Vleermuis 115

En overigens ben ik van mening…

Het is november 2000. In Florida worden stemmen herteld in de presidentsverkiezing tussen Al Gore en Busch jr. In Beverwijk tel ik mijn zetten in een partijtje voor Weenink. Aan beide zijden van de oceaan ontbreken er een paar. Hier zijn het er maar drie, daar driehonderd. Amerikanen overdrijven altijd zo, ik niet. Mijn verhaal staat in een oude Weenink Post. Het is het treurige relaas van de verliezer, die over van alles en nog wat klaagt en die het vooral achteraf allemaal heel goed weet, maar op het moment dat het moet niet doet. En die voor de zoveelste keer slachtoffer is van die idiote tijdcontrole halverwege de partij.

Hij is invaller in het eerste van Weenink. De spelonk waarin hij moet schaken heeft geen ramen, geen ventilatie, weinig licht, nauwelijks een ingang en al helemaal geen nooduitgang. Hij speelt met een ouderwetse klok van Pat Mat en noteert ook op papier van Pat Mat.

Zijn partij is interessant, al ontgaat dat de meesten. Hij offert roekeloos een kwaliteit, wat hij onmiddellijk na de partij een schwalbe noemt. Hij blijkt weer eens zijn eigen mogelijkheden te hebben onderschat. Maar dat weet hij dan nog niet. Hij krijgt een ontevreden standje van een vaste kracht, die zegt dat hij toch eens wat beter op zijn tijd moet letten. Dat is waar. De klok heeft bij hem al vele wonden geslagen. Maar ja, hij is ook geen echte partijspeler, meer een zoeker naar schoonheid, kunst en waarheid. Een onderzoeker van stellingen. Hij heeft er inmiddels, met de beginstelling mee, al zo’n vijfenzeventig opzitten, als de volgende op het bord komt. Het is er eindelijk een, die hem echt bevalt.


Zijn tegenstander heeft net zijn achtendertigste zet gedaan en nu is het zijn beurt, met zwart. Hij moet er nog drie en heeft niet veel tijd meer. Het duizelt hem van de motieven: Dg6-b1-g1 mat, Le6-g4-f3 mat, misschien ergens een familieschaak met het paard. Maar er staat nog wel een toren op de onderste rij en zijn loper is dubbel en dwars gepend. Of toch niet? Moet hij niet eerst met de koning naar h7? Waarom helpt niemand hem. Misschien moest je in zo’n geval praktisch zijn. Toren dus maar naar b8? Maar Lg4 ziet er toch ook wel erg interessant uit. Daar móet hij even naar kijken.

Hij is snel uitgekeken. Na ongeveer tien seconden valt zijn vlag. Hij houdt de klok tegen het licht. De grote wijzer staat echt nog niet bovenaan. Maar daarom heeft hij aan het begin van de partij een minuut extra gekregen, zegt de wedstrijdleider. Regeltjes, altijd weer die regeltjes. Hij druipt ontgoocheld af.

Thuis wacht hem een nog schokkender ervaring. Zonder die beroerde klok blijkt de zwarte stelling een wonderbaarlijke lading te hebben. Dacht hij het niet? Na luttele minuten weet hij het zeker: het sluit als een bus. Zwart speelt en wint! Hij weet niet of hij blij of boos moet zijn, zoekt koortsachtig een uitweg uit deze deceptie. Waarom heeft hij niet gewoon kansloos verloren? Kunnen de zetten niet herteld worden of beter: overspelen tot en met bovenstaande stelling. Maar dan wel met een deugdelijke klok. Dan kan hij laten zien hoe het moet. Hoe het had gemoeten. Nu is hij voorgoed invaller af. En daarom is hij van mening

dat Carthago verwoest moet worden


Voor de liefhebbers, die het (ook) niet binnen tien seconden zien, volgt hier de oplossing:
38… Le6-g4! 39.Te1xe8+ Kg8-h7 40.Df3-b3 (Dc3 leidt na Db1+ door overbelasting van de witte dame tot een geforceerd mat met Lf3 of Dg1) Dg6xc6 en daarmee is de veertigste zet gehaald. Wit staat nu verloren. Alle eerder genoemde motieven zijn onverminderd van kracht.

Vleermuis 98


Tata Steel Chess Tournament 2021

Dit is Alexander Donchenko. Hij werd laatste. Zeven keer verloor hij niet. Fier bleef hij overeind tegen de twee toernooiwinnaars. En tegen de wereldkampioen. Hij had met volle teugen genoten. Nu wil hij zijn laatste partij opgeven. Zijn tegenstander is weggelopen. De aandacht gaat naar de winnaars. Hij moet er om vragen. Hij doet het met zijn ogen.

Vleermuis 96


Wijk aan Zee 2021

In het Noordhollands Dagblad zag ik een foto van de speelzaal. Ik mag die hier niet tonen, maar hij was beangstigend mooi. De Moriaan in getemperd blauw licht. Vanaf het balkon genomen. In het midden van de zaal stond een soort van doorzichtige kooi. En daarin veertien schakers en zeven tafels op een rij. Spotlicht viel op hun borden. Daarop speelden zij met kleine poppetjes. En ze waren allemaal van hout.

Wijk aan Zee 2020

Zo was het vorig jaar. Toen deden we allemaal nog mee. En waren we nog niet van hout. Is dat zo of denk ik het maar?

Nu wandel ik des morgens in de duinen, kijk ik des middags schaak en vergaap ik me des avonds aan tv. Wonderlijk hoeveel mensen plotsklaps de oorlog nog hebben meegemaakt. Soldaat van Oranje zijn ze waarschijnlijk mee in de war. Ik ga de knijpkat maar weer eens van zolder halen. Op avondklok rijmt verduisteren. Leer mij een bloembol eten. En dan nog wat: de vaccins zijn spoorloos, de bestuurderen zijn ten einde raad en heel Nederland is opeens Urk. Maar wanhoop niet, ik zeg maar zo:

Vleermuis 91

Er kan nog steeds niet fatsoenlijk geschaakt worden. Mijn club Schaakvereniging Castricum heeft dat het afgelopen najaar dapper tien ronden volgehouden, maar nu noodgedwongen niet meer. Ik begin het te missen. Het spel, de spanning, de mensen. En de altijd originele verslagen van Hans Leeuwerik.

Mijn laatste eigen bijdrage op dat gebied dateert van eind 2018, toen ik een ronde vrij was en zodoende in staat was de wedstrijd Castricum – Caissa Eenhoorn (in de eerste klasse NHSB) van dichtbij te volgen. Ik had net een hele maand naar de WK-match Carlsen-Caruana zitten kijken waarin de spelers twaalf partijen lang niet in staat (of onwillig) bleken een behoorlijk punt te scoren, waarna de zaak op de laatste dag vlak voor de prijsuitreiking nog even in allerijl beslist werd. In een paar snelschaakpotjes. Wat niet veel anders is dan dobbelen of gewoon loten, wat we vroeger nog wel eens deden. En wat ze nu ook meteen hadden kunnen doen. Maar zo is het spel en zo zijn de regels. In Castricum lachen we daar om. Daar gaat nog geregeld van alles mis. Zie het volgende verslag.

Goed voorbeeld maar wij zijn nog niet zo ver

De match tussen Magnus Carlsen en Fabiano Caruana heeft ons de ogen geopend. Laat die stomme computers maar rekenen. Het doet er niet meer toe. Het eindresultaat is al bekend. Een ordentelijke schaakpartij is remise. Punt uit. De rest is spielerei. En dat is niet nieuw. Capablanca en Aljechin scoorden in 1927 al 25 remises. Karpov en Kasparov brachten dat record in 1984 op 40 remises, waar zij 48 partijen en vijf maanden over deden. Geen mens wist meer dat die twee nog ergens om zaten te schaken. Nu in Londen moesten we het doen met twaalf remises, waarna er nog wat gooi en smijtwerk volgde om de winnaar te bepalen. De winnaar van wat?

Jammer genoeg zijn wij nog niet zo ver. We proberen het wel, maar vaak glipt het ons net weer door de vingers. Dan hebben we opeens tot onze schrik verloren of nog gekker: gewonnen. Er is dan iets fout gegaan. Remise is, zoals in Londen aangetoond, de juiste uitslag. Het mag met een pion meer of een pion minder, ongelijke lopers, driemaal dezelfde stelling, pat of eeuwig schaak. Je kan het ook overeenkomen als je het niet vertrouwt.

Afgelopen vrijdagavond speelden de schakers van Castricum tegen de schakers van Caissa Eenhoorn. Beide teams brachten er niet veel van terecht. Alleen Heleen van Arkel en Robin Duson, en Victor de Vries en Sernin van de Krol begrepen wat er van hen verlangd werd. Zij hielden de zaak na allerlei ogenschijnlijk duizelingwekkende toeren keurig in evenwicht. Dat zijn dan ook meisjes en jongens uit de moderne school. De rest hakte er weer ouderwets op los. Alsof het er niet toe doet. Hadden zeker de afgelopen drie weken niet zoals ik met het bord op schoot zitten kijken naar die o zo interessante maar stomvervelende match Carlsen-Caruana.

Victor de Vries en Sernin van de Krol lieten dus zien hoe het moest. Zij speelden de sterren van de hemel. Sernin (met zwart) had zojuist op f4 een paard van Victor (met wit) buit gemaakt, maar Victor laat er geen gras over groeien en offert ook nog even een toren op b7

21. Tb1xb7 Kc8xb7 22. Pf3-e5 Df5-e6 23. Te1-b1+ Kb7-c7 24. Pe5xc6 Td8-d5

Gewiekst, maar misschien was Td8-b8 toch beter geweest, dat was de toren op h8 ook in het spel betrokken geworden. Nu moet de toren op d5 het in zijn eentje proberen te rooien.

De diagonaal van de witte loper is onderbroken, maar Victor zet de aanval onvervaard voort en zwart verdedigt moedig: 25. Pc6-b4 Td5-b5 26. Pb4xa6+ De6xa6 27. Da4xc4+ (?) Kc7-b6

Even tussendoor. De match Carlsen-Caruana werd becommentarëerd door Anish Giri en Pjotr Svidler met Alexandr Grisjtsjoek (wat een naam) als side-kick. Zij probeerden de stemming er in te houden met grappen en anekdotes en vooral de kinderen van Grisjtsjoek (hoe doe ik het hè?), vooral de kinderen van Grisjtsjoek dus zorgden voor veel jolijt. Je zag ze niet, maar hoorde ze des te beter. Op de achtergrond braken ze zo nu en dan de tent af. Bij een partij, ik weet niet meer welke, wisten Giri en Svidler het zeker: die zou gewonnen gaan worden, was het niet door wit dan wel door zwart. Maar remise? Uitgesloten. Dat was dus precies wat ik ook bij bovenstaande partij dacht. En het duurde dus even voordat ik, samen met Victor, vrede had met de remise die er nog net in zat: 28. Dc4-c5+ Kb6-a5 29. Dc5-a3+ Ka5- b6 30. Ka3-c5+ … totdat ik thuis kwam en het rekenmonster met 28. Lg2-f1 op de proppen kwam. Makkelijk is anders, maar zo had het dus toch nog mis kunnen gaan 🙂

Dat Bert van Oudvorst won zij hem vergeven. En Sander Mossing Holsteijn ook. Hij had taakstraf. Hij moet, als ik het goed begrepen heb, van Aart Strik twee partijtjes voor het eerste spelen. Dit was zijn eerste.

En dat Robert van der Wal op het eerste bord van Roy Kerkhoven won kunnen we hem ook niet euvel duiden. Roy schoot namelijk op de negende zet al een bok van enige omvang.

9. Lc1-e3? b7-b5 10. Lc4xb5 Dd8-a5+ 11. Dd1-d2 Da5xb5 12. b2-b3 Hierna duurde het niet lang meer.

Robert dacht nog heel even na. Remise was geen optie. Ik stond er met mijn neus bovenop en zou het onmiddellijk gerapporteerd hebben.
15. … Db5-a6 16. d4xc5 Da6-a3+ 17. Kc1-b1 Da3xa2+ 18. Kb1-c1 Da2-a1 mat

Heleen van Arkel en Robin Duson trakteerden de toeschouwers op een remise door zetherhaling. Zij waren dus echt goed. Maar Eric van der Klooster en Nico Kuijs verloren hun partij. Dat had niet gehoeven hoorde ik fluisteren (nee ik was het niet).

Als kers op de taart won Wouter Beerse na lang doorzetten zijn partij tegen Gerrit Roos, die helemaal rood was aangelopen. Wij rekenen het Wouter niet aan. Wat hij liet zien was knap.

Zwart heeft net Pd6-b7 gedaan. Wit bedenkt zich niet en slaat het paard. En na koning slaat paard gaat hij niet meteen op de a-pion af, maar geeft hij eerst even schaak op b5! Wouter kan het niet laten. Hij wil altijd winnen.

Castricum wint met 5-3

ES/01/12/2018
(eerder gepubliceerd op de website van de Schaakvereniging Castricum)

Vleermuis 85


Eline Roebers

Gisteren werd Eline Roebers FIDE Online wereldkampioen in de categorie G14. Dat zijn meisjes die op 1 januari van dit jaar nog geen 14 waren. Zij versloeg in de finale de Hongaarse Zsoka Gaal. Ik heb gekeken. Ook online. Het was spannend. En het ging mij vooral in tijdnood al gauw te snel om het allemaal te begrijpen.

Maar gelukkig was daar Dimitri Reinderman die op Schaaksite meteen na afloop de twee finalepartijen becommentarieerde en mij vooral met het volgende fragment geweldig hielp.

stelling na 25. Db2-c3
in de partij Zsoka Gaal-Eline Roebers

De witte dame kon naar c3 of d4. In beide gevallen houdt de dame de twee witte torens gedekt (beide staan aangevallen) en bovendien veld a1 onder controle. Maar op d4 staat de dame ook zelf gedekt en op c3 niet en dat maakt verschil.

Eline Roebers maakt daar met haar volgende zet gewiekst gebruik van: 25 … De7-c5!

Die moet nou wel geslagen worden: 26. Dc3xc5, waarna zwart niet meteen terugslaat maar eerst schaak geeft 26. … Ta2-a1+ De witspeelster is nu helemaal in paniek en vergeet haar dame die nog op het bord staat op c1 tussen te plaatsen alvorens Lf1 te doen (waarschijnlijk ging het haar nu ook te snel) 27. Lg2-f1? b6xc5 Tsja, nu staat de toren op b4 opnieuw aangevallen en die kan alleen nog maar naar b2, waarna Ld5-c4 de partij beslist.

Vleermuis 76


Echte schakers overkomt dit niet

Zeg Evert, wil jij onze kampioenswedstrijd verslaan? Het is Ger Holsteijn, de playing captain van het eerste, die het vraagt. Normaal speelt hij zijn partijtje in het eerste en doet hij ook nog het verslag. Dat is een heksentoer, maar het lukt hem wonderwel. Maar nu staan grote belangen op het spel: het kampioenschap en terugkeer naar de promotieklasse. Dus ik zeg: ja.

Castricum speelt zijn kampioenswedstrijd tegen Bloemendaal 9 of daaromtrent. Dat moet lukken. Maar ja, je weet het nooit, Bloemendaal uit, altijd lastig, dus ik richt mijn notatieplankje in voor acht partijen van maximaal 70 zetten. Meestal is dat genoeg. Alleen moet ik dan heel klein schrijven, zodat ik later nauwelijks nog wijs word uit de krabbels. Dus verzin ik er een verhaal omheen. Deze keer is dat niet nodig.

Bloemendaal houdt clubavond in de recreatiezaal van een bejaardentehuis. Riant maar ongezellig. Behalve de spelers van het zoveelste waar wij tegen moeten, zijn er bijna geen Bloemendalers aanwezig. Een uitgesteld partijtje voor de kroongroep, die net de week daarvoor heeft gespeeld, een paar verdwaalde potjes om iets anders en Lex Jongsma, die komt kijken. Er staat een stembus voor de gemeenteraadsverkiezingen en de stembuscommissie zit zich te vervelen. De wedstrijd begint.

Evert, als je mijn partij wilt hebben, moet je snel zijn. Sander. Hij heeft zijn tegenstander in een heel ongunstige variant van het Blackmar-Diemergambiet gelokt en staat al na acht zetten gewonnen. Maar terwijl ik die acht zetten sta te noteren, trekt hij me opgewonden weg en fluistert: misschien moet je toch eerst even bij mijn vader gaan kijken. Ik haast me maar ben net te laat: elf zetten, mat. De aanstichter, Ger, glundert van oor tot oor. Ja, dat kon ik toch niet laten, zegt hij. Zijn verbouwereerde tegenstander is een boer met kiespijn. En ik ook een beetje. Daar sta je dan met je plankje voor zeventig zetten. Zal ik het weer van je overnemen, vraagt Ger. Nee, zeg ik, de lol is er af, maar ik ga door, hopelijk weet de rest er nog wat van te maken.

Ondertussen is de stembuscommissie een minuut voor tijd aan het inpakken. Maar daar verschijnt uit de lift de oude mevrouw Van Dam met rollator. Ben ik nog op tijd? Natuurlijk mevrouw Van Dam, voor u houden we altijd een vakje open. Mevrouw Van Dam laat zich alles goed uitleggen, neemt haar tijd. Ze vraagt waar Wouter Bos staat. Vier minuten te laat wordt de stembus gesloten.

Ik spreek Erik Schoehuijs, die halverwege de avond is komen aanwaaien. We kijken samen met nog wat belangstellenden toe bij een partij die Lex Jongsma laat zien. Die zit nooit om een goed verhaal verlegen en bovendien is het een partij van hemzelf. Erik is vol lof en bewondering en mag als beloning ook een partij laten zien. Het is een partij die hij een paar avonden geleden al aan mij heeft getoond, met veel rondspringende paarden. Ongelukkigerwijs heeft hij toen zijn notatiebiljet bij mij laten liggen. Ach dat kan geen kwaad dacht ik nog toen ik het vond. Trots toont Erik zijn partij aan Lex, maar op een gegeven moment weet hij niet meer hoe zijn paarden precies hadden gesprongen en hij begint in zijn zakken te zoeken naar de notatie, die dus mij bij thuis op tafel ligt. Lex trekt nu een gezicht van echte schakers overkomt dit niet, zet de stukken in de beginstand en zegt: ik ga naar huis, naar de verkiezingsuitslagen kijken, Erik onthutst achterlatend.

De wedstrijd is voorbij, het plankje komt nog niet voor de helft vol. De eindstand is 6½-1½ voor ons. We zijn overduidelijk kampioen en gepromoveerd. Maar bij gebrek aan bloemen, champagne of ander feestelijk vertoon (wat een klein clubje is Bloemendaal) is het nu snel gedaan in het bejaardenhuis.

Kwart over twaalf ben ik thuis. Kampioen en nu al terug, vraagt Nanny. Ja, zeg ik, praat me er niet van.

1.e4 g6 2.d4 Lg7 3.Lc4 d6 4.Le3 Pf6 5.f3 Pbd7 6.Pd2 e5 7.d5 Ph5 8.g4 Pf4 9.Lf1 Pc5 10.Pe2 Pcd3

Bloemendaal, 7 maart 2006, NHSB 1B, Bloemendaal 4 – Castricum 1 1½-6½

Vleermuis 65



Ik hou er mee op. Die oude Weenink Posten moesten maar weer eens terug naar Bram Janssen. Ik heb er genoeg van en Vandattus ook. Vooral nadat hij een keer heel gemeen over ons geschreven had. De een was te sloom, de ander te lui, te laf, te dik, te goor, hij werd er misselijk van. Maar toen hebben we hem wel een poepje van eigen deeg laten ruiken.

We waren met zeven man in twee auto’s en reden rondjes door Zaandam. De achtste was “op eigen gelegenheid”. Zoals gewoonlijk konden wij het speellokaal niet vinden. De straatjes en de pleintjes begonnen ons aardig de keel uit te hangen. En steeds als we het opnieuw probeerden passeerde ons een motorrijder. Het was een bespottelijk klein mannetje op een bespottelijk grote motorfiets. Bij het derde rondje herkenden we hem. Het was onze achtste man! Hij wees op zijn voorhoofd. Het was Vandattus! Kon niet anders. Bij het vijfde rondje kwam hij ons van de andere kant tegemoet. Hij maakte met beide handen los van het stuur een gebaar van: waar zijn jullie nou mee bezig? Wij sloegen een zijstraatje in dat we nog niet gehad hadden. Omdat het eigenlijk niet mocht. Eenrichtingsverkeer. Hij moest nu teveel dingen tegelijk doen. Handen aan het stuur, schakelen, afremmen, bocht nemen. Ons ook nog op het bord wijzen had hij beter niet kunnen doen. We hebben de wedstrijd uiteindelijk toch nog gespeeld, maar met z’n zevenen. Ging prima. En nooit meer last gehad.

Schaakvereniging Weenink 1931-2002

Wie echt iets wil weten over Weenink leze het boekwerk “Schaakvereniging Weenink 1931-2002” dat Ron Faber en Ton de Vries samenstelden nadat Weenink gefuseerd was met Pat Mat. Of het eerder gememoreerde Schaakclub “Weenink” (50 jaar Weenink) samengesteld door Frans Koopman. Het eerste is te vinden in het Max Euwe Centrum. Het tweede is een collectors item.



***

Vleermuis 64


Five Easy Pieces



Van het bestuur

Teksten uit dit blad mogen worden overgenomen, mits met bronvermelding, MAAR NIET ONS PAARD, dat in het laatste Excelsiorblad werd aangetroffen.


Gre

Mensen, ik hoop dat een ieder van het vierde tevreden is over het kommentaar geven van mij in het clubblad. Ik meen het nooit zo. Ik hoop dat ik volgend seizoen weer met jullie mee mag doen.


Van Dam tot Dam

Bram Janssen is behalve leider van het eerste team ook lange afstandsloper. Dat hadden we niet gedacht. Toch is het niet zo gek. Juist tijdens zware beproevingen komt de geest vaak tot diepe inzichten.

Want zie je, ik ren helemaal niet, ik loop gewoon, en op de een of andere manier weet ik dat, als ik vergeet dat ik in een wedloop zit en alleen maar op een sukkeldrafje verder ga tot ik niet meer weet dat ik hardloop, ik altijd de race win. Ik vraag me af of iemand van de andere jongens hetzelfde geintje uithaalt, maar ik weet zeker dat dat niet zo is (Alan Sillitoe: De eenzaamheid van de lange afstandsloper).

Bram vertelde ons dat zijn beste tijd over de tien Engelse mijlen één uur en twintig minuten of daaromtrent is, een veredeld sukkeldrafje dus, waarbij hij in het midden liet of daar de drie minuten, die verloren gingen bij de start, bij inbegrepen zijn. Maar wat is drie minuten. Nog hetzelfde weekend zag ik op tv een wedstrijd in Engeland over een halve marathon. Driehonderdduizend lopers op een snelweg. Een half uur duurde het voordat de staart van het veld zich in beweging zette. Hardlopen is tegenwoordig een zaak van veel geduld, zoals schaken met het nieuwe speeltempo haastwerk is geworden.


Bijna volmaakt

Het slot van het seizoen had plaats bij Greet en Hendrik Koopman in Noordwijk thuis. De zonen waarschuwden ons er geen varkenskot van te maken. De dochters waren prachtig gekleed. En het maal was feestelijk. Bram Janssen kreeg van het team voor zijn jarenlange ploegleiderschap een door Nico Kok gemaakt kunstwerk aangeboden. Het was bijna volmaakt…


Frans Koopman

Lange leren jas, klompen.
Bedremmeld stond ik tegenover hem.
Ik stamelde een groet. Schaamde mij voor
zijn ontrouw, smachtte naar zijn bewondering.
Hij glimlachte slechts, sprak niet eens:
tot ziens.

Weenink, 16 november 1991

Vleermuis 63

VOTRE TOUR MADAME

Vrolijk betreedt invaller Peter Poncin het wedstrijdlokaal in de Nieuwe Slof. Ogenblikkelijk veert zijn antenne kaarsrecht omhoog: VROUW IN DE ZAAL! Kom je alleen maar mee of schaak je ook zelf, opent Peter. Nee, uh..ja ik doe mee, antwoordt zij blij verrast. Nederlandse damestop, verduidelijkt een ploeggenoot. Hoe heet jij dan? (uitnodiging tot de dans…) Patricia de Wit. Nóóit van gehoord! (…van de ongelikte beer). De opstelling bepaalt dat Patricia wit heeft en Peter zwart.

Bram houdt zijn hart vast. Maar Peter is dit keer even koel als hij er uitziet. De partij verloopt goed voor hem. De verhouding is naar zijn zin. Als zij even naar het toilet is, wacht hij haar op. Zijn “votre tour madame” overvalt haar (kunstje, poets, ommetje, staat haar toren in of is ze gewoon aan zet). “Wat zegt u?” Peter kijkt haar vriendelijk aan. “Heb jij dan geen Frans gehad op school?” Zij zet zich achter haar bord, maar strijdt voor een verloren zaak. In hopeloze stelling valt haar vlag.

Peter is als eerste klaar. Analyseren. De partij wordt van voren naar achteren en van achteren naar voren doorgenomen. Zij blijkt schorpioen. Zijn Venus staat in de schorpioen. Hello, is it me you’re looking for? Peter weet van geen ophouden. Totdat haar teamgenoten het welletjes vinden. Mevrouw De Wit, gaat u nog mee eten? Even probeert Peter het nog. Of hij mag adviseren in de keuze van het restaurant. De jongens van HMC beslissen Italiaan. Pas nu valt ook Peters vlag.

Weenink Post jaargang 43 nummer 5 (oktober 1991)

Vleermuis 62

Mijn laatste partij

25 juli 1986
Toulon
Zuid Frankrijk


Zoals elke dag loop ik, roodbruin verbrand, van strand naar speelzaal om daar mijn partij te spelen. Vandaag de zevende ronde van het vierde open toernooi van de Mediterranée. Gisteren ben ik geveegd door iemand waarvan ik nog steeds denk dat hij niet kan schaken. Eén voordeel heeft dat in ieder geval in zo’n Zwitsers toernooi: vandaag kom ik weer tegen een zwakkere. De voorbereiding verloopt snel en doeltreffend langs de supermarkt om mineraalwater en koele drinkyoghurt te halen.

Eens kijken wie mijn tegenstander is. Ah, het is Marlène Estève, één van de weinige vrouwelijke deelneemsters aan dit toernooi. Zestien of zeventien zal ze zijn en hoewel haar gezicht iets popperigs heeft is ze het aankijken wel waard. Het zal moeilijk worden me geheel op het schaakbord te concentreren.
Voor de partij spreek ik nog even moeder Estève, die in het organisatiecomité zit. Zo’n nietszeggend gesprek van “leuk dat jullie tegen elkaar moeten”, en meer van die onzin.

De partij begint
.

Bram Janssen – Marlène Estève

1. a3

Daar! Als je, zoals ik, weinig schaakt en dan nog uitsluitend met zwart dan is het moeilijk “gebruik te maken van de voorzet”. Met deze zet zorg je ervoor met zwart te spelen. Daarbij komt dat a6 in veel van de systemen die ik met zwart speel niet onnuttig is. Verder ben je nog uit de bekende theorie ook.

Echt verrast is mijn tegenstandster niet. Al snel volgt


1. … Pf6 2. Pf3 g6 3. g3 Lg7 4. Lg2 d6 5. d3 0-0 6. 0-0 Pc6 7. e4 Pg4 8. h3 Pf6 9. Pc3 Le6 10. d4 Dd7 11. Kh2 Tfe8 12. d5

en wit wint een stuk. En dat al na een kwartier spelen.

Opgegeven werd er echter niet!

12. … Dd8 13. dxe6 fxe6

Zwart bood remise aan! Met een glimlach maar toch volkomen serieus zei ze: “Vous desirez la nulle?” Verbijstering maakte zich van mij meester. In wat voor een wereld leven wij dat iemand met een stuk minder na 20 minuten spelen remise durft aan te bieden.

Wat zou hier de gepaste reactie zijn voor een professionele speler als ik. Doen alsof je niets gehoord hebt? A tempo een zet doen? Je linker wenkbrauw optillen en vervolgens de partij uitschuiven? De wedstrijdleider roepen vanwege onhoffelijk gedrag? Terwijl ik hierover nadacht vloog er opeens een lach door mijn hersens. Eigenlijk was het ook wel grappig wat hier gebeurde. Ik zou het ook gewoon kunnen aannemen, dan was ik van deze partij af. Ik ging naar de bar en bestelde een kop zwarte koffie. Het bord bleef leeg en verlaten achter. Marlène liep glimlachend door de speelzaal. Ik ging toch maar weer terug naar het bord om na te denken. Niet over de stelling, die was niet zo interessant, maar over dat gekke remise aanbod.

Zo verstreken ruim anderhalf uur. Ik had nog 10 minuten over om iets te beslissen. Andere spelers bekeken de stelling met steeds meer verbazing. Het bord was regelmatig verlaten. Marlène liep door de speelzaal, ik liep regelmatig heen en weer om nog wat andere partijen te bekijken. Uiteindelijk nam ik een besluit: ik deed een zet. Marlène kwam terug aan het bord en gaf de partij op.

Binnen 1 seconde had ik de nieuwe situatie getaxeerd. Ik zei: “Non, ce n’est pas nécessaire, parceque je propose la nulle.” Dat nam ze aan, de professional.

Na deze partij heb ik nooit meer geschaakt.


Zuid Frankrijk
Toulon

25 juli 1986
Mijn laatste partij


Bram Janssen

Weenink Post extra jaargang 2 nummer 4 (mei 1990)

Vleermuis 61

Delen uit het verslag van het eerste Grasmat-toernooi door Laurens Duin

Weenink Post jaargang 42 nummer 1 september 1990

Op vrijdag 1 juni en zaterdag 2 juni 1990 werd het eerste openlucht-tournooi georganiseerd door de schaakvereniging “Het Grasmat” gehouden. De vereniging Grasmat bestaat nog maar drie jaar en is opgericht vanuit een voetbalvereniging in de Fizeaustraat te Amsterdam. Deze jongens hebben tijdig ontdekt dat voetbaltactiek en schaaktechniek heel goed samen kunnen gaan, en ondersteund door de kreet ‘aanvalluhhh’ hebben ze het gepresteerd om ieder jaar nog te promoveren vanuit de 5e klasse SGA naar nu de 3e klasse SGA. Hun schaaklocatie is gewoon in de voetbalkantine, waar de bar bediend wordt door een mokums echtpaar van boven de tachtig, ome Harrie en tante Greet, die beide net aan hun tweede jeugd zijn begonnen.

Het tournooi bestond uit twee gelijkwaardige poules van ongeveer 30 personen die 7 ronden zwitsers zouden spelen met speeltijden die variëerden van 20 minuten per persoon per partij tot 45 minuten per persoon per partij. Deze variabele speeltijden waren er om te voorkomen dat ook maar iemand een systeem in het tournooi zou kunnen ontdekken. De bedoeling was dat de twee winnaars een finale wedstrijd zouden spelen en wel buiten op de middenstip van het voetbalveld zonder publiek.

Mijn eerste tegenstander was Horatius Vlam. Na remise aangeboden te hebben die hij weigerde en na een poging een zetherhaling op het bord te toveren, welke hij met man en macht vermeed, probeerde hij winst te forceren. Deze mislukte poging van hem was voldoende de grote wijzer van zijn klok in confrontatie te brengen met het kleine rode vlaggetje, wat natuurlijk een ongelijke strijd is. Na de eerste ovaties in ontvangst te hebben genomen en van hem te hebben vernomen dat het puur om een gezelligheidstournooi ging en dat de punten een secundaire rol speelden, vervoegde ik mij bij ome Harrie om onder het genot van enkele pilsjes bij te komen. Mijn tweede tegenstander was M. Knook en het kostte me niet erg veel moeite deze partij te winnen. Het was tevens de laatste partij van de eerste dag.

Alhoewel mij door de zeer gastvrije Grasmatters een slaapplaats werd aangeboden, ben ik toch maar naar huis gegaan. Niet om mee te kunnen doen aan het Luilaktournooi dat ‘s nachts werd georganiseerd door Weenink, maar omdat ik een medepassagier had, de ‘klerelijer’ ome George, een Amsterdamse gepensioneerde kleermaker, die nu in Wijk aan Zee woont en het tweede jeugdlid van het Paard van Ree is – hij is net als ome Harrie en tante Greet net begonnen aan zijn tweede jeugd – en die de volgende ochtend om 7.00 uur ontbijtjes klaar moest maken in Hotel Sonnevanck.

Na de volgende morgen om kwart voor twaalf weer in Amsterdam aangekomen te zijn, zag ik de andere schakers met dichtgeknepen oogjes binnendruppelen. Ze waren net als ik niet gewend om zo vroeg op te staan. De sfeer was prima en na de inhoud van de koffievaten in recordtijd te hebben zien slinken kon ik aan mijn derde ronde beginnen. Toen ik na twaalf zetten in een Budapestgambiet een toren en twee pionnen voorstond gaf mijn tegenstander op. Ondanks dat we dit keer 30 minuten bedenktijd hadden begrijpt u wel dat we klaar waren voordat de andere schakers al enigszins bruin waren geworden van het zonnetje dat hun oogjes nog verder deed dichtknijpen.

Ik had nu even tijd om de prijzen te bewonderen die door een van de organisatoren waren ingekocht op het Waterlooplein. Deze prachtige prullaria stonden uitgestald op de prijzentafel. Ik zag een meter hoge zilverkleurige opiumwaterpijp, een oude bandrecorder met een geluidsband vol muziek waarmee een mens zich in de vorige eeuw zou wanen, een strijkbout van voor de oorlog (eerste of tweede?) waarvan ik bijna zeker ben dat de huisvrouw die dit ding had gebruikt geëlectrocuteerd is geworden, een prachtige metalen drankmixer die na een poetsbeurt niet zou misstaan in een huiskamer, een messing oosters beeldje met ingelegde nepdiamanten, een letterbak etc. Daarna was er nog tijd om in het zonnetje wat muziek te maken. Iemand had een gitaar meegenomen en ik heb altijd mijn Ierse ‘tinwhistles’ bij me. Dat leidde tot een algehele samenzang met zowat alle schakers waarbij je bijna vergeten zou dat er ook nog geschaakt moest worden.

In de vierde ronde had ik wit tegen Jeroen Wismeijer. Dit keer met slechts twintig minuten bedenktijd. Omdat hij de stad was ingegaan om te lunchen en zich in de tijd vergist had, kwam hij elf minuten te laat en had hij nog maar negen minuten over voor de partij. Op zich was dat voor hem geen probleem omdat hij tijdens zijn andere partijen regelmatig even ging voetballen en dan na elke drie doelpunten terugkwam om een paar zetten te doen en evengoed zijn partijen wist te winnen, maar nu had hij geen tijd meer om te voetballen en ik won de partij nipt. De overige partijen waren niet interessant en ik wist mijn groep met een honderdprocentscore te winnen.

Voor de laatste ronde zouden we met z’n allen nog een partijtje gaan voetballen, maar ik werd gered door een zware regenbui die ik voor dit tijdstip had besteld. Na dit moment passend herdacht te hebben met de nodige spirituelen begonnen we aan het gezamenlijke diner, dat bij het inschrijfgeld inbegrepen was. Een kok uit een Amsterdams restaurant bereidde in het kleine keukentje van de kantine met een oventje en een vierpits gasstelletje op nog geen drie vierkante meter een copieuze maaltijd voor zeventig personen! Ieder pakte een leeg bord (geen schaakbord) en liet dat in de keuken vullen. De maestro schatte of je een grote eter was of niet. Volgens deze maatstaf werd er een grote of een kleine gepofte aardappel op je bord gedeponeerd, een stuk vlees uit de ‘pot pourri’ gevist samen met wat groente en aangevuld met een heerlijk stuk turks brood uit de oven. Bij de bar werd de maaltijd aangevuld met een plastic bekertje rode wijn uit een jerrycan. Je zag schakers die geen kans meer hadden op een prijs zich veelvuldig bij de jerrycan vervoegen. Daarna haalde ieder zijn dessert op. De eerste liepen de keuken uit met een vol bord yoghurt met vruchten. Na de eerste twintig borden zag je dat de kok zich rijkelijk vergist had en werden de porties steeds kleiner.
Nadat ome Harrie de lege borden had opgehaald en afgewassen had, kon het tournooi afgemaakt worden op de middenstip. Het regende nog steeds.

Ralph Scheuer-Laurens Duin

1. Pf3 Bordejongen door walkie-talkie: “één paard f3” 1. … Pf6 2. b3 g6 3. Lb2 Lg7 4. e3 0-0 5. Le2 d6 6. d4 c6 7. 0-0 b5 Bordejongen: “Ehhh…, kunnen jullie dat nog een keer overdoen, want ik ben pas bij 1.Pf3.” Ik: “Zullen we de zetten als we ze uitvoeren hardop zeggen?” Ralph herhaalde de zetten en de bordejongen gaf ze door. Kantine: “Kunnen jullie het nog een keer herhalen, want we missen een paar zetten.” Bordejongen: “Eehhh…” Ralph herhaalt de zetten. Kantine: “Wat was de derde zet van zwart?” Ik: “Loper g7” Bordejongen: “Loper g7” Kantine: “Wat zeg je?” Bordejongen: “LOPER G7!!”

8. c4 Bordejongen door walkie talkie: “8. c4 … Misschien kunnen jullie de ontvangen zetten voortaan even herhalen.” Kantine: “Oké” 8. … Db6 Bordejongen: “8. … Db6” Kantine: “8… Db6. Willen de schakers wat drinken op kosten van de club?” Ik: “Ja, koffie graag. Zwart met suiker.” Ralph: “Nee, dank je.” Bordejongen door walkie talkie: “Een koffie zwart met suiker en een cola met cognac.” Kantine: “Oké” Bordejongen door walkie -talkie: O ja, doe er ook een cigaret bij.” Kantine: “Voor wie is de cola met cognac?” Bordejongen door walkie-talkie: “Dat zeggen we niet.”

9. cxb5 cxb5 10. Pc3 Bordejongen geeft de zetten door. Kantine: “Hoeveel tijd hebben ze verbruikt?” Bordejongen: “Allebei vier minuten ongeveer.” Ralph: “De klok doet het niet! Hebben ze allemaal nieuwe klokken, krijgen wij zo’n oud kreng.” Er wordt een nieuwe klok gebracht.

Kantine: “Hebben jullie het koud?” Deze vraag wordt bevestigend beantwoord, ondanks het feit dat ik van de voorzitter een warme jas had mogen lenen.

Het verdere verloop: 10. … a6 11.d5 Lb7 12. b4 Pbd7 13. Dd3 Tac8 14. h3 Pxd5 15. Pxd5 Lxd5 16. Lxg7 Lc4 17. De4 Kxg7 18. Lcx4 Txc4 19. Dxe7 Pf6 20. Pd4? Txd4 0-1 Bordejongen door walkie-talkie: “Wit geeft op.” Kantine: “Hè?!” Kantine: “Wie speelde er ook weer met wit?” Bordejongen: “Ralph Scheuer”

Vanaf het voetbalveld kon ik het applaus vanuit de kantine duidelijk horen. Bij binnenkomst moest ik eerst tekst en uitleg geven en daarna werden de prijzen uitgereikt. Ik kreeg een enorme wisselbokaal. Ze schenen deze uit de prijzenkast van de voetbalafdeling ontvreemd te hebben. De naam van de bokaal was “Bullbokaal” en ontleend aan een vroeger lid, een boom van een kerel met een klein hartje, maar waarmee je geen ruzie moest krijgen en waarmee je met een gerust hart door Amsterdam kon stappen. Bull was anderhalf jaar geleden omgekomen bij een auto-ongeluk.
Nadat de bokaal was gevuld met champagne en rond was gegaan door de hele kantine, kreeg ik ook nog de waterpijp uitgereikt.

Uren later en nog voor het feest afgelopen was, ging ik richting Wijk aan Zee met in het achterhoofd de herinnering aan een van de leukste en gezelligste schaaktournooien die ik ooit heb mogen meemaken.

Laurens Duin
8 juni 1990

Vleermuis 60

Klulkoek

Daar heb je die verrekte Vandattus weer. Met een van zijn netste onzinstukjes. Heb ik naar moeten zoeken. Er staan aanwijzingen in. Ik doe aan tekstanalyse. Heb ik voor geleerd. Hij stamt af van een vervlaamd Waals (of verwaand Frans) officiersgeslacht, waarvan de nazaten tegen hun zin in Antwerpen waren gestrand en van dat dus behoorlijk de pest in hadden kregen. En van die bekakte Gentenaren natuurlijk. Kan ook andersom zijn geweest. De rest is lariekoek en dwaalspoor. Zie ik iets over het hoofd?

Weenink Post jaargang 37 nummer 28 juli 1986

Kan ik er wat aan doen dat mijn voornaam Vlaams en mijn achternaam Vlaams is? Eigenlijk wel, maar dat voert minstens voorbij de taalgrens, andere keer misschien.

Ik wil het eens hebben over dat door die ‘Ollanders’ misverstane werkwoord ‘verbelgen’: sommige heren en dames hollandici menen dat woordteruglopend te kunnen afleiden uit het situatie-veranderende voorvoegseltje ‘ver’ en het intrigerende oud-vlaamse woord ‘balg’. Dat zou dan via kruisbestuiving door Welshmen onder Filips de Schone uit het Noord-Iers zijn gekomen en staan voor ‘walgen van’. Zodoende zou ‘verbalgen’ iets of iemand verfoeien zijn. Klulkoek!

Uit de jongste opgravingen te Peerkens-Kruisegem wordt mijn mening gestaafd dat ‘balg’ staat voor ‘balg’ en dat wij Hollanders er alleen maar mee konden blazen, terwijl de Belgen er in knepen en kneedden. Ware meesters waren die Belgen daarin en het duurde niet lang of hun faam in dit handwerk snelde hen achterna naar de Nederlanden alwaar zij reeds decennia in slavernij werden gehouden om de ‘balg’ te hanteren. Al spoedig werd het instrument synoniem voor de bediener ervan. ‘Daar hejje’nen Balg’ zei men dan en als die ‘Balgen’ te veel gedronken hadden, dan wilden ze er nog wel eens flink tegenaan gaan en iemand ‘verbalgen’ wat neerkwam op het modieuze nederlands: iemand even verbouwen of vertimmeren. Het is aan het bekakte taalgebruik van de Gentenaren te danken of te wijten dat men van ‘verbelgen’ begon te spreken.

Hoe zit het dan met ‘gebelgd’ en ‘verbolgen’? Awel, hier hebben wij van doen met een sterke Belg en een zwakke Belg, die elkaar in een historische tongverstuiking hebben misverstaan, zo simpel ligt dat.

Frankie Verzottus

Vleermuis 59

Van welk een nooit geschatte waarde

Hein de Vries (hij overleed in 2005) was een kleurrijk mens. Nog elk jaar wordt in de laatste dagen van december een naar hem vernoemd schaaktoernooi gehouden in Wijk aan Zee, georganiseerd door het Schaakgenootschap Het Paard van Ree. Een niet te missen gezellig toernooi omlijst met gedichten, muziek en een gezamenlijk diner.

Hein was behalve lid van het Paard van Ree ook lid van Weenink. In het seizoen 1985/1986 leidde hij het tweede van Weenink naar een kampioenschap en tijdens die campagne werden wij in de Weenink Post op een geheel eigen wijze op de hoogte gehouden van dat succes. Zijn ideaal was een verslag te schrijven waar geen schaakterm of -zet aan te pas kwam. Daar oefende hij op. En zo kon het gebeuren dat ons een schaakwedstrijd verteld werd als ware het een regatta op het Wijkermeer, dan gingen de trossen los, was er geen sprake meer van open lijnen maar van rakken, werd er bij harde wind gereefd en als het echt niet anders kon de steven gewend, maar nooit schipbreuk geleden, ofschoon kantje boord. Tegenstanders werden gefinndold. Dat was een woordspeling. Maar er werd ook wel eens uit Beverwijk vertrokken. Vroeger was dat gewoon een uitwedstrijd. Maar Hein zag dat toch anders en dan heette het: er zijn soldaten uit Beverlo vertrokken. Een lied, aan de inhoud waarvan de eigen spelers zich niet veel gelegen lieten liggen, want het waren hun tegenstrevers die zouden sneven.

Beverlo

Een lied uit Mistero Buffo van Dario Fo
Internationale Nieuwe Scène


Bij het kampioenschap volstond hij met een gedicht:

Sebastian Coe
Een dertigtal meters
genomen met schijnbaar gemak…
Hautain wendt het hoofd zich
linksom over de schouder,
rechtsom over de schouder.
Het lichaam schakelt terug –
de benen gaan in vrijloop.
Ze dragen twee geheven
armen over de finishlijn.


Heel mooi vond ik een stuk dat hij een keer zomaar plompverloren middenin een “wegens een bruiloft in Dubrovnuk verlaat” verslag opschreef. Had laten slingeren leek het. Vergeten op te ruimen. Een verdwaalde tekst uit een ander verhaal, een andere plaats, een andere tijd. Wonderschoon.

We zitten langs de weg ergens midden in Kroatië; Walter, Wolter en ik. We eten en drinken wat. Onder en tegenover ons het glooiend landschap van een bergdal. Verspreid liggende boerderijen, wat omgeploegde akkertjes, veeteelt. Zo’n zes, zevenhonderd meter beneden ons, zowat aan de voet van de tegenover ons liggende heuvelrij, grazen enige koeien. Er staat een vrouw bij. Rechtop en schier bewegingloos. Ik breek een stuk van een groot, plat brood en wacht tot Wolter klaar is met ons enige mes. Het is hier fris langs de weg. Nu krijg ik het mes. Daarmee druk ik wat harde schubjes boter in het veel zachtere brood en daarmee snijd ik wat plakjes van de te dure salami worst. Wachten, aankloten, snijden, dat kost mij een minuut of tien. Hap. Ik kijk weer naar de koeien. Ze grazen. De vrouw staat bij hen. Rechtop, bewegingloos en schier op dezelfde plaats. Ik pak een fles bier en maak hem open. Fleng. Salami, bier en broodpap. Weer kijk ik naar beneden. De koeien grazen wat verderop, 30 à 40 meter. De vrouw staat bij hen, 30 à 40 meter van haar oude positie. Rechtop en schier bewegingloos. Wellicht spaart ze haar krachten; ik denk dat ze vandaag het huishouden nog moet doen. Welk een tempo heeft het leven hier en van welk een nooit geschatte waarde is hier de Dame?