dit keer. De hockeymeisjes stonden nu achter de bar verrukkelijke drankjes te schenken en helemaal aan de andere kant van deze immense ruimte werd gebiljart. Wij werden allemaal aan aparte tafeltjes gezet met een groen vilten dek, voor de bridgers, maar nu stond er een schaakspel op en naast de geriefelijke leunstoel was een bijzettafeltje aangeschoven voor de drankjes. Onmiddellijk overviel mij een gevoel van grote tevredenheid en terwijl ik achteroverleunde en langzaam wegdommelde op het weldadige ritme van de ouderwets tikkende klok, was het alsof ik in de verte de kerstklokken al hoorde en de geur van vers gebraden kalkoen opsnoof en het enige, dat ik nog wenste, was vrede op aarde en een sigaartje en een cognacje. En ik nam me ernstig voor in het nieuwe jaar weer serieus te gaan schaken, maar nooit meer in spelonken, catacomben of andere akelige ruimtes, en in Wijk aan Zee aan het Corustoernooi mee te doen en nimmer meer remise aan te bieden en meer in het algemeen een beter mens te worden of als dat niet kon dan tenminste een beter schaker.

Halverwege de partij schrok ik op uit mijn overpeinzingen toen ik onnadenkend mijn glas naast mijn bord zette in plaats van op het bijzettafeltje en zo een kring maakte op het groene vilt. Mijn tegenstander riep: “Dat mag niet!” en ik schrok: “O wat doe ik nu”. Ogenblikkelijk stond er een hele kudde witte paarden bij mijn bord, op zoek naar een onreglementaire zet of nog beter een blunder. Ik wees schuldbewust op de kring in het vilt en teleurgesteld droop de kudde weer af, zachtjes schande mompelend.

Mazeppa

Ik hoorde het al niet meer en droomde van vroeger, toen ik een ouderwetse grammofoonplaat had met op de hoes een groot wit paard tegen een woedende rode achtergrond. In mijn hoofd klonk de muziek. Het was een symfonisch gedicht van Liszt en het witte paard was wild en galoppeerde met Mazeppa over de steppen. Mazeppa was een Poolse edelman in de zeventiende eeuw, die het had aangelegd met de vrouw van een andere Poolse edelman en toen was hij naakt (ja de edelman, niet de vrouw van die andere edelman, de verhalen gingen toen anders dan nu), was hij dus naakt vastgebonden op een paard, dat hem in een helse rit helemaal tot in de Oekraïne had gevoerd. En op het eind was hij Kozakkenhoofdman. Dat was nog eens een uitwedstrijd. Trombones, tuba, celli, bassen.

Allemachtig, waar was ik. Kom, ik nam nog maar eens een slok. Opeens bleek ik van het drankje van mijn coach te nippen, die naast mij zat en van hetzelfde bijzettafeltje gebruik maakte. Hij vatte het sportief op. Als ik beloofde niet meer van die rare dingen te schrijven, hoefde ik niet lopend terug, wat hij oorspronkelijk in gedachten had, maar bracht hij me zelfs thuis. Het was immers toch op de route. Hierdoor werd ik zeer geroerd en het was in die gemoedstoestand en ook omdat het nog geen nieuwjaar was, dat ik mijn tegenstander van Het Witte Paard remise aanbood, welk aanbod dankbaar werd aanvaard.

Thuisgekomen vertelde ik mijn verhaal aan Nanny. Van die prachtige zaal met de bijzettafeltjes en de verrukkelijke m…drankjes en van de witte paarden en dat er in Zaandam een club was, die ook zo heette, maar lang zo mooi niet en dat er eens een dwaas stel schakers was, dat in Haarlem moest zijn, maar in plaats daarvan naar Zaandam was gereisd en daar dom dom dom voor een dichte honigkantine had gestaan, maar dat wij dit keer feilloos de weg hadden gevonden en dat ik gedroomd had van Mazeppa en dat de coach niet boos was en me zelfs had thuisgebracht en dat er op de heenreis dit keer, voorzover ik me herinnerde, niets bijzonders was gebeurd… Ze keek mij onderzoekend aan en zei: misschien is het beter als je een tijdje helemaal niet meer schaakt.

 

ES/16/12/2003

Onnavolgbaar

“Zo mannen, zijn we er allemaal? In de wagens dan en eropaf! Heemstede 2, dat wordt een bloedbad.”

Zo’n ploegleider had ik nog niet meegemaakt. Die had er duidelijk de wind onder. Vorig jaar bij het eerste stond je gezellig bij het station te kletsen tot ver na de afgesproken tijd. We misten dan nog minimaal twee man, waarvan de een misschien wel rechtstreeks…of toch niet? Nou, dan ging iemand bellen en een ander ging een invaller achter de televisie vandaan trekken en de auto’s namen nooit dezelfde route en meestal zaten we dan iets te laat maar toch ontspannen achter de borden, want erg serieus was het allemaal niet.

“Voor hun dan.”

Dat hoorde nog bij dat bloedbad. We waren rijkelijk vroeg, vond ik. Het was net kwart over zeven. Iemand vroeg schuchter waar het precies was in Heemstede.

“Iedereen gaat met mij mee of rijdt achter mij aan. Kijk, hier heb ik het stratenboek, zie je die afslag, die moet je dus niet hebben, maar even verder weer wel en als je een bordje Bennebroek ziet, dan ben je te ver.”

Onze ploegleider reed in een Opel. Die volgden we dus een tijdlang, totdat die hele vreemde paden opging en we ons afvroegen of we de goede Opel wel in het vizier hadden. Daar had je mijn huis in de Rossinistraat in Heemskerk. Zou hij vergeten zijn dat ik al in de volgwagen zat en dus niet meer opgehaald hoefde te worden?

Nee we pakten de snelweg, door de tunnel, maar bij Haarlem er weer af. Nou werd het pas goed ingewikkeld. Onze ploegleider testte ons door zijn linker richtingaanwijzer te ontsteken en rechtsaf te slaan. Het bracht ons even in verlegenheid. Maar de opdrachten waren helder, dus we kleefden aan zijn bumper, wat er ook gebeurde. Even verderop deed hij voor de afwisseling zijn rechter richtingaanwijzer aan en sorteerde links voor. Maar er begon zich een patroon af te tekenen. Hij ging nu gewoon rechtdoor. Voorbij de afslag die we niet moesten hebben en voorbij de afslag die we wel moesten hebben en daar had je warempel het bordje Bennebroek.

Hadden we het verkeerd begrepen, moesten we soms uit tegen Zandvoort of misschien Zeebrugge? En waarom knipperde hij steeds met zijn remlicht? Gaf hij ons tekens? Waren het noodsignalen? Eindelijk stuurde zijn boordcomputer ons linksaf. En geloof het of niet: daar had je de velden van RCH, maar dan van de andere kant.

Het was bij achten. Gauw de auto aan de kant en tussen de hockeymeisjes en voetballende jongetjes door naar een vervallen kantine met vergane glorie en oude bekers en foto’s van Johan Neeskens. Dat hadden we niet moeten doen. Want toen waren we hem dus kwijt. En niet een beetje kwijt, echt helemaal spoorloos. Stonden we daar met vier man zonder opstelling en zonder coach. De mannen van Heemstede 2 wreven zich al in de handen.

Maar te vroeg gejuicht. Kwart over acht, daar was hij met in zijn kielzog drie verwilderde mannen, die oost van west niet meer konden onderscheiden en dolblij waren dat ze kaartlezer af waren. Dachten ze. De wedstrijdleider van Heemstede 2 vroeg om de opstelling. Onze ploegleider wendde zich tot een van zijn gewezen kaartlezers en vroeg om de opstelling. De arme ziel wist van geen opstelling. Hij had de hele rit het stratenboek vast moeten houden en dat lag nu in de auto en die auto stond… ja hoe moest hij dat nu uitleggen. Toch geen onredelijke plaats voor …, maar toen hij het zei, zag hij de bui hangen.

“Dat was het stratenboek niet, dat was de opstelling.”

Er begon zich opnieuw een patroon af te tekenen. Maar voordat we het helemaal konden doorgronden was onze ploegleider weer weg. Door het toilet, naar buiten.

“Begin maar vast, ik haal dat stratenboek wel op.”

Riep hij ons toe. Daar stonden we. Met z’n zevenen, maar nog steeds zonder opstelling en opnieuw zonder coach. Maar de opdracht was helder. Dus begonnen we alvast. We kregen elk een consumptiebon. Ik herinnerde me een vorige wedstrijd op deze plek. Een oude man had mij gevraagd of ik trek in koffie had. En toen ik had geantwoord: dat is vriendelijk van u, ja graag, had hij mijn consumptiebon weggegrist en was één koffie gaan halen. Maar dit terzijde. Want na een kwartiertje was onze ploegleider terug. We hadden het vierde bord voor hem open gelaten. Dat was dus schrikken voor Heemstede en helemaal toen onze man een dik notatieboek naast zijn bord legde. Bemoedigend knikte hij ons toe en met een snelle opening probeerde hij ons in te halen.

“Blunder… een blunder….”

HSC ne irrideamurNog geen half uur later. Onze ploegleider liep verwilderd rond in de vervallen kantine met de vergane glorie en de oude bekers en de foto’s van Johan Neeskens. Heemstede 2 wreef zich in de handen. Ne irrideamur, stond er op hun notatieblaadjes. Dat men ons de draak niet steke. Onze coach had even niet opgelet. Ver voorbij Bennebroek was hij nu. Het lachen stond ons nader dan het huilen. Maar de opdracht was nog steeds glashelder. Dus we wonnen de wedstrijd, ondanks onze coach.

Thuisgekomen vertelde ik mijn verhaal aan Nanny. Van de gewonnen partij en onze nieuwe coach en van de oude mannen en de consumptiebon en van Bennebroek en die rare boordcomputer en van de hockeymeisjes…Zij keek bedenkelijk en zei: ik denk niet dat je de volgende keer mee mag.

 

ES/07/10/2003

Victory Boogie Woogie

Ton de Vries is dit jaar coach van het tweede. De eerste wedstrijd onder zijn leiding wonnen we van de onberekenbare Chess Society uit Zandvoort, de tweede was tegen het even geduchte als doortrapte ZSC/Saende 3, maar nu met Ton als speler in plaats van coach. Dat scheelde een slok op een borrel. Het team sloeg zich er manhaftig doorheen en bereikte een wonderbaarlijk gelijkspel. En omdat Ton wel aan zag komen dat hij zijn handen vol zou hebben aan zijn eigen partij (zo’n partij is vaak moeilijker te volgen dan acht van een ander), zouden we dit keer zelf verslag moeten doen van onze capriolen. Dus deden we extra ons best, daarbij geholpen door het toeval. Maar wat is toeval?

Zeven seizoenen geleden speelde ik met Weenink 2 in Zaandam tegen ZSC/Saende 2. Mijn tegenstander was René Hennipman. Hij schaakte beter dan ik en bereikte een gewonnen stelling. Maar met een zetje zo gemeen, dat ik er nu nog kippenvel van krijg, ontfutselde ik hem de partij:

48. … Ta8-h8 ☺♪!!☼!!♫☺

Zo te winnen. Victory Boogie Woogie. Maar dan oneindig veel mooier. De sensatie golfde nog minstens een week lang door mijn hoofd. Het belemmerde mij ernstig in mijn normale bezigheden. Maar erger moet het gesteld zijn geweest met mijn tegenstander, die niet alleen zijn partij, maar ook de wedstrijd voor zijn team had verknald. Zouden we die nog terugzien?

Dit keer speelde Weenink 2 in Beverwijk tegen ZSC/Saende 3. En tot mijn stomme vebazing en ik mag wel zeggen grote blijdschap was mijn tegenstander weer René Hennipman. Het was of we op herhaling waren. Hij schaakte opnieuw beter dan ik en bereikte een gewonnen stelling. Maar ik hecht aan geschiedenis en met een plannetje zo gemeen, dat ik er nu nog kippenvel van heb, ontfutselde ik hem wederom de partij:

 

Victory Boogie Woogie diagram 221. … Lb7-a6!?

Om zijn voordeel vast te houden moet wit nu 22.d6! doen. Maar de ongelukkige is zich nog van geen gevaar bewust en slaat uit voorzorg (hahaha) de toren op a8.

22. Lc6xa8? Lf6xc3!

Een normaal mens had nu toch onraad geroken, zo niet onze Hennipman:
23. b2xc3? 23. … Dd8-d6 ☺♪!!☼!!♫☺ Victory Boogie Woogie.

Is dit toeval? Waarschijnlijk niet. Ik kom hem gewoon elke zeven jaar een keer tegen.

ES

(eerder gepubliceerd in de Weenink Post)

Tempo

Deze keer wil ik het hebben over het begrip tempo.

In het gewone leven betekent tempo gewoon vaart of iets moeilijker: de snelheid waarmee handelingen of gebeurtenissen elkaar opvolgen. Tempo’s kunnen verschillen. Dat werd me al vroeg duidelijk op dansles, toen ik een Weense wals inzette terwijl het een Engelse moest zijn.

Soms is een voorgeschreven tempo onhaalbaar. Op school kregen we gymnastiekles van een gewezen beroepsmilitair. Voordat we aan honkbal of, ik schaam me om het te zeggen, aan hockey toekwamen, moesten we eerst een aantal rondjes om het veld heen rennen. En hoe we ons ook uitsloofden, onze sergeant-majoor Hazenbroek, zo heette hij, bleef maar brullen: “Tempo! Tempo!” en altijd moesten we voor straf nog een rondje extra.

Tempo kan ook iets zijn wat je niet volhoudt. Al heel wat jaren geleden overleed de schrijfster Iris Murdoch. De commentator kon niet nalaten op te merken, dat aan het tempo van een boek per jaar nu dan toch definitief een einde was gekomen. Aan dat tempo mankeerde de laatste tijd toch al wat, omdat zij aan de ziekte van Alzheimer leed. Haar uitgever compenseerde dat onbarmhartig door elk jaar opnieuw “The Sea The Sea” uit te brengen. Dat weet ik allemaal, omdat Nanny een hartstochtelijk fan van de schrijfster was en ik er met geen mogelijkheid doorheen kwam, wat zij mij heel lang kwalijk heeft genomen.

Maar tempo is een relatief begrip, waaraan in deze tijd, waarin records in honderdsten van een seconde worden uitgedrukt, te veel waarde wordt gehecht. Luister bijvoorbeeld naar Willem van Hanegem, die, toen hij aangesproken werd op zijn gebrek aan snelheid, zei: “Het gaat er niet om hoe hard je loopt, het gaat er om dat je op tijd vertrekt”. Ja, dat is bijna filosofisch. En dan zijn er nog mensen, die Willem van Hanegem eigenlijk een beetje dom vinden. Dat is hij dus niet. Hij kent zijn klassieken, in dit geval het verhaal van de haas en de schildpad. De Franse dichter Jean de la Fontaine zei het zo: “Rien ne sert de courir; il faut partir à point” (uit de fabel “Le lièvre et la tortue”).

In de schaakwereld is tempo de vordering per zet, soms gewoon ook een zet. Omdat je om de beurt een zet doet en wit begint, heeft wit in principe steeds even een tempo voorsprong, vandaar het gezegde: wit begint en wint, maar dat is overdreven of in ieder geval niet bewezen. Je kan namelijk ook een tempo verliezen. Als je bijvoorbeeld damegambiet speelt en niet wilt ruilen op d5, dan wacht je tegenstander net zolang met slaan op c4, totdat je je koningsloper van f1 naar d3 speelt. Dan slaat hij, pesterig, alsnog op c4, de loper slaat terug en je hebt dus een schijnbaar overbodige zet met je loper gedaan. Wit verliest een tempo en de rollen zijn omgedraaid, zou je zeggen. Maar is het wel zo handig van zwart om op c4 te ruilen? Van het antwoord op die vraag hangt af of wit echt een tempo verliest of toch niet. Vermakelijk zijn de partijen, waarin geen van beide spelers toe wil geven en het wederzijdse dilemma wordt omzeild met allerlei onnozele zetten. Er worden dan vele tempi gemorst.

Normaal gesproken is het recht om te zetten dus een voordeel. Maar soms is het een aantoonbaar nadeel. Dat is de wereld op zijn kop. Je wilt niet zetten, maar je moet. Je bent in zetdwang. Je wordt, omdat je aan de beurt bent en niet mag passen, verplicht tot het nemen van een tempo en verliest daardoor de partij. Misschien staat wit dus in de beginstand al verloren, wie zal het zeggen.

Helemaal geraffineerd wordt het als een van beide partijen de andere partij in tempodwang kan brengen door het achter de hand houden van een tempo, dat is in dit geval meestal een op zichzelf onbelangrijke pionzet elders op het bord. Het begrip tempo verkeert dan in zijn tegendeel, het wordt op de plaats rust. Willem van Hanegem zou er een meester in zijn, onze sergeant-majoor Hazenbroek zou er niets van begrijpen.

Tempodwang diagram

Tempodwang?

In bovenstaande stelling is wit aan zet. Het lijkt erop dat zwart gaat winnen. Hij heeft namelijk nog een tempo bewaard en dat is niet onbelangrijk in de variant: 40.Kd3 h5 (het beslissende tempo) 41.Kd2 Kb2 42.Kd3 Kc1! 43.c4 Kb2 44.c5 Kb3 45.Kd2 Kc4 46.Ke3 Kc3 enzovoort. Maar speciaal voor de gelegenheid (veertigste zet en wederzijdse tijdnood) heeft wit nog een verrassing in petto.

40. g3-g4!

Een onder deze omstandigheden briljante zet. Ik kan dat rustig zeggen, omdat ik de witspeler persoonlijk ken en weet dat hij er al een paar zetten lang op heeft zitten broeden.

In het beste geval verliest zwart nu op slag de partij: 40… fxg4? 41.h5!! gxh5 42.f5 enzovoort (de witte koning kan er bij, de zwarte niet) en in het slechtste geval is het remise, omdat zwart op miraculeuze wijze zijn extra tempo is kwijtgeraakt.
Inderdaad zien we zwart schrikken en zenuwachtig naar de klok kijken en weer naar het bord. Nog juist bijtijds vindt hij de goede zet.

40. … h6-h5

Nu moet ik tot mijn spijt het begrip kortsluiting nog even kort behandelen. Het is misschien het beste om maar meteen met de deur in huis te vallen en een treffend voorbeeld te geven.

De witspeler ziet zijn hoop op onverdiende winst in rook opgaan, maar denkt nog wel: haha, dat extra tempo is zwart kwijt. En in plaats van een lange neus te trekken, een broodje te nuttigen, met huis te bellen, een korte strandwandeling te maken, immers de veertigste zet is gehaald, en tenslotte de stand van zijn koning nog even te controleren en vooral wie er zo dadelijk aan zet is, besluit hij à tempo de uitkomst van zijn vondst te etaleren.

41. g4-g5???

Na 41.gxh5 gxh5 42.Kd3 Kb2 43.Kd2 Ka3 44.Ke3 Kb3 45.Kd3 zou het remise zijn geweest….

De witspeler, wat zal ik er van zeggen. Bij hem is het niet één draadje, wat los zit, nee, de hele bedrading is aan vervanging toe. Het knettert in zijn hoofd. Hij doet zijn zetten at random. Soms zit er een goede tussen, maar meestal is het om te huilen.

Beeldenstorm

 

Een partijtje uit de Amsterdamse scholencompetitie.

Het is zaterdag 5 oktober 1963. Het miezert. We verzamelen ons in Amsterdam voor het oude schoolgebouw in de Govert Flinckstraat. We gaan nog niet naar binnen, want we wachten nog op Jan Seeleman, die helemaal op de fiets uit Ouderkerk aan de Amstel moet komen. Om beurten bezetten we het eerste bord. We schaken veel, de ene zondag bij mij in Amstelveen, de andere bij hem op de boerderij, waar het lekker naar mest ruikt en je de koffie, alvorens die te drinken, uit het kopje op het schoteltje moet schenken. Wij zijn geabonneerd op de Losbladige Schaakberichten. Hij zit op een schaakclub. Ik niet. Het vorige jaar ben ik door al dat geschaak blijven zitten en daarom mag ik van mijn ouders niet op Zukertort. Als compensatie heb ik voor mijn verjaardag een persoonlijk abonnement op Schakend Nederland gekregen. In de Amsterdamse scholencompetitie worden we steevast tweede achter het ongenaakbare Gereformeerd Gym met zijn veel ervarener en oudere spelers, maar misschien lukt het dit jaar, want hun eerste bordspeler is de afgelopen zomer niet teruggekeerd van een nachtelijke strandwandeling, die dingen gebeuren.

Ik vraag tegen wie we vandaag moeten. Arend Dogterom lacht onbezorgd, hem kan het niet schelen. Op school heeft hij op een kalender bij de datum met “Verwoesting van de Tempel” geschreven: stenen meenemen. Die moet dus bij de rector komen, want van die grappen is ons Christelijk Streeklyceum Buitenveldert niet gediend. Gerbrand van Bolhuis is serieuzer. Met hem ben ik een keer naar Apeldoorn gefietst. Bij de eerste de beste brug, over het Amsterdam-Rijnkanaal, wist ik genoeg: dat wordt helemaal niets. Hij kwam er bijna niet tegenop met zijn damesfiets. Maar in Apeldoorn, daar woonde mijn tante, was ik compleet kapot, maar hij peddelde vrolijk door naar Enschede, waar die van hem woonde. Een doorzetter. Daar heb je dus wat aan. Hij zegt: Ignatius College. Ik denk: dat is katholiek en ik herinner me zomaar het verhaal van mijn moeder, die, toen ik in de box lag, de pastoor op bezoek kreeg met de vraag waarom ik nog niet gedoopt was. En toen mijn moeder zei dat ze Luthers was, waar hij niet van onder de indruk was, en dat mijn vader gebroken had met de katholieke kerk, wat wel aankwam, sprak de pastoor, ook niet op zijn mondje gevallen, een heuse vloek over mij uit: dit kind zal in zonde opgroeien, waar mijn moeder later nog wel eens aan terug moest denken en ik ook.

Inmiddels zijn we volledig en we gaan de donkere stenen trappen op. Binnen zien we de broers Bödicker, Kuiper, Vogel, Nathan en enfant-terrible Kareltje Odink. Die krijgen we een andere keer. Nog een geluk dat Robbie Hartoch niet op een behoorlijke school zit, want daar zouden we een zware dobber aan hebben. Ik heb al eens van hem verloren op een paastoernooi in de oude Rai. Ik oefen niet genoeg, ben te gemakzuchtig. Valletje in de opening, gauw mat zetten, dat vind ik leuk. Het moet niet te lang duren. Jan Seeleman is beter. Hij heeft vandaag wit op het eerste bord. Ik dus zwart op het tweede.

Zie mijn partij (alles gaat aan diggelen): Beeldenstorm

Na afloop fietsen we naar huis. We hebben die katholieken verslagen. Petrosjan is wereldkampioen en we gaan thuis mijn verjaardag van een paar dagen eerder vieren. Ik heb “The Freewheelin’ Bob Dylan” met daarop “Blowin’ in the Wind” gekregen. We hebben geen idee van wat er komen gaat.

ES

(eerder gepubliceerd in de Weenink Post van december 1997)

 

Pioenrozen

Alles had hij op moeten geven. De bekerwedstrijden met Ton, matten met Ds. Hoopman, de bitterballen van José, de Weenink Post, alles. Nooit meer post van MacDonald’s met een winstpartij van De Roode. Nooit meer bij Ronald thuis tot diep in de nacht de correcties van Vermeulen weer ongedaan maken. Er waren ogenblikken, ‘s nachts, dat hij haar dacht te vermurwen: Als we nu eens samen op Sans Atout gingen, ‘s zaterdags een balletje slaan op Marquette, dan mag jij alleen op wintersport en doe ik mee aan het Hoogovenstoernooi. Maar ze was meedogenloos en hij weerloos. Ooit had hij pionrozen voor haar meegebracht. Zij had toegeeflijk geglimlacht en hem zacht verbeterd. Maar na die betoverende opening, was hij in het middenspel zoals gewoonlijk de draad kwijtgeraakt en nu had hij sterk het gevoel in een verloren eindspel terecht te zijn gekomen, waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Toch had hij het geprobeerd: correspondentieschaak, met zijn kantoor- als postadres. De zetten werden ontstolen aan de zeldzame momenten, dat haar achterdocht verslapte, als ze hoofdpijn had en vroeg naar bed ging en hij achter de computer kroop om “nog wat werk door te nemen”. Natuurlijk had ze het ontdekt, toen hij een keer in slaap was gesukkeld met Fritz in de analysestand en zij kwam kijken waar hij bleef. Wat was ze te keer gegaan. Hij had moeten beloven nooit meer te schaken. Het spelletje vond zij stompzinnig, schakers onbeduidend en hun rituelen primitief. Hij had gezwegen, zei maar niet wat hij van haar vond. Rozen verwelken, schepen vergaan.. de rest was hem ontschoten. Nog één dun draadje verbond hem met zijn oude passie: de door Jan Sinnige clandestien bezorgde Weenink Post, ingenaaid in de Playboy. ‘s Avonds op de bank voor de televisie, als zij zich door het tuinprogramma op de BBC het hoofd op hol liet brengen, las hij, zijn kreten van genot nauwelijks onderdrukkend, over Uylings, Nuijen en Poncin, over dameoffers, doorkijkaanval en aftrekschaak. Totdat, op een keer, het vreselijke was gebeurd. Ze had langs haar neus weg gevraagd wie het model van de maand was en hij had gedachteloos geantwoord: Vandattus. Het was alsof de bliksem tussen hen insloeg. Doodstil hoopte hij dat ze niets gemerkt had. Maar ze was niet achterlijk. Laatst had ze, toen in een woordspelletje alleen de n was ingevuld, onmiddellijk “pantalon innemen” geraden. Nee, haar speldde je niets op de mouw. Ze had zich langzaam naar hem toegekeerd en, terwijl de Playboy Extra onafwendbaar uit zijn handen gleed, zwijgend de afstandsbediening gericht. Opeens wist hij het weer: …maar onze liefde…stamelde hij… Hij zag nog net hoe ze de rode knop indrukte. Door zijn hoofd galmde het honderdvoudig uitvergrote metalen geluid van een vallend vlaggetje. Zo mooi had hij het nog nooit gehoord. Op de televisie kruiste de immer verkouden Geoff Hamilton een Sarah Bernhardt met een Scarlett O’Hara.

ES

(eerder gepubliceerd in de Weenink Post van juni 1995)

De wijzen uit het Oosten

Onderweg vroeg ik Ronald hoe Het Oosten aan zijn naam kwam. Ronald weet alles, maar nu mompelde hij iets van: de wijzen of zo. Wat zeg je Ronald? Nou, de wijzen uit het Oosten. Weet je dat dan niet? Het is bijna kerstmis. Het is geloof ik een afsplitsing van Roland. Nee, Ronald, dat is een anagram, dan kan ik jou wel Arnold noemen, zo komen we niet verder. Kom nou maar mee, zei hij, en loodste me een kerk in.

Binnen in het helverlichte zaaltje stond een lange tafel opgesteld met acht borden. Achter de eerste drie borden zaten drie wijze oude mannen. Ze waren op tijd van huis gegaan en hadden, het wachten moe, de meegebrachte rookwaren zelf maar vast uitgepakt. De andere borden waren nog onbezet. Wij namen plaats en kregen allen een consumptiebon. Nu werden achter de laagste borden van het Oosten vier aan Herodes ontsnapte zuigelingen vastgebonden. Tot zover kon ik het volgen. Toen nam tegenover mij een vierde oude wijze man plaats. Daar sprak het verhaal niet over. Voor ik hiervan de betekenis kon doorgronden was de wedstrijd begonnen.

Mag ik u een consumptie aanbieden, vroeg de vierde wijze oude man, terwijl hij mijn consumptiebon van tafel griste. Ik had moeite mijn zwakke Franse pion, waar hij een begerig oog op had laten vallen, uit zijn handen te houden en kon niet overal tegelijk opletten. Toen hij terugkwam met oliebollen overviel mij een gevoel van naderend onheil, wat al spoedig gepaard ging met hevige maagkrampen. Wees je voorzichtig, had Nanny me nog nageroepen. Weer had ik haar raad in de wind geslagen.

De drie wijzen aan het hoofd van de tafel schoven sereen remise en aan het uiteinde van de tafel werd de motorisch gestoorde vierling alsnog uit zijn lijden verlost. Alleen ik was nog over. De kramp in mijn maag verplaatste zich naar mijn hoofd. De vierde wijze oude man tegenover mij had een klein uiterst modern black en deckertje uit zijn vest gehaald waarmee hij heel praktisch ragfijne gaatjes boorde in mijn Franse pion. Daar blies hij vervolgens de rook van zijn sigaretten doorheen. Aan de wand werd een bord opgehangen met de tekst: Svp niet roken voor halftien in verband met het grote aantal leden. De zaal was bijna leeg. Bovendien was het elf uur.

De weerstand van mijn arme pion was gebroken en met een lichte beweging van zijn hand veranderde de vierde wijze oude man hem in een hoopje as, waar hij onder applaus van de andere drie zijn dame opzette. Wíj waren ernstig gehandicapt aan de laagste vier borden, spraken de wijzen en ze knikten me bemoedigend toe.

Thuisgekomen klopte ik op de deur. Boven stak Nanny haar hoofd uit het raam. Ik heb je gewaarschuwd, riep ze en gooide een slaapzak naar beneden. Achterin de tuin vond ik een plaatsje. In de donkere lucht boven mij probeerde ik door mijn tranen heen een ster te ontwaren. Maar het was regen die mij in het gezicht sloeg.

ES
(Eerder gepubliceerd in de Weenink Post van december 1992)

Niet boos … wel verdrietig

NIET BOOS … maar wel verdrietig, is oom Evert.

Zaterdagmorgen vroeg in de trein gestapt richting Groningen. Mochten de jongens alleen reizen. Nog wat gemene plannetjes bedenken. Zou het allemaal een verrassing zijn. Als hij aankwam, was er misschien al eentje klaar. Had hijzelf vorig jaar niet in elf zetten afgerekend met zo’n Unitasser. Konden ze toch niet op zich laten zitten. Ze zeiden het wel niet, maar hij wist hoe ze over hem dachten. Hoe ze over iedereen dachten, die niet meteen van meesterklasse was. Hún klasse dus zo ongeveer. In de trein begon hij aan zijn nieuwe boek. Kerewin1. E korere Maori ana koe?2 Snapte hij ook al niet. De krant dan maar. De schaakrubriek van Ligterink las hij, zoals hij altijd naar de schaakverhalen van Uylings luisterde. De zetten konden hem gestolen worden. De verbindende tekst, daar ging het om. Zoals die morgen nog, op het stationsplein van Beverwijk: “ja en toen deed ik paardje huppeldepup en toen was hij eigenlijk wel gedwongen tot toren wijk aan zee, wat toevallig een hele goeie was en zo verloor ik, min of meer door eigen genialiteit, want daar was de broek natuurlijk nooit zelf op gekomen”. Even voorbij Harderwijk was hij afgezakt naar de damrubriek van Sijbrands. Tsjonge, wat had die raar gedroomd. Van Clerc (Den Haag) en Misjtsjanski (Donjetsk)3. Dat kon hij ook wel even doen, een tukkie. En zo leek het er even op dat hij die middag met een zelfbedachte variant van het Veluws voor de tweede keer sensationeel inviel. Mooie zeden in Ede zei oom4, en hij speelde de zetten terug tot in de beginstand, waarna zijn tegenstander hem de hand reikte. Het bleek de conducteur te zijn, die zijn dagkaart wilde zien.

De wedstrijd was een half uur oud toen hij binnenstapte. Eerst een rondje langs de borden. Bert Heemskerk zat er wat onwennig bij. Die had ook al zo lang niet meer geschaakt. Een Stonewall5 met verwisselde kleuren. Kon ook niet anders, want Bert had wit. Peter Uylings bracht hem even in verwarring: “verlies ik daar toch een pion”. Maar hij wist wat hem te doen stond. Even kijken en dan, alhoewel hij geen flauw benul had, veelbetekenend glimlachen. Daar had hij zich al jaren mee staande gehouden, dat zou vanmiddag ook nog wel lukken. Zo, maar weer eens verder gekeken. Alle houtjes geteld. Vergiste hij zich nou of stond Paul er echt eentje voor? Haha, die ging dus winnen, dat kon niet missen. De rest stond gelijk. Niets van te zeggen. Vooral niet als niemand hem hielp. Dus maar even aan de bar met Berend gepraat. “Niets van te zeggen hè, Berend?” Berend: “Nou, ik lig er niet wakker van”. Daar kon je tenminste op normaal niveau mee praten.

Terug naar de borden. Dat zag er opeens een stuk minder goed uit. Cees had Slavisch geruild6. En waar er twee ruilen, moet er één huilen. Cees dus. Laurens zat er ook niet vrolijk bij. En dan Alessandro, allemachtig wat kon die sjagrijnig kijken. Alleen Hans, die liep nonchalant rond. Zeker weer zo’n potje gespeeld waarin z’n tegenstander nog net iets oppervlakkiger speelde dan hij. Valse bescheidenheid van een gehalte, daar kon oom nog wat van leren. Even verderop bij Bert Heemskerk miste hij een kwaliteit, maar daar schrok hij niet van, want Bert was zijn tegenstander aan het mat zetten. Met nog een paar seconden op de klok. Even kijken hoe dat afliep. Plichtsgetrouw noteerde hij de zetten voor de wedstrijdleider, die zenuwachtig heen en weer sprong tussen de verschillende tijdnoodduels. Bert haalde het. Bravo. Alleen was het geen mat, maar eeuwig schaak. Voor de andere Bert ook maar een halfje ingevuld. Gebrek aan routine. Allebei. Moesten ze maar wat meer spelen. Nee, dan Paul. Maar wat zat die nou te klooien? Of zag hij het verkeerd. Even afluisteren in de gang wat Pauls tegenstander te melden had. Ja hoor, dat ging mis, als je die jongen mocht geloven. Zouden ze nou waarachtig in Groningen ook al kunnen schaken? Zo werd Weenink nooit kampioen.

Hij begon behoorlijk de pest in te krijgen. Maakte hij daarvoor zo’n reis. Om al die rotzetten te noteren. Hij nam zich voor er geen een te publiceren. Nou eentje dan. Dat vorkje van Hans7. Bij Erik ging hij al helemaal niet meer kijken. Als die in deze vorm naar Clermont Ferrand8 moest, dan kwam ie niet verder dan Waterloo9. Kon ie materiaalcommissaris van de plaatselijke Club d’Echec10 worden. Nee, dit was een verloren middag. Alleen Hendrik en Peter gingen winnen, al hadden ze allebei tegenstanders die eerst mat moesten voordat ze door hadden dat ze verloren stonden. Maar ja, die hadden zo eens rondgekeken en gedacht… Nou moest oom op zijn woorden gaan letten, want hij moest nog een plaatsje in een auto zien te krijgen voor de terugreis en dat kreeg hij natuurlijk niet als hij nu opeens uit zijn rol viel.

Bij de onvermijdelijke Chinees was hij even geschrokken. Had hij niet een keertje doorgespeeld in verloren stelling? En toen zijn tegenstander in slaap gesukkeld was nog bijna gewonnen ook? Dat waren kardinale fouten, begreep hij uit de tafeldiscussie. Schuldbewust verschool hij zich achter zijn gebakken garnalen. Wou er wel in wegkruipen. Nooit meer zou hij te lang doorspelen. Het veiligst kon hij maar meteen bij de eerste zet vragen of hij op mocht geven. Dan hield hij ze misschien nog een tijdje te vriend. Want schaken konden ze.

Nee, oom Evert kan niet boos zijn, maar hij is … WEL VERDRIETIG.

1) Keri Hulme, Kerewin; Sara, Amsterdam 1985.
2) E korere Maori ana koe? Spreek je Maori?
3) Sijbrands, Clerc en Misjtsjanski: dammers.
4) Palindroom: woord of zin die ook van achteren naar voren gelezen kan worden.
5) Stonewall: zwart verdedigingssysteem, niet om door te komen; met wit dus helemaal het toppunt van degelijkheid.
6) Slavische ruilvariant: om te huilen.
7) 30. … Pg3-e2 (met de witte koning op g1 en de witte dame op d4).
8) Stad in midden Frankrijk.
9) Belgisch stadje op de taalgrens: water en l’eau.
10) opmerkelijke opvatting van die Fransen: l’échec = de mislukking; jouer aux échecs = schaken

 

ES

[Weenink Post, jaargang 37 nummer 13, verslag van Unitas-Weenink, 11 januari 1986]