Vleermuis 57


Met alles rekening gehouden…


De wedstrijd tegen de Koningsclub Bergen is in sportief opzicht het hoogtepunt in de geschiedenis van Weenink. Wekenlang had de “hulpkoots athok” de ballon opgepompt tot die wel móest klappen. Het knappe was dat dat precies op het goede moment gebeurde: op zaterdagmiddag 11 mei 1985 in de Wijckermolen.

In de maanden daarvoor had hij de Koningsclub hinderlijk gevolgd en nauwlettend geanalyseerd. Hij wist wie er wel en wie er niet zouden spelen. En wat er moest gebeuren: Play the man – not the board! Bij al onze spelers legde hij voor het slapen gaan Simon Webb’s Chess for Tigers onder het hoofdkussen.

“The Tiger is a vicious beast. He doesn’t care about the aesthetic side of chess. He doesn’t even care about making the ‘best’ moves. All he cares about is winning. Do you want to win more games? Then become a Tiger.”

Hij zei het ook nog een keer in begrijpelijke taal: “Luister goed. Ik zeg alles maar één keer. Begin bij de sloomheid van Kuligowski, de bril van van der Sterren, de moederbuik van Hartoch, de notatieneurose van Marcus, enzovoort”. Eerst de man en dan pas de bal.

Minstens zo prikkelend waren de rekenkundige prognoses waarmee Bram Janssen de bespiegelingen van de hulpkoots, die in ogenblikken van twijfel, als hij in zijn korfbalverleden groef en daaruit de hoop putte dat als je maar genoeg oefende en het vaak genoeg probeerde de bal vanzelf een keer door het mandje ging, laten we zeggen nuanceerde. Samengevat kwam het erop neer dat Weenink met 2,02 tegen 7,98 zou verliezen en dat de kans op een goed resultaat (gelijkspel of kleine overwinning) één procent was. Onthutsend?

Onmiddellijk gingen de gedachten uit naar Donner, die toen hem werd gevraagd hoeveel procent kans hij dacht te maken in zijn tweekamp tegen Ree (Nederlands kampioenschap 1971) zei, hij deed alsof hij het uitrekende: negenennegentig. En na de match die hij verloor, hij zocht naar een fatsoenlijke verklaring: ja, je moet met alles rekening houden, net dat ene procent is er nou uit gekomen.

https://www.jadoube.nl/schaken/weenink-koningsclub/

Net dat ene procent …

Vleermuis 56


Met vlag en wimpel

In het seizoen 1983/1984 debuteerde Weenink in de eerste klasse KNSB. Aanvankelijk met schrik in het hoofd en de benen werden de eerste twee potjes (uit tegen Amersfoort en thuis tegen Bussum) dik en dik verloren. Met acht twee en zeven drie maar liefst. Maar in de derde wedstrijd wierp Weenink de schroom van zich af en won het in Leiden met 7½-2½ van LSG. Zeven en een half. Dat smaakte naar meer. Ik meldde me aan als supporter en reisde met het team mee naar Enschede. Dat mocht. Als ik beloofde een verslag te schrijven.

Weenink Post jaargang 35 nummer 11

De treinreis was ver en niet zonder zorgen. Zou Weenink er in slagen de vierpionnenwedstrijd tegen Esgoo in zijn voordeel te beslissen? Als je Jan Sinnige moest geloven, dan hing het eersteklasserschap af van deze ene wedstrijd. Het Leidens ontzet had de schrik van de eerste twee nederlagen, tegen Amersfoort en Bussum, kennelijk nog niet geheel weggenomen.

Bijna een uur te vroeg kwam de ploeg in Enschede aan, hetgeen teamleider Berend Pluim nog even de gelegenheid gaf wat verfijningen in de opstelling aan te brengen. Rien Aalbregt zou debuteren op het negende bord, terwijl Erik Schoehuijs zonder bril op het achtste bord (Ha acht…) op adem mocht komen van de psychologische klappen, die hij met behulp van zijn Nederlandse lerares (…dame!) had trachten af te weren.

Hotel Modern bleek het eigendom te zijn van de vierdebordspeler van Esgoo. Waarschijnlijk was dat de reden dat hij meespeelde, want de strijd was nog maar net begonnen of hij gaf als goed gastheer Bert van der Zijpp een paard cadeau. Hinnikend schoof Bert de partij uit.

Ondertussen had Rien Aalbregt vliegensvlug remise gemaakt, met toestemming overigens van Berend, die dit mooi meegenomen vond. Later zou Rien zich de haren uit het hoofd trekken, toen hij zag hoe de Esgoo-spelers één voor één hun verkreukelde notatieformulieren over de balustrade wierpen als ze maar even iets in de weg werd gelegd.

Op het eerste bord raakte Haitsma, de tegenstander van Hendrik Koopman al na twaalf zetten (uit een matchpartij Korchnoi-Spassky, Belgrado 1977) de weg kwijt, waarna hij uiteindelijk met een kleine petit-combination (de woorden van onze kopman), dus zeer subtiel, aan de nul werd geholpen. Dat prikkelde Peter Uylings zodanig dat hij met behulp van Tsjigorin ijlings de vloer aanveegde met zijn bange tegenstander Okkes. Het nadeel hiervan was dat hij (Peter) er niet over uitgepraat raakte. Tegelijkertijd gaf in de achterhoede Cees Doevelaar onze Alessandro di Bucchianico (wat een ongelijke strijd) een paard ten geschenke. Alessandro had Russisch geopend en bedankte de gulle gever beleefd en na de partij nog eens hartelijk voor dit geschenk.

Daarmee was een tussenstand van 4½-½ in het voordeel van Weenink bereikt en de steeds geestdriftiger dreunen van Berend op mijn schouder deden mij verlangen naar slechter tijden.

Het was tijd geworden om met kuchen en smekende blikken in de richting van zijn klok Nico Kok tot grotere spoed aan te zetten. Het spel van Nico was weer als vanouds: een schatkamer boordevol met de schitterendste ideeën, waarvan alleen de sleutel nog even gevonden moest worden. In de extra minuut die de spelers tegenwoordig krijgen lukte dat nog net op tijd.

Aan het achtste bord speelde Erik naar eigen inzicht een magistrale partij, waar zijn tegenstander ook maar de helft van begreep, en dus werd het remise. Het wordt tijd dat Erik weer net zo slordig gaat spelen als vroeger en gewoon tevreden is met kwaliteitswinst.

Drie partijen waren nog aan de gang en de roep “tien!tien!tien!” werd steeds luider, waaruit moge blijken dat het zelfvertrouwen bovennatuurlijke proporties begon aan te nemen. En inderdaad, er was nog van alles mogelijk: Paul Bierenbroodspot bracht met zijn koning de allerlaatste pion naar de overkant, terwijl zijn paard de vijandelijke loper afhield, en Hans Nuijen voerde bekwaam zijn eindspel van toren, loper en pluspion tot winst.

Maar Ben Otten spande de kroon. Zijn tegenstander was al na twintig zetten in hevige tijdnood geraakt en noteerde niet meer. Ben was even in moeilijkheden geweest, omdat hij met zijn dame op a4 een pionnetje had opgehaald, wat hem er eentje op f7 had gekost, maar ja, dat is van nature een zwakke broeder, dus daar zat hij niet mee. Op vriendelijk verzoek van de wedstrijdleider noteerde Ben de zetten, waaronder een paar erg slechte van zijn kant. Hierdoor geholpen haalde zijn tegenstander op het nippertje de veertigste zet, waarna hij onmiddellijk een uur lang in gepeins verzonk. Een remiseaanbod werd door Ben met een blik op de klok afgeslagen. Bovendien stond hij slechts één pionnetje achter en de stand in de wedstrijd vereiste dat hij doorspeelde, zou hij later verklaren…

Hij won twee pionnetjes en stond er nu dus één voor. Opnieuw moesten er twintig zetten in een minuut gedaan worden. Op vriendelijk verzoek van de wedstrijdleider noteerde Ben de zetten, op zijn knie. Hierdoor opgejaagd haalde zijn tegenstander de achtenzeventigste (!) zet, alvorens zijn vlag viel. Op zoveel zetten had ik trouwens niet gerekend, zodat de zetten niet alleen op de knie van Ben, maar ook op de binnenkant van mijn hand, arm, enzovoort stonden, wat betekende dat de wekelijkse wasbeurt uitgesteld zou moeten worden tot na de analyse.

Dit alles had de Esgoo-speler niet onberoerd gelaten en nadat opnieuw een remiseaanbod van hem afgeslagen was, zette hij mopperend de klok stil en brak af. Ben liet hem rustig begaan, riep nadat de envelop verzegeld was de wedstrijdleider en claimde vriendelijk winst wegens tijdsoverschrijding. Hij had nog vijf kwartier op de klok en als zijn tegenstander die erbij nam, dan zouden, defecten nagelaten, onherroepelijk vlag en wimpel vallen. De wedstrijdleider trapte erin en daarmee was de eindstand bepaald op 9-1. Waarop Jan Sinnige tegenover de verblufte Twentenaren verklaarde, dat Weenink aanvankelijk wat aanpassingsmoeilijkheden had gekend in de eerste klasse, maar nu het juiste ritme te pakken had.

De terugreis verliep voorspoedig en zonder zorgen.

De Weenink-spelers op 10 december 1983 in Enschede waren: Hendrik Koopman, Peter Uylings, Hans Nuijen, Bert van der Zijpp, Paul Bierenbroodspot, Ben Otten, Nico Kok, Erik Schoehuijs, Rien Aalbregt en Alessandro di Bucchianico. Voor de goede orde: Ben Otten heet nu Colleen Otten. Zij schaakt nog steeds. Evenals Peter, Paul, Nico, Erik en Alessandro. Schakers gaan lang mee. Van de Esgoo-spelers (Anne Haitsma, Menno Okkes, Henk Bernink, Gerard Grotenhuis, Ton Binnendijk, Jan Hondebrink, Bert Jongsma, Hans van Bekkum, Bertus Bremer en Cees Doevelaar) weet ik het niet zo precies.

Vleermuis 55


Wie is Vandattus?

Jarenlang bezocht een schuinsloper de Weenink Post. Waar Ha acht Dame fijntjes fileerde, daar had je Vandattus die woest te keer ging en pseudoniem scalpeerde. Proestend en snuivend schopte hij alles overhoop en iedereen voor zijn kont. En het liefst maakte hij dus iedereen een kopje kleiner. Hij was onder ons. Maar wij wisten niet wie hij was, raadden maar wat. Of zagen wij iets over het hoofd?

Weenink Post jaargang 35 nummer 11

BOOS

Ik beboos. Ben ontzettend boos. Ik ben godvergemes boos! Schrijf in afgemeten zinnen. Komt mijn boosheid beter uit. Lees je nog wel? Lees dan verder! Over boos. Wat is het? Het is dit. En het kwam zo. Goeroe Hen-drik schrijft heen. Discipel E-rik terug. Oogt puik. Als z’n schaakspel. Maar dan! Het begint zeer, zeer goed. “De heer H Koopman.” De heer Koopman. Voel je ‘m? Delicaat en toch beschaafd. Krijg er bijna eriktie van. Dan, als het al bijna vastgepakte stuk: “Beste Henk.”

Beste Henk??? In één klap dame kwijt. Partij verloren. Huil. Teneur, tendens en trend ontkracht! Erik toch! Hoe kon je? Hendrik rijp voor Willibrordusstichting. Had al ‘n fruitmand in m’n hoofd. Kan ik daar wel laten zitten nu. Laat-ie bijna Hendriks bilspleet zien. Wij, van Weenink, al gegeten en gedronken! Gaat-ie zijn kont likken! Beste Henk! Begrijp je dan nooit iets van het schaakspel? Je hoefde nog maar één ding te doen. Rondgaan met de collectebus. Maar in plaats daarvan? Beetje amicaal doen. Minderwaardigbrilspelletjes zitten doen! Ben je nu helemaal van achteren genomen?

Luister. Volgende keer moet het anders. Je observeert HK. Je constateert dat achterlijke schudden. Zogenaamd concentratie. Onder het spel. Vraag of-ie daar mee wil stoppen. Zo niet, dan zeg je het tegen Vandattus. Of je maakt hem écht bang. Gaan we straks allemaal zo knikkebollen. Wedden dat-ie groen aanloopt? Of, fijne Erik, Hans, Nico en volgende laf uitgezochte slachtoffers: lees wat aandachtiger Jan Blokker. S-a-v-o-u-r-e-e-r zijn mening. Over gogologen en aanverwante kruisingen. Bevrijd jezelf en lach eens kriek! Zielo-loog! Ja ja, drie-hoog met een boog. Zonder vangnet. Wie is van hout? Swami bami Hendrikineesi.

Wie is van dat dus?
Uw eigen Sjaan Foudraal

We konden niet genoeg krijgen van deze schuinsmarcheerder, zolang hij zijn rotjes maar in iemand anders zijn broekzak stopte. We dachten slim te zijn en begonnen elkaar wijs te maken dat we het heel misschien wel wisten of in ieder geval vermoedden, maar dat we echt niks gingen zeggen, want als het dan niet waar was dan werden we de volgende keer zelf te kakken gezet. En als het wel waar was ook. Totdat iedereen het zogenaamd wist. En dus hadden we de schelm nog steeds niet te pakken.

Vleermuis 54

Ha acht Dame verknipt en ingekort (1983-1984)

De stukjes “Ha acht Dame” van Hendrik Koopman werden door de meesten van ons verslonden en door sommigen gevreesd. De leden van het eerste tiental van Weenink kwamen bij hem allemaal ongevraagd op de sofa terecht, maar niet ieder slachtoffer vond dat even leuk, hoewel slechts een enkeling dat toegaf. Het is wel de reden waarom ik hieronder in een versnipperd overzicht bijna alle namen afgeplakt of weggeknipt heb, want er werd naast behoorlijk gek geschoren soms ook meedogenloos raak geschoten. En ook wel eens niet. Dus wordt het (na zoveel jaar) voornamelijk gissen. Tenminste, dat hoop ik, want anders vrees ik repercussies, of van de schrijver of van een wellicht geraakte.


Weenink Post jaargang 35 nummer 6

… Op verzoek van een groot aantal fans, waarvoor mijn dank, hervat ik mijn werkzaamheden als columnist. Het is natuurlijk bekend dat het clubblad van VHS lange tijd zeer gewild was vanwege mijn bijdragen. Ik heb vanzelfsprekend wel een vaste plaats geëist in dít clubblad. Bovenaan bladzijde 2 lijkt mij het meest geschikt. Vóór Vandattus. Beter voor beiden…


Weenink Post jaargang 35 nummer 16

… De schaakstijl van een bedaarde veertiger. Rustig, positioneel van goed niveau, zeer grote kennis van openingszaken, maar ook wat angstig, te voorzichtig en terughoudend. Op zijn leeftijd hoor je niet steeds in eindspelen te geraken. Een Uylings (ai…niet weggelakt) had op die leeftijd nog nooit een eindspel op het bord gehad! Maar hij heeft één troost. Het verstrijken der jaren werkt in zijn voordeel. Zijn spel zal steeds meer in overeenstemming komen met zijn leeftijd …


Weenink Post jaargang 35 nummer 11

… Denkt u dat ze denken? Ik denk van niet. Volgens mij denken ze niet. Volgens mij zitten ze gewoon lekker te suffen. Een zware werkdag zit erop. Het was vermoeiend. Het weekend was zwaar met al die visite en activiteiten. Reikhalzend kijken ze uit naar hun enige echte vrije avond in de week. De dinsdagavond. De schaakavond is als de ochtendkrant, maar dan langer. Lekker dicht bij de verwarming. De ogen op oneindig. Net doen of je denkt. Genotvol slurpend aan de koffie. Dan weer lekker duffen. Geen gezeur aan je kop. Mensen zwijgen omdat ze denken dat je denkt. Het tikken van de schaakklok. Het huiselijke tikken van de breipennen van Hetty. Je speelt Franse verdediging of Caro-Kann. Dan hoef je niet te denken. De eerste uurtjes zijn voor jou. Lekker kalm. Sjablone na sjablone. De ene na de andere. Laat hem maar komen …


Weenink Post jaargang 35 nummer 23

… Hij was er al bang voor. Dat het ter sprake zou worden gebracht. Dat het onder de aandacht zou komen. Helaas kan ik niet anders. Ik moest. Ik heb zitten denken, me suf zitten piekeren. Hoe anders? Hoe het te omzeilen? Steeds keerden de gedachten als door een magneet getrokken naar dat ene alles bepalende kenmerk: het brilletje.
Zeg nou zelf. Karakteristieker kan het niet. De brilstand! Slechts door dat ene aspect geboeid. Met zo’n voorzetsel kan het ook nauwelijks anders. Hij kijkt door een remise de wereld in. Frits van Turenhout (ai…). Jarenlang presenteerde hij op zondagmiddag op radio en later via tv voetbaluitslagen. Steeds zat ik er en genoot. Nec-nac-nul-nul. Heerlijk. De verfijnde uitspraak. De subtiele magere l. Nul-Nul, O-O.
Maar zó kom je er niet jongen. Wil je advies? Een schaker behoort zich op zijn minst vierkante glazen aan te meten! En voor jou, heel apart, het montuur in de vorm van een paardensprong. Wèg evenwicht. Een nieuwe wereld gaat voor je open …


Weenink Post jaargang 35 nummer 8

… en opeens werd mijn oog getroffen door een aantal kunstwerken. Steenhard, zwart, glanzend en zwanger van symboliek. Ronduit verrassend was de daaropvolgende aanblik van de schepper van deze kunstwerken. Geflankeerd door twee geweldig mooie vrouwen. Ze vraten hem bijna op. Ongegeneerd namen zij bezit van de kunstenaar en zijn creaties. Ik wendde mij af. Het deed pijn. Hij was niet meer te redden. Hij kwam handen te kort. Later achter het schaakbord eveneens …


Weenink Post jaargang 35 nummer 7

… Kunt u het nog volgen? Nou ik al niet meer! Hij denkt zoals hij schaakt. Schematisch en bij de eerste aanblik schijnbaar logisch. Staan we echter wat langer stil bij zijn ideeën en spel dan ervaren we onmiddellijk de geringe diepgang. Zo vergeet hij voor het gemak dat een “psychologische zet” beantwoordt dient te worden met psychologische tegenzet. Wanneer bijvoorbeeld remise wordt aangeboden in een vroeg stadium van de partij past slechts één houding. U blijft uw koele blik onveranderlijk aan de 64 velden gekluisterd houden en hult u in stilzwijgen. U zit daar onbeweeglijk als een sfinx. Ongenaakbaar. In deze pose volhardt u verscheidene minuten. Vergeet onderwijl niet te genieten van de gedaanteverwisseling van uw tegenstander. Het glimlachje waarmee het remiseaanbod vergezeld ging is al lang van zijn lippen verdwenen. Er is algehele onrust voor in de plaats gekomen. Onrustig schuiven op de stoel. Zijn ogen schieten herhaaldelijk richting u en ze zullen boekdelen spreken. Heeft hij me soms niet gehoord? Moet ik mijn aanbod herhalen, maar dan wat luider? Ik zei het toch duidelijk genoeg geloof ik? Waar zit hij nou naar te kijken? En net als uw tegenstander de ondraaglijk geworden spanning tracht te verminderen door op te staan en wat te gaan lopen voert u uw zet uit. Soepel en zelfverzekerd. U staat vervolgens zelf op van het bord en blijft even staan. Hoog toornt u uit boven uw tegenstander. U kijkt op hem neer en snuift even minachtend. Vervolgens begeeft u zich de speelzaal in op zoek naar Uylings (ai…), die op dat moment ongetwijfeld rond zal lopen, voor een ontspannen inhoudsloze babbel. De overwinning is nog slechts een kwestie van tijd. Meer diepgang dus. Duidelijk? …


Weenink Post jaargang 35 nummer 9


… Ik zie de foto nog helder voor me. Kampioenschap van Heemskerk 1981. Een foto van de kampioen uit 1980. Zwart wit. Een tikkeltje zweem door de uitvergroting. De spelers van Excelsior konden hun ogen er niet van af houden. Telkenmale kwamen ze weer even kijken. Eigen kweek. Schouderklopje. Bemoedigend toespreken. Tuindersjongen. Een van hen. Eenvoudig gebleven. Zelf was hij eveneens herhaaldelijk bij de tafel met de foto te vinden. Zich spiegelend gelijk Narcissus. Toch moet ik bekennen dit een goede eigenschap te vinden. Een schaker die niet met zichzelf is ingenomen zal het nooit ver schoppen. Er dient onwrikbaar geloof te zijn in eigen kunnen …


Weenink Post jaargang 35 nummer 14

… Drie jaar terug. Het eerste schot voor de boeg. Stug verdedigen. Hij pakt een pionnetje. Gaat er op zitten. Nooit meer terug gezien. Geluk dacht ik toen. Ik had gewaarschuwd moeten zijn. Een bloedhond laat nooit meer los. Steeds weer die hatelijk terugkerende nul. Voor mij wel te verstaan. Hij staat bovenaan mijn dodenlijstje. Bovenaan staat hij. Dikke rode lijnen rond zijn naam. Zijn naam. Zijn beeltenis. De bleke gelaatstrekken. Zijn magere gestalte. De handen steeds verborgen in de broekzakken. Wegkijkend. Hij combineert als een krant en speelt als een egel. Maar ik moet bekennen: een egel met erg veel gevoel voor het spelletje. Vooral als er gevaar dreigt. Opgerold, met zijn stekeltjes uit, wacht hij op de aanval. Drie keer stootte ik als jonge hond mijn neus en droop jankend af. Nu heb ik de remedie. Geduld. Wachten is het devies. Een schoteltje melk ter verleiding. Tot hij dorst krijgt en zijn verdediging verlaat. Dan is hij kwetsbaar en zal ik toeslaan …



Weenink Post jaargang 35 nummer 24

… Talloze varianten worden in hoog tempo getoond. Getoond, want denk niet dat je de kans krijgt met je handen de stukken te beroeren. Op vaardige wijze verdwijnen de stukken van het bord. Zeer logisch ook … op het eerste gezicht. Ik denk dat het vooral komt door de vele slagwisselingen. Hij pakt eerst die, dan moet die worden geslagen, die moet zo worden teruggewonnen want als je zo terugneemt wordt die gepakt en staat gelijk die ook in…. De mond van de verbouwereerd toekijkende tegenstander zakt steeds verder open. Allemaal gedwongen. Daar had hij totaal geen vermoeden van gehad. En toch… Iets binnenin mij fluisterde: nee, dit kan het niet zijn. Te primitief. Waar blijft het tussenschaak, de subtiele tussenzet, de tempodwangsituatie of de “stille”? Toen daagde het mij. Het was geen schaken. Het was dammen. Slaan verplicht. Meerslag gaat voor. Hij speelt recht voor zijn raap dammen. De stenen kunnen alleen naar voren. Pion g2-g4. Als je die pion niet vast lijmde kan je er vergif op innemen. Hij kan er met zijn fikken niet van afblijven. Kamikaze Uiltje. Hij heeft inmiddels rijles (ai…).



Vleermuis 53

Op 9 december 1981 bestaat Weenink 50 jaar. Naar aanleiding daarvan verschijnt er een jubileumboekje, samengesteld en vormgegeven door Frans Koopman, in een oplaag van 250 exemplaren.

Het bevat “zo om en nabij” de geschiedenis van 50 jaar Weenink, van 1931 tot 1981. Elk rechtgeaard Weenink-lid bezit een exemplaar. Die hoef ik dus niets te vertellen. Toch heb ik er één verhaaltje uit gepikt. Het is een wedstrijdverslag. Eentje naar mijn hart. Het vijfde van Weenink speelt met TIEN man tegen VHS. Toen nog wel. Je hebt er geen bord bij nodig. Dat is niet erg. De zetten kunnen me gestolen worden. Let op de namen. Keymans, Vogel, Schoof en Pruis. Die wil je toch niet tegenkomen? Daar is geen woord Frans bij. En een neuriënde Koopman. Bij hem dan weer wel. Maar wie is narretje?

Quintet? Narretje is een grappenmaker. En VHS schrot. Toen al.

Vleermuis 49

Max Euwe Centrum (Amsterdam 2020)

Vorige week was ik in het Max Euwe Centrum in Amsterdam. Dat werd tijd. Ik was er nog nooit geweest. En dat terwijl ik zeer gecharmeerd ben van de Nieuwsbrief die het Centrum uitgeeft. Ik was de enige bezoeker en ik werd overladen met uitleg over het centrum en bedolven onder de anekdotes. Het kostte me door deze hartelijke ontvangst de grootste moeite om de bibliotheek te bereiken.

Gelukkig had ik bij binnenkomst al wel de foto’s van Lennart Ootes gezien. Maar toen ik vervolgens langs een tentoonstelling van schaakcomputers (voor het merendeel lelijke apparaten), schaakklokken (al een stuk interessanter) en het leven van Max Euwe (geef mij maar een boek) was geleid, liep ik stuk op een vitrine met een schaakbord met de eindstelling van de match Euwe-Aljechin in 1935.

Dat is dus nep. Toevallig heb ik er in 1935 met mijn neus bovenop gestaan en dat bord en die stukken zagen er toen toch echt heel anders uit. Alleen de stelling klopt wel zo’n beetje. En wie heeft die rare letters en cijfers op de rand geplakt? Dat kan echt niet. Dammers lachen zich rot. Die kunnen zonder. Aljechin en Euwe konden dat ook.

Vleermuis 38

Het schaken staat op een miserabel laag pitje. Het kaarsje van zaterdagteam SC Bakkum is inmiddels uitgewaaid. Er wordt naar lucifers gezocht. Maar gaat de KNSB ons in september nog iets bieden? Bestaat de schaakbond nog wel? Bij mij zijn de schaakstukken in quarantaine gegaan. Ze hebben liever niet dat ik ze aanraak. Voor mijn eigen bestwil, zeggen ze. Dus houd ik mij bezig met de onvoorstelbare hoeveelheid schaakfoto’s van de afgelopen tijd. Bijvoorbeeld van het Tata Steel Chess Tournament begin dit jaar in Wijk aan Zee. Tjonge, wat hebben we daar een geluk gehad! Nog net voor het carnaval uit. En misschien wel voor de laatste keer.

Ondertussen lees ik dat het Max Euwe Centrum Eline Roebers heeft uitgeroepen tot schaaktalent van het jaar. Zo, denk ik dan: je hoeft het dus zelf niet te hebben, talent, je kunt er wel oog voor hebben. Ik probeer haar vaak te fotograferen zonder dat ze het merkt. Alleen lukt dat vrijwel nooit. Ze is slimmer dan ik en houdt me in de gaten. En er zitten te vaak te veel andere mensen omheen. Zoals ook hier. Een zaal vol. En bijna allemaal in de risicogroep of daartegenaan zo te zien. De wat oudere talenten dus. De man met het witte haar (ja wie?) die ken ik niet. Paul Harmse met het geruite hemd (ja welk?) die ken ik wel, want hij is van Castricum. En Sernin van de Krol die is nog jong, rijzende ster in het gilde van schaakarbiters volgens het Noordhollands Dagblad. Hij grijpt zo min mogelijk in. Dus wat we hier zien is bijzonder.

Vleermuis 29


Koningsclub–Castricum

Een paar weken geleden kwam Piet van Wonderen van de Schaakvereniging Castricum bij mij langs gefietst met het clubblad “De Schaakbode” van december 1982. Dat was naar aanleiding van mijn verhaal over de wedstrijd van Weenink tegen de Koningsclub in 1985. Ook Castricum had (een beetje) dwarsgelegen op het pad dat de Koningsclub voor zichzelf hakte op weg naar boven, getuige het verslag van Jo Clarijs.

Verslag

In de Kennemer Sporthal te Haarlem moesten wij tijdens de grote schaakhappening op 16 oktober 1982, ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan van de NHSB, aantreden tegen de “profclub” van Pagel.

Vorig jaar speelde ons tweede achttal tegen hen en het werd in eigen huis 0-8! Bij deze gelegenheid schreef Rob Hartoch in het Parool van 27 februari 1982 onder meer “De Koningsclub van de heer Pagel uit Bergen, uitkomend in de eerste klasse van de Noordhollandse Schaakbond, zet zijn opmars naar de hoofdklasse van de KNSB gestadig voort. Verrassend is dit geenszins, want ons eerste achttal bestaat uit louter internationale (groot)meesters en subtoppers!”

Nu verloor de Koningsclub in de promotieklasse tegen Castricum meteen al 2½ punt in één wedstrijd en dat zullen ze niet leuk gevonden hebben! Het werd 7½-2½ met twee verliespartijen en één remise, die Rob Hartoch aan het eerste bord zelf aanbood!

Trouwens, hun organisatie was in het begin al slecht. Een kwartier na de gongslag stonden er drie borden, waar ze als “thuisclub” zelf voor moesten zorgen! Na een half uur wachten waren er nog maar acht borden en waarom werden hun klokken niet aangezet? Nu, die waren er niet! Een speech van de heer Pagel of van de wedstrijdleider Marcus kon er niet af, evenmin als een gratis consumptie! Dat zijn de heren profschakers bij ons in De Kern wel anders gewend. Maar Pagel schijnt naar werd gezegd de hele happening in Haarlem te hebben bekostigd! Dus alles maar vergeven, maar niet vergeten, want we willen deze heroïsche strijd van onze eigen amateurs graag vastleggen, compleet met partijen.

R. Hartoch – Hans Molenbroek ½-½; J. de Lange – Ger Holsteijn 1-0;
P. van der Weide – Cas Amende 0-1; J. Marcus – Robert van der Wal 1-0;
D. van Geet – Fred Kok 1-0; H. Wieringa – Kees Lute 1-0;
A. de Savornin Lohman – Willem Pool sr. 1-0; B. Gutman – Willem Meijer 1-0;
P. Coen – Gerard Baars 1-0; J. van der Zwan– Jo Clarijs 0-1;

Ook al wonnen de profschakers zeven partijen, gemakkelijk ging het niet! Alleen Baars ging na een misser in de opening snel ten onder. Maar Holsteijn, Van der Wal, Pool en Meijer hielden lang stand, evenals Lute. Fred Kok had snel een eindspel met lichte stukken tegen Van Geet en één pion minder, die hij niet terugzag en na lange strijd verloor ook hij. Amende en Clarijs hadden aan het eind van de avond plotseling gewonnen, terwijl Molenbroek dus allang klaar was met remise.

Partijen

Jo Clarijs verslaat een tegenstander die kennelijk geen remise mag maken van zijn baas en vervolgens ernstig de weg kwijt raakt. Het commentaar bij de zetten is (op één voorbeeld na) weggelaten, het vertekent de zaak te veel in het voordeel van zwart. En aan het eind, zo tussen de veertigste en vijftigste zet, zullen beide spelers in tijdnood zijn geweest: de wederzijdse fouten stapelen zich dan op. Maar het uiteindelijke resultaat mag er zijn.

(Over Clarijs, hij is er jammer genoeg al een tijdje niet meer, heb ik ergens eens het volgende stukje gelezen en bewaard. Het gaat over een optreden tijdens het Corustoernooi van 2006 en het misstaat hem niet: “J.C. Clarijs, een 84-jaar oude, gezonde en stijlvolle heer met een enorme liefde voor het spel. Hij schijnt veel openingskennis te hebben, maar is kennelijk ook tactisch sterk én niet bang: in een eerdere ronde heeft hij een groepslid van het bord geofferd vanuit de opening. Binnen het uur werden er twee stukken op de koningsstelling geworpen en kaboem!”)

*

Maar dit keer steelt Cas Amende toch echt de show. Hij stijgt boven zichzelf uit. Zijn op papier veel sterkere tegenstander (het verschil is meer dan 450 ratingpunten) komt er eigenlijk niet aan te pas. Het commentaar van de witspeler (en in sommige gevallen van Clarijs) heb ik laten staan, omdat het hier hout snijdt.

In de Amoriaan

Wil Ersson

In de Moriaan, tijdens het Hoogovenstoernooi van 1983, laten vier Excelsiorianen zich ernstig ringeloren. Ersson weet niet wat hij hoort (“Mevrouwtje wat kan u goed schaken”) en ziet (“Berends baard die ‘s morgens nog strijdlustig had gestaan hing nu verslagen omlaag”). Vol verbazing doet hij verslag.

Op de eerste dag van het Hoogoventoernooi ben ik samen met Bron en Ruiter naar Wijk aan Zee gereden. Onderweg sprak Bron ons moed in en wees op het feit, dat een overwinning op de eerste dag een stimulans voor het verdere toernooi zou zijn. Ik ben daar zelf wel in geslaagd, maar beide anderen niet. Zij hadden vrouwelijke tegenstanders getroffen. Nu is dat op zichzelf niet zo erg, maar de voorzitter, die zich anders bij een nederlaag de hevigste zelfverwijten maakt, verklaarde met een dromerige blik dat een nederlaag op de eerste dag niet erg was. En terwijl hij met zwevende stappen wegliep meende ik hem zachtjes “Een beetje verliefd” te horen neuriën.

Maar hoe zat het met Ruiter? Was hij ook voor vrouwelijke charmes gevallen? Zij had de aanvallige leeftijd van 85 jaar en speelde al mee toen Ruiter nog in de schoolbanken zat. Maar ja, je weet maar nooit. Er zijn mannen die voor oudere vrouwen vallen, dus waarom onze Kees niet. Ik kwam net op het moment dat hij haar wilde feliciteren met de overwinning. Met honingzoete stem zei hij: “Mevrouwtje, wat kan u goed schaken”. Waarop de Old Lady vinnig antwoordde: “Ja, wat had je dan gedacht”. Het was duidelijk, als er sprake was van romantiek, dan niet van haar kant.

‘s Avonds in de auto naar huis dacht ik het zijn gewoon een paar sukkels die niet kunnen schaken. Maar toen wist ik nog niet wat het lot nog voor Excelsior in petto had, namelijk dat onze twee clubkampioenen ook zouden sneuvelen tegen twee mooie dames.

Het volgende slachtoffer was Schmit. Nu hadden wij ons in de loop van de week al zorgen gemaakt, dit was niet onze oude Evert die daar met afwezige blik in de ogen achter het bord zat, hij leek wel betoverd. Op de dag dat hij tegen haar spelen moest, leerde één blik op het bord, tijdens de opening al, dat het mis moest gaan. Dit was niet zijn befaamde vierpionnenspel, maar één of ander romantisch gambiet. Toen ik later op de middag nog eens ging kijken was zijn stelling een ruïne. Terwijl zijn koning in doodsnood verkeerde en hijzelf in blessuretijd speelde, deed hij op a- en b-lijn de meest vreemdsoortige pionzetten. Na zijn nederlaag was het duidelijk: hij moest hier weg. De voorzitter stapte daarom vastberaden op hem toe en zei met krachtige stem: “Kom Evert, we gaan naar huis, er is nog plaats in de auto”. Maar Evert antwoordde, terwijl hij naar zijn overwinnares op blikte: “Nee, wij blijven nog wat analyseren”. De betovering was nog niet verbroken.

De volgende dag ben ik even gaan kijken of er nog meer Excelsior-leden tegen dames moesten spelen. Het was er gelukkig nog maar één: Berend. Over hem maakten wij ons niet ongerust. Deze koele harde vechtjas, gestaald in vele correspondentiepartijen, zou nog niet stuk gaan al ging Vanessa zelf achter het bord zitten. Zondagmorgen toch nog even voor de zekerheid gevraagd wat hij er zelf van dacht. “Winnen: zei hij, en hij stak zijn baard strijdlustig naar voren. Gerustgesteld begon ik aan mijn eigen partij.

Toen ik na een uurtje naar Berend keek, viel het mij op dat hij met stralende ogen en charmant lachend achter het bord zat. Van de grimmige vechter die hij anders is viel niets meer te bekennen. Ongerust stond ik op, zou hij nou toch ook … Maar hoe zijn gemoedstoestand ook was, zijn stelling was prima. Verliezen was uitgesloten. Dat dacht ik tenminste, maar toen ik even later weer eens keek, stonden er al enkele clubleden vol ongeloof en verbijstering rond zijn bord.

Ik ging kijken wat er aan de hand was en hoorde haar met een stem, die een ijsberg had doen smelten, “schaak” zeggen, waarna ze met een lieve glimlach heel zijn koningsstelling opruimde. Berends baard die ‘s morgens nog strijdlustig had gestaan hing nu verslagen omlaag. Maar dat was maar voor even. Toen schudde hij haar elegant de hand en maakte haar in bloemrijke taal complimenten over haar spel. Waarop zij met een verrukt stemmetje antwoordde: “O, je krijgt een pilsje van me”, waarop ze samen verdwenen uit het strijdgewoel.

Eén ding is mij wel duidelijk: sommige leden staan wel hun mannetje, maar niet hun vrouwtje!


De andere afleveringen in deze serie:

Excelsior ingebonden
Jus d’orange
Sightseeing de Zaanstreek
De man met de broodjes
Hij dacht geloof ik met computer te doen te hebben
Open Heemskerks schaakkampioenschap 1982
Koningsclub het snoepje van het jaar

Voor Excelsior, schakers sinds 1955, maar nu niet meer

Koningsclub het snoepje van het jaar

Koningsclub 2 komt op bezoek bij Excelsior. Daar hebben we naar uitgezien. Twee jaar geleden zijn we Koningsclub 1 net misgelopen, omdat we degradeerden uit de eerste klasse, maar nu kunnen we ons hart gaan ophalen aan Koningsclub 2. Berend van Maassen hoopt op Rob Hartoch, ik op Hébert Perez Garcia, want die heb ik een maand eerder in Amstelveen een poepje laten ruiken. Maar het loopt anders.

Koningsclub het snoepje van het jaar

Koningsclub heeft gerommeld met de opstelling. Wat een stelletje struikrovers. Rob Faase bezet het achtste bord en ene D. Gurevich acteert op het zevende. Dmitry Gurevich? Zijn ze bang voor ons? Nee, toch niet, want op het vijfde bord zit iemand die geen flauw benul heeft waarom ze hem hebben meegenomen. Onze Kees Ruiter kan zijn geluk niet op.

Het verslag

Op 8 november 1982 trad Excelsior 1 aan tegen de Koningsclub 2.

Het werd me het avondje wel. In het begin deden we het nog heel aardig. Vos leek stand te houden tegen Rob Faase op het achtste bord, Meijer had op bord drie Wim Boom een pionnetje ontfutseld, voor Perez Garcia was er bij Van Maassen geen doorkomen aan en Schmit bracht langzamerhand Wieringa tot wanhoop en in tijdnood. Maar toen begon het Excelsior-bolwerkje te kraken. Bron had heel onvoorzichtig een remiseaanbod geplaatst en daarmee zijn tegenstander overduidelijk geïrriteerd. Hij kon dus als eerste inpakken. Daarna volgden Van Grootheest, Wolterbeek en uiteindelijk ook Vos. Dat was 0-4 en een catastrofe hing in de lucht. Maar de rest hield stand!

Meijer was de eerste die scoorde. Hij had dus een pion gewonnen, maar kwam door zijn achterstand in ontwikkeling toch in moeilijkheden. Hij verdedigde zich echter kranig, net zolang tot zijn tegenstander er geen gat meer in zag en, iets te vroeg, in remise berustte.

Van Maassen brak aan het eerste bord af in betere stelling. Perez Garcia, die de hele partij geen enkele serieuze winstpoging had gedaan, bood remise aan, maar dat werd niet geaccepteerd.

Een bord verder dacht Schmit aan opgeven, maar werd daarvan, naar later bleek terecht, door verstandiger lieden weerhouden. Het kostte hem wel nachtenlang analyseren en alles voor niets, want er zou gearbitreerd worden, maar dat vertrouwde hij maar half.

En dan Ruiter, maar dat is een verhaal apart (zie verderop). Op het vijfde bord vloerde hij de zwaargewicht Twiss met een perfecte heupzwaai. Weliswaar werd de partij afgebroken, maar dat was slechts een flauwe grap.

Een paar weken later rolde de uitslag van de arbitragecommissie bij Berend in de bus: Cees Ruiter gewonnen, Berend en Evert remise.

Gedetailleerde uitslag Excelsior 1 – Koningsclub 2:
Berend van Maassen-Hébert Perez Garcia ½-½; Evert Schmit-Helmer Wieringa ½-½;
Piet Meijer-Wim Boom ½-½; Ben Bron-J. Wittebrood 0-1; Kees Ruiter-J. Twiss 1-0;
Aart van Grootheest-G. Kleber 0-1; Martin Wolterbeek-D. Gurevich 0-1;
Piet Vos-Rob Faase 0-1;
totaal 2½-5½

Partijen

Berend van Maassen speelt met zwart een prima partij. Zijn twaalfde zet b7-b5! is berensterk. Perez Garcia speelt op kousenvoeten. Ze komen beiden in tijdnood. Dan mist Berend een kans om zijn tegenstander met b5-b4! pijn te doen. In plaats daarvan wikkelt hij af naar remise.

Evert Schmit vertilt zich op het tweede bord aan de veel te moeilijke opening en staat na vijftien zetten al verloren. Dan ziet zijn tegenstander Wieringa een opgelegd kwaliteitsoffer over het hoofd. Of hij ziet er vanaf. Want ook daarna neemt hij er zijn gemak van. Heel langzamerhand vecht de witspeler zich dan terug in de wedstrijd. Totdat het rond de dertigste zet weer gelijk staat. Tijdnood doet hem alsnog bijna de das om, maar de arbitragecommissie redt ons met een verbazend diep inzicht.

Op het derde bord houdt Piet Meijer met zwart Wim Boom in toom. In de opening krijgt hij een pion maar daar staat wat ongemak tegenover. De strijd gaat lange tijd gelijk op, maar tegen het eind moet zwart toch nog even alle zeilen bijzetten om de veilige haven te bereiken.

Ruiter

Tegen Koningsclub 2 viel Ruiter op het vijfde bord in voor Brantjes. Tegenover hem nam de kolossale figuur van Twiss plaats. Ruiter, niet in het minst geïmponeerd, wenste hem succes en begon toen opgewekt aan zijn partij en Twiss z’n sigaretten.
Onmiddellijk na de opening al moet Twiss in slaap zijn gevallen en het valt in Ruiter te prijzen dat hij geen overdreven pogingen deed om hem wakker te maken. Hij schoof wat met zijn loper heen en weer (van c8 naar g4, terug naar c8, toen maar eens naar b7, terug naar c8, en o ja, d7 hadden we nog niet gehad). Intussen had Twiss al zijn pionnen op de koningsvleugel dromerig naar voren geschoven en een paardoffer op g5 geplaatst.
Ruiter deed of zijn neus bloedde, bietste nog maar eens een sigaret en liet het paard de hele verdere partij staan waar het stond. Twiss begon toen heel naar te dromen. Ruiter zette een aanval in op de damevleugel en toen zijn tegenstander tenslotte wakker schrok, was het te laat. Ruiter galoppeerde door de witte linies dat het een lust had en maakte een volle toren buit, waarna de partij pro forma afgebroken werd.

Het eind van de partij is gereconstrueerd. Ruiter komt na afloop na enig nadenken nog tot 35 zetten en merkt dan laconiek op: “de zesendertigste zet is spoorloos”.


Eén Koningsclubspeler was van ver gekomen met een taxi en had in Heemskerk de Schuilhoek niet meteen kunnen vinden. En niemand had hem geholpen. Nee, zeiden wij, wat dacht je. De Schuilhoek, die houden wij liever geheim.



Voor Excelsior, schakers sinds 1955, ze konden er wat van

Jus d’orange

In het clubblad van november 1982 komt Kees Ruiter terug op een partij die hij in mei van dat jaar met Excelsior heeft gespeeld in Bloemendaal (“Ruiter scoorde een half punt. Op weg naar huis zat hij bij Berend in de auto stilletjes na te genieten. Het regende en de ruitenwissers deden het niet. Niemand zag wat. Het deerde hem niet. Hij had een leuke partij gespeeld”). Een paar maanden later heeft hij alsnog spijt van die remise. Volgens hem had er meer ingezeten. Maar meteen daarop pakt hij dan uit met een schitterend verhaal met daarin de onverbeterlijke zinsnede “ik hou hem wel overeind”.



Jus d’orange

Nu ik toch aan het schrijven ben, moet de volgende anekdote aan de vergetelheid ontrukt worden.

Ersson en ondergetekende togen naar een toernooi in Heerhugowaard. Mijn brood in een plastieke zak en een pak jus d’orange. Later kwam Erssons brood, heerlijke krentenbollen, er ook bij. Van de jus d’orange had ik het driehoekje er al afgeknipt met de gedachte: ik hou hem wel overeind.

Om negen uur vertrokken we uit Beverwijk en na een kwartier gereden te hebben, doemden de silhouetten van deze stad weer voor onze verbaasde ogen op. Lakoniek merkte Ersson op: “Ben toch te vroeg linksaf gegaan, maar jij zit ook nog te maffen”.

In Heerhugowaard aangekomen en wij ons naar het tafeltje begeven om op te geven, werd de plastieke zak, nergens meer aan denkende, door mij plat neer gelegd en er natuurlijk gelijk een grote golf jus d’orange uitvloog. Verschrikt naar de heren kijkende, maar die vertrokken geen spier. Zeker ook nog te vroeg voor hun.

Na zo’n vier ronden was het pauze en werden de broodjes uit de zak gehaald. Maar och arme, de krentenbollen dropen van het heerlijke vocht en werd mij een vernietigende blik toegeworpen, want de resultaten waren ook niet denderend.

C. Ruiter


Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

Open Heemskerks schaakkampioenschap

De vierde editie van het open Heemskerkse schaakkampioenschap in 1981 werd gewonnen door Hendrik Koopman. In 1982 zou hij dit kunststukje nog eens herhalen. Hij werd daarmee de opvolger van Jan Smit (winnaar in 1978) en Erik Schoehuijs (winnaar in 1979 en 1980).

Open Heemskerks schaakkampioenschap 1981

Op de overzichtsfoto zien we achtereenvolgens Bram Janssen, Frans en Hendrik Koopman, een sensatie die even in de lucht hing, Ronald Maat, Nico Kok, Hendrik Koopman, Hugo Faber, Ron de Brie, Hans Nuijen, Hendrik Koopman en Ben Bron die de Beker overhandigt

De basis voor zijn kampioenschap legde Hendrik Koopman in de eerste ronde, waarin hij Hans Nuijen versloeg. Zijn tegenstanders in de tweede en derde ronde, Piet Meijer en Ronald Maat, bleken kansloos. Pas in de vierde ronde werd hij weer op de proef gesteld. In een boeiende partij, waarin hij door een torenoffer een onstuitbare pionnenvleugel kreeg, versloeg hij Nico Kok. De laatste ronde leek met een vol punt voorsprong op zijn naaste belagers een formaliteit te worden. Maar Hugo Faber hield zijn ogen wijd open en strafte het al te zorgeloze spel van zijn tegenstander hardhandig af.
Daarmee leek het toernooi een sensationele ontknoping te krijgen, want behalve Hugo Faber, kwam ook Hans Nuijen, door een overwinning in de laatste ronde op Nico Kok, nog op gelijke hoogte. Weerstandspunten moesten de beslissing brengen, maar deze spraken een duidelijke taal, waardoor de sterkste toch nog kampioen werd.


Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

Sightseeing de Zaanstreek

In 1980 schrijft een geplaagde Reinhout over het tweede van Excelsior, dat een uitwedstrijd moest spelen tegen Het Witte Paard, maar hoe ze ook zochten, ze konden het beestje, op die bitterkoude dinsdagavond in december, in Koog aan de Zaan niet vinden.

Keurig op tijd hadden we van onze wedstrijdleider de uitnodiging ontvangen om op dinsdag 9 december 1980 de strijd aan te binden met Het Witte Paard te Koog aan de Zaan, Lagedijk 25.

Rechtstreeks uit een receptie reden we dus naar de Schuilhoek om de broeders in de strijd op te halen. Pauëlsen zou over Uitgeest rijden en daar Van der Klis oppikken en ik zou Ruiter en Jongejans uit Meerestein ophalen. Via Assendelft ging het op Koog aan de Zaan af. Klokslag acht uur betraden we de Honig-kantine op het aangegeven adres.

Tot onze verbazing stonden er geen schaakborden klaar. Wel liepen er een paar soepklanten, die blijkbaar middagdienst hadden, rond een biljart. Op onze vraag of er die avond schaken was kwam een ontkennend antwoord, maar als we zin hadden mochten we meedoen met biljarten. Een van hen adviseerde ons bij de portier te informeren. Dus wij als ganzen in de snijdend koude wind weer naar buiten. Daar was geen portier te bekennen. Doch Jongejans wist raad. Boven baadde het gebouw ook in het licht en daar zou het wel zijn. Vol goede moed de trap naar boven beklommen. Daar was het heerlijk warm. Het was namelijk een was- en douchegelegenheid. Dus moesten we weer terug de kou in en de straat op. Het was al kwart over acht.

Ha, daar kwam iemand aan, snel even vragen. Verder in de straat was nog een kantine en daar kon het ook zijn. Alles en iedereen stapte weer in en wij op naar die andere kantine. Daar waren alle deuren gesloten. Het fabrieksterrein dan maar op. Diep in de jassen gestoken werden we al snel benaderd door een man met een vervaarlijke herdershond. Nou, hier was het dus ook niet. Er was alleen hondendressuur. We moesten toch in de eerste kantine zijn. Dus deuren open, alles er weer in en draaien. Inmiddels was het half negen en we hadden alleen nog maar kou geleden.

In de kantine werden we wederom hartelijk begroet en uitgenodigd tot biljarten. We zetten daarom maar weer de tanden op elkaar op zoek naar de portier. Ha, daar aan de overkant was een portiersloge. Helaas gesloten. Wel hing er een briefje “melden bij de portier zuidzijde”. Dat moesten we dan maar lopend doen. Dus door de verlaten koude eenzame straat zuidwaarts. En ja hoor, een portier in een loge die hermetisch gesloten was. Op ons kloppen werd aan een touw getrokken en konden we acht man sterk naar binnen. Hem onze problemen uitgelegd. Het was inmiddels kwart voor negen.

We mochten Meijer bellen. Nou alles klopte. We moesten toch in die kantine zijn. De portier wist het adres en het telefoonnummer van de secretaris. Ik kreeg een lieftallige vrouwenstem aan de lijn met de mededeling dat pa niet thuis was en dat ze het verder ook niet wist, maar wel dat het Witte Paard op vrijdag speelde. En ze vond na veel zoeken het telefoonnummer van de penningmeester in Wormer. Die was zowaar thuis en wist te vertellen dat er ook in Haarlem een vereniging was die Het Witte Paard heette en díe schaakte op dinsdag.

Omdat het inmiddels half tien was geworden en we nog geen kop koffie en zelfs geen kop soep gedronken hadden, zijn we maar gedesillusioneerd in de auto’s gestapt en naar huis gereden, niet wetend wat voor gevolgen dit gaat hebben.


Jaap Reinhout

Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

De man met de broodjes

Zaterdag 13 november 1982 had Pagel een snelschaaktoernooi georganiseerd in De Rustende Jager te Bergen. Bijna iedereen won een beker. Alleen Excelsior niet. Wat wel gek was, want er stonden er genoeg, een hele tafel vol. Noortje was vijf en keek haar ogen uit. En voor ik het wist zat ze met Hartoch aan de bar. Nanny dacht dat het geen kwaad kon. Zo te zien kan die Hartoch wel tegen een stootje, zei zij.

De afgebroken partij, waarvan gewag wordt gemaakt, betrof de wedstrijd Excelsior t
egen Koningsclub 2 vijf dagen eerder, maar daarover komen we nog te spreken.



Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

Hij dacht geloof ik met computer te doen te hebben

In 1982 bestaat de Noord-Hollandse Schaakbond vijftig jaar en het bestuur en mijnheer Pagel hebben samen iets leuks bedacht. Zo’n elfhonderd schakers uit heel Noord-Holland zijn op zaterdag 16 oktober verzameld in de Kennemer Sporthal in Haarlem voor een massale competitieronde. Wil Ersson wordt door wedstrijdleider Berend van Maassen gecharterd om Excelsior met have en goed ter plaatse te krijgen. Hij doet verslag.

Zaterdag 16 oktober was ik uitgenodigd om in ons tweede team een wedstrijd te spelen in de Haarlemse Sporthal. Ik had gedacht om ‘s middags rustig een partij te kunnen schaken, maar dat pakte anders uit.

Omstreeks een uur of elf ‘s morgens werd ik achter mijn koffie vandaan gehaald door Van Maassen. Ik mocht nog wel even douchen, maar daarna moest ik mee naar de Schuilhoek om mee te helpen bij het inladen van het schaakmateriaal.
Toen dit gebeurd was, moest ik mee naar zijn huis om diverse briefjes in ontvangst te nemen met namen en voertuigen, over personen die al gespeeld hadden, die opgehaald moesten worden, snel even gebeld moesten worden, die op eigen gelegenheid gingen. Op gegeven ogenblik kreeg ik zoveel gegevens dat de huiskamer in steeds sneller tempo voor mijn ogen begon te draaien. Hij dacht geloof ik met computer te doen te hebben.

Toen ik buiten weer in de frisse lucht stond, was het me niet duidelijk wat de wedstrijdleider feitelijk zelf ging doen, maar mijn taak was duidelijk: ik moest drie teams naar Haarlem zien te krijgen. Die opdracht lukte ook nog, al ging het gepaard met veel geschreeuw en nog meer kabaal, zodat de niet-schakers uit De Schuilhoek verschrikt kwamen kijken. Uiteindelijk kwam ik met Vos en Maas in een auto terecht om Ruiter op te gaan halen. Na Vos, onze ex-wethouder van verkeerszaken, met vaste hand door Heemskerk geloodst te hebben – alleen op de Jan Ligthartstraat was hij prima thuis, maar die had hij dan ook zelf geopend – kwamen wij op de ontmoetingsplaats, waar geen Ruiter te bekennen was. Nu was ik daar wel eens meer geweest en ook tevergeefs naar Ruiter gezocht, dus ik wist waar ik wezen moest in de Antillenstraat. Op mijn bellen kwam Ruiter in hemdsmouwen aan de deur en keek niet-begrijpend naar mij en de auto. Er was namelijk om kwart voor twee afgesproken en wij waren er om vijf over half twee. Na Ruiter overtuigd te hebben dat hij best tien minuten eerder kon vertrekken, gingen we richting Haarlem.

In de sporthal stonden wij enigszins verloren tussen duizend andere schakers, de wedstrijdleider schitterde nog steeds door afwezigheid. Na verloop van tijd bleek dat Henk Maas feitelijk een thuiswedstrijd speelde. Hij schudde tenminste iedereen de hand en werd zelf uitbundig op de schouders geslagen. Op de een of andere manier kwamen wij toch op de plaats waar wij moesten spelen. Van Asperen en Van IJsseldijk waren ook gearriveerd, zodat het tweede team compleet was. Wij waren met zes man, want twee van ons hadden reeds gespeeld. Jongejans had remise gespeeld en Otten verloren. Toen we moesten beginnen werd ik door Vos ook nog gebombardeerd tot wedstrijdleider, maar gelukkig nam hij daarna de leiding zelf vast in handen.

De wedstrijd zelf verliep niet zo succesbol voor ons: we leden een nederlaag van 2½-5½ tegen de Lange Rochade. Vos speelde remise, Van Asperen verloor van ons oud-lid Van de Wakker en Van IJsseldijk dolf ook het onderspit. Toen was de stand 4-1 voor onze tegenstanders. Op dat moment bood mijn tegenstander remise aan. Na samenspraak met Vos besloot ik verder te spelen, maar ik stond reeds verloren. Ruiter speelde remise en Maas won, maar die speelde dan ook een thuiswedstrijd.

Toen we naar huis gingen zag ik ook nog de voorzitter voorbijsnellen met wat volgens mij de totale voorraad jubileumkranten was.


Ersson



Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden

Excelsior ingebonden

Het is al weer heel wat jaren geleden dat Kees Ruiter (hij is er niet meer) mij aanschoot en me trots vertelde dat hij de clubbladen die ik voor Excelsior heb gemaakt allemaal nog had. Hij had ze laten inbinden. Dat streelde mij, ik zei wat leuk, maar durfde niet te bekennen dat ik ze in een moment van verstandsverbijstering zelf allemaal had weggegooid. En nu vertelt Berend van Maassen dat hij in het bezit is van een band met oude clubbladen van Excelsior. Hij weet niet hoe hij eraan gekomen is. Ik mocht ze inzien.

Tussen 1979 en 1983 werden de clubbladen bij mij thuis aan de Jan Ligthartstraat vervaardigd. De kopij werd op een ouderwetse Adler-schrijfmachine-met-brede-wagen uitgetypt op stencils en vervolgens nog veel ouderwetser met een met de hand aangedreven stencilmachine afgedrukt. Trots vermeldde ik in elke uitgave dat: “Dit blad werd gestencild op kringlooppapier”. Dat laatste werd me niet in dank afgenomen. Het kon mooier vond men. Het papier was grauw, de inkt verbleekte. Die inkt, eerst bruin naar de mode van die tijd, later blauw, haalde Nanny in grote tubes bij Gestetner in Diemen.

Het valt mee nu ik ze doorblader. Ze zijn nog best te lezen. Ik ga er de komende dagen uit citeren. Ofschoon ik er een beetje tegen opzie om het voor de tweede keer te moeten uittypen. Voor nu dus alleen de drukfout die ik vond.

Drukfout

Het schaakseizoen is weer begonnen
Laat paarden en lopers maar gaan
Het torenoffer was nog te onbezonnen
Wel zag ik iemand een passant slaan



Voor Excelsior, schakers sinds 1955, nu ze er mee ophouden.

Weenink-Koningsclub


Beverwijk 1985 Weenink-Koningsclub, een wedstrijd om in te lijsten. Tien clubspelers tegen twee internationale grootmeesters, drie internationale meesters, twee FIDE meesters, twee nationale meesters en een in opleiding.


Supervisor Frans Koopman zweept de ploeg maandenlang op in de Weenink Post. Het ratingverschil van gemiddeld 250 punten per speler wordt in een sensationele wedstrijd volledig weggepoetst.

Over het paard getild

De prognoses waren overduidelijk en wetenschappelijk onderbouwd. Weenink zou twee bordpunten scoren tegen de Koningsclub. Een halfje meer of minder, daar zou rekenmeester Bram niet wakker van liggen, maar dan hield het op. Twee remises dus en misschien, heel misschien één overwinning.

Weenink verscheen in de sterkste opstelling. Alle spelers stonden op scherp. Want al was de kans op ploegsucces dan kleiner dan één procent, de kans op persoonlijke roem was minstens tien keer zo groot. Ook Pagel had geen risico genomen en verscheen met onder anderen twee internationale grootmeesters en drie internationale meesters. De korf stond wel erg hoog opgesteld.

Drie uur gespeeld. “Meneer Pagel, wat vindt u van de stand, nog steeds 0-0?” Pagel: “Ja, auf Papier…”

Een half uur later. Cees Duivenvoorde opent de score tegen De Savornin Lohman. In één klap het hele seizoen goed. De Koningsclub over het paard getild en Weenink aan de leiding!

Maar och heden. Wat is er met Erik Schoehuijs aan de hand? Is dat de Berlijnse verdediging? Het lijkt wel gatenkaas. En wat gebeurt daar? Daar probeert Hartoch met zijn volle gewicht een pionnetje naar de overkant te duwen. Dat houdt onze Alessandro nooit. Pagel, die even deed alsof hij er niet bij hoort, loopt nu weer ontspannen rond.

Ik loop langs het bord van Hans Nuijen. Wat staat die slecht. Dat ziet een leek. Die Van der Sterren is ook een halve grootmeester. Hé, dat is aardig, Hans slaat een pionnetje en laat zijn dame een soort pirouette maken op het snijpunt van vier velden. Pas als zij uit getold is, zet hij haar op haar plaats. Maar wat doet die Van der Sterren nou? Hij vindt het helemaal niet grappig zo te zien. Hij geeft op! Heb je daar van terug?

En dan Bert van der Zijpp. Die maait Van der Weide. Als in zijn beste jaren. Zelf geeft hij alle eer aan de tegenstanders: “Die jongens zijn goed vooruitgegaan, een paar jaar geleden speelden ze nog in de onderbond.”

Bert Heemskerk meldt zich, met remise. Hij had de hele partij moeilijk gestaan en hij moest nog één zet doen binnen één minuut. Voor een bedaarde speler als Bert is dat erg weinig tijd. Dus toen Van Geet, van het dubbelfianchetto, plotseling remise aanbood, had hij het maar aangenomen. “Maar ik stond wel gewonnen”, probeert hij ons gerust te stellen. Wij zijn een zenuwinzinking nabij.

Het is niet meer bij te houden. overal lachende gezichten. Paul Bierenbroodspot is wel erg vrolijk. Adam Kuligowski niet. Die zit met zijn hoofd in zijn handen als verdoofd over zijn bord gebogen. De stukken staan al lang weer in de beginstand. In het Hoogovens Schaaktoernooi van 1983 won hij van Korchnoi. Nu verliest hij van Bierenbroodspot. Twintig minuten zit hij zo. Dan wankelt hij naar Pagel, die onduidelijke brieven zit te schrijven aan een tafeltje. Wij zien hem wat vragen. Pagel schudt van nee en gaat door met schrijven. Kuligowski is ontslagen.

Nico Kok verliest van Marcus. Nico heeft zijn dag niet. Berend Pluim maakt vreemd kappende bewegingen met zijn handen en trekt een raar gezicht. We mogen niet praten van Jan Sinnige, want er mag ook niet gebiljart worden. Berend bedoelt: de-span-ning-is-te-snij-den.

Op het eerste bord sterft Hendrik Koopman duizend doden. Maar hij blijft zetten. Met de rug tegen de muur vecht hij tegen de aanval van Sergei Kudrin, tegen de voortrazende secondenwijzer, tegen de onrust om hem heen en binnen in hem. Als hij dit toch eens remise mocht houden. Het mag nét niet.

De laatste partij is die tussen Peter Uylings en Job de Lange. De laatste zetten zijn niet meer genoteerd en er moet eerst gereconstrueerd worden. De Lange is aan zet. Lichte paniek maakt zich van hem meester. Hij moet kiezen: eeuwig schaak toelaten of de dames ruilen en een misschien wel verloren eindspel ingaan. De stand is 4½-4½. Hij gaat schoorvoetend naar Pagel toe: of hij misschien remise aan mag bieden.

Pagel bestudeert de stelling. Berend beduidt dat het voorbij is. En inderdaad, Pagel geeft toestemming om het punt te delen. Hij houdt zich groot, zijn spelers klitten wat lacherig in groepjes bijeen. Het applaus is voor Weenink.

Buiten zien we grootmeester Kuligowski nog een laatste poging doen, als Pagel in zijn auto stapt. Het tafereel is te navrant. Het portier slaat dicht.


DE PARTIJEN

Sergei Kudrin, internationaal grootmeester en speciaal voor deze gelegenheid overgevlogen door Pagel, lijkt zich niet erg in te spannen. Hendrik Koopman des te meer, wat al snel tot uiting komt op de klok. Toch overleeft hij de tijdnood en de aanval, die niet doorzet, maar de grootmeesterlijke afwikkeling naar een eindspel met vrijpion is hem net even te veel.

_

De tweede grootmeester Adam Kuligowski wordt aan de tand gevoeld door Paul Bierenbroodspot en dat doet pijn. Na de partij schatert Paul het uit over de penning waarmee hij een uitgelokte vork onschadelijk had gemaakt. Tijdnood doet zijn radeloze tegenstander uiteindelijk de das om. Op de vierendertigste zet valt zijn vlag.

_

De Berlijnse verdediging van Erik Schoehuijs vertoont dit keer gaten, die pijnlijk snel door zijn tegenstander John van Baarle opgemerkt worden. Sommige ervan ziet Erik ook nog wel, maar niet het mat op h8.

_

Hans Nuijen, helemaal niet bang, opent met b4, maar komt toch al snel in de verdrukking door een zwarte pion op e4 en later op d3. Bovendien is er de latente dreiging van mat op g2. En ofschoon hij de grootste problemen weet op te lossen, dreigt een verloren eindspel, totdat zijn tegenstander Paul van der Sterren de blunder van de dag begaat. Hans laat zijn dame een vreugdedansje uitvoeren op het winnende veld.

_

Voortdurend knipogend naar Pagel ruilt Rob Hartoch zich tegen onze Alessandro in sneltreinvaart naar een eindspel toe, dat zo op het oog volkomen gelijk staat, maar waarin de superieure stand van zijn koning en een op slinkse wijze verkregen vrijpion toch nog de doorslag geven.

_

Het witte g4 van Peter Uylings mist dit keer overrompelingskracht en de torens worden afgeruild langs de open h-lijn. In het tijdnoodduel dreigt Job de Lange nog even heel ondeugende dingen op f2, maar wordt daar terecht van weerhouden door de dame van Peter. Tot zijn opluchting kan Job zijn baas er dan van overtuigen dat verder spelen niet slim is.

_

Geen lachje kan er af bij Piet van der Weide. En met recht, want Bert van der Zijpp kent geen pardon met hem. Onze vreugdekreten beheerst onderdrukkend zien wij hoe Bert wat onbelangrijk materiaal afstaat in ruil voor een hele rits pionnen. “Een kwestie van techniek, dus dat kan nog moeilijk worden”, zegt hij bescheiden. Even later heeft hij gewonnen.

_

Broodspelers zijn het, tot de laatste stuiver toe. Bezorgd vraagt Joost Marcus of het eerste kopje koffie wel gratis is, anders ziet hij er liever van af. Gastheer Nico Kok maakt het hem niet al te moeilijk.

_

Op de deur van de Wijckermolen hangt de mededeling dat er niet gebiljart kan worden wegens een belangrijke schaakwedstrijd. “Waar is die belangrijke schaakwedstrijd dan wel?” vraagt De Savornin Lohman hautain bij binnenkomst. Cees Duivenvoorde maakt het hem al snel duidelijk. Een week lang heeft hij gestudeerd op het Jänisch en het verbluffende resultaat daarvan staat al na twintig zetten afgetekend op het bord. Onberispelijk wikkelt hij af, als zijn tegenstander vergeet op te geven.

_

Een vrij normale partij, maar toch nog een dubbelfianchetto van de zwartspeler. Van Geet loopt rond alsof hij reeds gewonnen heeft. Bert Heemskerk is dus in moeilijkheden. Zijn evenwichtsgevoel loodst hem echter langs de gevaarlijkste punten en vlak voor de veertigste zet staat hij opeens gewonnen. Van Geet heeft dat net iets eerder door dan Bert en ziet zijn remiseaanbod geaccepteerd.

_

[Weenink Post, jaargang 36 nummer 22, 14/05/85]

Vleermuis 19


De velden zijn leeg en nu Excelsior, nog iets eerder dan gedacht, is opgehouden te bestaan, resten slechts de herinneringen. Herinneringen aan hoogtepunten en dieptepunten, aan pieken en aan dalen, en daarvan waren de dalen in mijn ogen verreweg het mooist. Zoals tien jaar geleden in Volendam.


Staff Only

In een opwelling vervoegde ik mij als last minute supporter om een uur of zeven bij de Werf. Daar stond de lijndansles op het punt te beginnen. Of ik mee wou doen. Ik legde uit dat ik met het schaakteam van Excelsior mee naar Volendam ging, als er plaats was in de bus. De lijndansers haalden hun schouders op. Zou ik dat nou wel doen en ik moest het zelf weten. Maar ik was eigenwijs en er was plaats. Ik werd ingedeeld bij Martin Herruer chauffeur en Ruud Eisenberger teamcaptain.

De heenreis was opgewekt er zorgeloos. Het gesprek ging over koetjes en kalfjes in het algemeen en schaken in het bijzonder. Ruud hield een absurd betoog, waarschijnlijk om iets duidelijk te maken, wat ik nu vergeten ben. In de opening moest je niet je dame in het centrum zetten. Daar was ze kwetsbaar. Wat moest je dan wel in het centrum zetten? Iets wat niet zoveel waard was als een dame. Wat was minder waard? Een stuk. Nog minder. Wat was het minste waard? Een pion. Tot zover wisten we de antwoorden. Maar was er iets dat nog minder waard was dan een pion? Nee dat wisten we niet. Ruud wel. Niks was minder waard dan een pion. Dus moest je helemaal niks in het centrum zetten. Een redenering van likmevestje. Een club naar mijn hart.

De reisleidster van Martin Herruer sprak onberispelijk Engels. Ze loodste ons feilloos naar Volendam, maar maakte zich er toen wel erg gemakkelijk vanaf. Aan het begin van de dijk vond ze dat we er waren. Toen moesten we nog 500 meter lopen. Daar lag Hotel Spaander. Het leek mooier dan het was. We bleken tot onder in de gewelven te moeten afdalen, tot in een soort berghok met “Staff Only” op de deur. Nietsvermoedend stommelden we naar binnen.

Je zag er geen hand voor ogen. Op de tast werden handen geschud en vervolgens stukken verschoven. Het ging de Volendammers beter af dan die van ons. Dat was eerst nog niet zo duidelijk. Zoals gezegd, we zagen niet veel en als toeschouwer moest je al helemaal op je gehoor afgaan. Na een zet of tien liep Charly Zwemstra even van zijn bord weg, op zoek naar het toilet. Niet meer teruggezien, weg kwijt geraakt in de catacomben. Uiteindelijk toch nog gevonden, maar het was de oude Charly niet meer: bril op, bril af, niets hielp.

Even verderop speelde Frans Koopman best vlot voor zijn doen. Maar hij drukte steeds de klok van zijn buurman Martin Winters in, waardoor hij toch nog in tijdnood kwam. Boven ons werd met tafels en stoelen geschoven. Gegooid leek het meer. Dirk Kruiper had daar geen last van. Die speelde een partij, zo saai, dat hij evengoed in slaap viel. Waar zijn tegenstander vals van profiteerde.

Paul Lieverst had zijn laptop bij zich en Fritz. Maar toen die werd ingeschakeld was het te laat. De waarderingen varieerden op zeker moment van min zeven bij Marcel Duin tot min veertien bij Thijs Waanders. En Martin Herruer was zonder navigatiesysteem ook een stuk minder dan met. Alleen Ruud Eisenberger redde zich. Uit het donker tegenover hem had hij een stem gehoord. Die remise aanbood. Beweerde hij.

Frans was de laatste die nog speelde. Hoe is de stand vroeg hij op goed geluk. We staan achter sprak iemand, die duidelijk nog even geen zin had in een slecht nieuws gesprek. Frans zette dus alles op alles, maar miste opeens zijn zwarte loper. Al een tijdje niet meer gezien trouwens, maar dat zei niets, had hij gedacht.

Bij het licht van een stallantaarn werd het uitslagenformulier ingevuld. We bleken met zeven en een half tegen een half verloren te hebben. In de hoek van het surrealistische zaaltje kleedde een pikzwarte neger, zijn dienst zat erop, zich bijna onzichtbaar om. Ik kon mijn ogen niet geloven. We waren aan elkaar gewaagd, sprak een Volendammer. Nu kon ik ook mijn oren niet meer geloven. Op welke schaal werd hier gewogen? Waren het troostende woorden? Maar dan wel van een soort die je deed verlangen naar een gezonde dosis zout in de wond.

Ergens boven in het restaurant was Thijs Waanders een witbier en nog iets onbeduidends gaan halen. Hij kwam helemaal ontdaan terug. Raad eens hoeveel ik moest betalen. Zeven euro! En dan is Thijs ook nog van het slag dat in zo’n geval de euro’s onmiddellijk omrekent naar guldens, waardoor je nog bozer wordt. We wisten niet hoe gauw we weg moesten komen uit dat kolenhok.

Voor ons lag de nacht, achter ons gaapte een zwart gat. Het zette Ruud aan tot bespiegelingen over de kosmos. Over Bohr en Einstein en over het begin van alle materie of energie. En dat we op deze manier niets te zoeken hadden in de eerste klasse en dat als het heelal steeds uitdijde, dat dat niet vanzelfsprekend betekende dat daar omheen dan nog meer ruimte was, want hoe groot moest die dan wel zijn? En dat als twee auto’s met een snelheid van honderd kilometer per uur op elkaar botsten dat hetzelfde was als een botsing met tweehonderd kilometer per uur op een muur, maar dat het moeilijk voorstelbaar was, zeg maar twijfelachtig, dat als twee lichamen met de snelheid van het licht op elkaar vlogen, dat dan… En tussen die miljarden sterren moesten er volgens zijn kansberekening een paar zijn met leven zoals hier. En dat we daar maar eens naar op zoek moesten gaan, want hier was het gezien de gebeurtenissen eerder op de avond niet pluis meer.

Martin bracht ons keurig thuis. Mij ook. Maar aan het begin van de straat had onze reisleidster er definitief genoeg van. Bestemming bereikt, riep ze opgelucht. Ze had het weer. Geeft niet, zei Martin, het laatste stukje doen we op de tast. Doe je volgend jaar met ons mee?


Heemskerk maart 2010

Draco dormiens nunquam titillandus

Het Denksport- en biljartcentrum ‘t Spaerne in Haarlem is afgeladen met schakers in de KNSB-competitie en het parallelle Kennemer Open toernooi. Wij spelen tegen een combinatieteam van Het Spaarne en de Heemsteedse Schaakclub. Wedstrijdleider Joost Jansen zegt dat we geen handen hoeven te schudden vanwege het coronavirus. Te laat. De meesten hebben het al gedaan. We hopen er met z’n allen het beste van.

Collignon (in de Volkskrant van 7 maart 2020)

Het is erop of eronder heeft onze teamcaptain gezegd. Iedereen die nu nog verliest moet vrezen voor zijn plaats. Jan Koopman en ik spelen met vuur. Jan, omdat hij doodgemoedereerd een stuk in laat staan en ondergetekende omdat hij het doodleuk offert. De tegenstander van Jan durft niet te pakken en die van mij schrikt zo dat hij opeens zijn halfuur voorsprong in tijd kwijt is. Wij redden het. Met gemak. Het combinatieteam van Spaarne/Heemstede niet. Dat verliest met 6½-1½. Het is de spreuk van Zweinstein. Kietel nooit een slapende draak.


Drie sukkels dachten met remise weg te kunnen komen. Die zullen dus met een hele goede reden moeten komen. Hieronder het slot van mijn partij. Mea culpa. Ik kon niet beter.

ES

Open ASK-toernooi

Fotoimpressie


en een partijfragment, waarin Romayn Brandsma zijn tegenstander Hans Galjé hardhandig vloert

Het toernooi om het open Alkmaars schaakkampioenschap is dit jaar (samen met de organiserende vereniging De Waagtoren) verkast van het Gulden Vlies in de binnenstad van Alkmaar naar het meer afgelegen wijkcentrum Overdie. Dat is jammer, maar tegelijk ook een verademing qua ruimte, en met een prima bar.

Sandra Keetman, Rob Freer en Jan Poland leidden het toernooi. Rob en Sandra hadden voor alle deelnemers een kolossale schaal snoep klaar staan voor de broodnodige suikers, waar gretig gebruik van werd gemaakt. En Jan sloeg aan het begin van elke ronde op de gong…

Is dat de goden niet verzoeken?

Het Alkmaars schaakkampioenschap leed nog niet onder het virus, wel onder de concurrentie van het gelijktijdig gehouden Noteboom toernooi in Leiden. Maar het kreeg met Yong Hoon de Rover een sterke winnaar. Eén keer zag ik hem, heel even, zuchten. Dat was toen hij op een Slavische ruilvariant werd getrakteerd. Daar kon zelfs hij geen chocola van maken.

Kijk voor uitslagen en partijen op de toernooisite van de Waagtoren