Vleermuis 30

De beesten op mijn rondje door het dorp

Ik praat met de honden en de katten, behalve als er een hardloper aan vast zit, ik imiteer de ganzen en de eenden, waar ze erg om moeten lachen, en ik probeer de vogels na te bootsen, maar dat lukt nog niet zo goed. Ik spreek dus bijna geen mensen meer op mijn rondje door het dorp. Maar vannacht beleefde ik wat geks. Ik moet het gedroomd hebben.




Zatopek

Onder een brug bij het water ontmoette ik een man, die zei: ik werk op het Tsjechische ministerie voor het behoud van alle dingen, eigenlijk ben ik minister en u moet mij helpen. Waarmee, vroeg ik. Hij had een klein koperen onderlegringetje in het water laten vallen en dat wilde hij terughebben, anders was hij geen knip voor zijn neus waard. Goed, zei ik. Twee zien meer dan een. Dat is hier een gezegde. Om beurten doken we een paar keer in het water, wat nog verrassend koud was. Drie keer is scheepsrecht, proestte ik na de tweede keer, ook zo’n gezegde, we doen het nog één keer. En verdomd, toen kwam ik met niks, maar hij met drie ringetjes boven water. Hij bedankte mij en zei: u had gelijk. En toen dronken we koffie uit een ouderwetse thermoskan. Laat hem niet vallen zei hij, want dan is ie kapot. De koffie schonk hij in een emaillen mok, waar een stukje vanaf was. Hij had zijn naam erop geschreven: Zatopek. Dat vond ik gek. Waarom staat je naam erop, vroeg ik. Hij zei: dan kan ik hem niet kwijtraken. Ik zei: loop je nog wel eens hard? Hij leek nu in gedachten te verzinken. Hardlopers zijn doodlopers, zei hij toen, ik ga maar weer eens, terug naar mijn ministerie.

Vleermuis 28

Een tochtje door het Heemskerkerduin en tegelijk een reisje door de tijd. De zwart-witfoto’s zijn uit 1973. De kleurenfoto’s zijn van vandaag. Het gebied is erg veranderd, maar nog wel landelijk gebleven, zij het ternauwernood. De enige plek die ik na al die jaren terug kan vinden is de boerderij Zuid Endt. Het is een monument. Daarvan heeft Heemskerk er niet veel. Vlakbij, midden in het weiland, staat een klein paaltje. Het geeft de grens aan tussen Heemskerk en Beverwijk. Op het nippertje.

Heemskerkerduin

Vleermuis 27


Elke morgen lopen we hetzelfde rondje. De schapen beginnen ons al een beetje te kennen. Ze zijn geschoren. Ze zien er niet uit. De kleine zwaantjes wel. Die zijn al een keer de straat overgestoken. Van de ene naar de andere sloot. Dat moeten ze van hun ouders, die doen dat elk jaar zo. Dan leren ze hun plekje kennen. Het zijn er tien. Nu leren ze eten uit de nieuwe sloot. En oppassen voor de waterrat. Morgen gaan ze weer terug. In zwanenmars de weg over. De waaghalsjes kunnen nog niet vliegen. Het is uitkijken voor de auto’s. Je weet nooit of ze stoppen.

Het valt me op dat er minder hondjes op straat lopen. Ze zijn het een beetje zat. Baasje dat de hele dag met de riem aan komt zetten. Was eerst wel leuk, maar wordt nu toch wel erg vermoeiend. Ze snakken naar een versoepeling van de regels. Of anders toch tenminste een soort van een plan voor terugkeer naar het oude bestaan. Waarin ze zo nu en dan nog een oogje konden dichtdoen. In plaats van vierentwintig keer zeven op pad te moeten.

De werklui, die elke dag een stukje verder graven aan een buis onder de stoep, lachen naar ons en vragen of de muziek zachter moet. We beginnen ze al een beetje te kennen. Ze zijn onberekenbaar, moeten plotseling aan de overkant iets uit hun busje halen als wij langs komen. Dan vluchten wij het plantsoen in en trekken een gezicht. Dat vinden zij leuk. Wij lachen naar hen.


Vleermuis 26

Noordermaatweg (Heemskerk 2020)


Even een vleermuisje tussendoor. Vanmorgen om zes uur opgestaan en een rondje Noordermaatweg gelopen. Niemand gezien. Drie koeien en een droevig paard. En ontelbaar veel vogels, grutto’s, kievieten, ganzen, een heleboel zwanen en twee kluten. De kievieten joegen een reiger weg.

Thuisgekomen een boodschappenlijst gemaakt en naar het vroege uurtje in de DEKA gefietst. Daar stond al een eersteling opgesteld. Je bent nummertje twee, zei Nanny, jullie hebben de winkel voor je alleen. Maar toen de draaideur openging kwamen er plotseling uit alle hoeken en gaten op het pleintje onwaarschijnlijk veel meer grijze vogels te voorschijn. Die hadden zich verdekt opgesteld. Ik was opeens allerlaatst. Binnen namen we het niet zo nauw. We waren onder mekaar. Het ouderenuurtje was begonnen.

Dat doe ik dus nooit weer, zei ik, toen ik met mijn boodschappen weer buiten stond. Ik moest denken aan Nanny’s ouders die toen ze ook al in de zeventig waren hun vrije reis gingen opmaken en dat was natuurlijk zo lang en zo ver mogelijk. In Maastricht zaten ze dan al vroeg op een terras aan het Vrijthof van hun koffie met appelgebak te genieten, dachten ze, “maar dan werd er zo’n bus met oudjes uitgeladen”. En dan moest je dus wegwezen begrepen wij.

Vleermuis 22

*

Twee keer heb ik hem nu gezien. De man die beslist over leven en dood. Hij treedt op in praatprogramma’s op tv. Hij is dol op de camera. Tussendoor werkt hij in een ziekenhuis, zegt hij.

Wel leuk om te vertellen, begint hij zijn verhaal. Over iemand die het niet gaat halen. Ja maar, ik ben drummer, ik speel in een band, had die gesmeekt. Dat is nu echt voorbij, had de man die beslist over leven en dood zachtjes gezegd. De andere gasten aan tafel zijn onder de indruk. Zo gevoelig.

Gisteren weer. Hij doet er een schepje bovenop. Een patiënt is er nog slechter aan toe dan de vorige. Maar dat zou hém, de man die beslist over leven en dood, met Pasen niet gebeuren. Hij gaat op zoek naar de grenzen van het protocol. Met gevaar voor eigen leven? Zo zou je het kunnen zeggen. Maar als een goed scorende spits geeft hij alle eer aan zijn team. Dat had ook nee kunnen zeggen. Maar ze zijn er voor gegaan, allemaal.

De man die beslist over leven en dood. Is hij echt of is hij verzonnen? Ik word een beetje misselijk. Wie echt goed doet loopt er niet mee te koop.

Nanny zegt dat ik niet meer mag kijken.

Vleermuis 20


Nee, we zaten vandaag niet met onze fietsen in de trein om ergens een stukje te gaan fietsen en nee, we waren gisteren niet in Naarden om Erbarme dich mee te zingen, we hadden wel iets beters te doen: de dakgoot schoonmaken en de boekenkast uitmesten. Alle boeken zijn ontstoft. Dat leverde een paar verrassende vondsten op. Uit een boek over Frankrijk viel een folder van Peugeot-bromfietsen uit 1969 en uit een stapeltje stripboeken kwam een bundel tekeningen van Brian Bagnall te voorschijn. Kleine beestjes hadden het boekje helemaal stukgelezen. Dat kon je ze niet kwalijk nemen, want het heette Beestenbende.

In de krant en op radio en TV schijnt ondertussen dwars door alles heen de komkommertijd al weer te zijn aangebroken. Een greep uit het aanbod: “Aardappels hopen zich op”, “Honden met afgesleten voetzooltjes”, “Frits Flinkevleugel overleden”, “Dit zijn de lekkerste paaseitjes” en “Waarom gebruiken mensen hun tong bij het zoenen”.

Waar ik wel een beetje overstuur van raakte was het verhaal van de Duitser, die door zijn vrouw eropuit was gestuurd om nog gauw even voor Pasen in Nederland een flesje room te bemachtigen. De marechaussee vond het geen dringende reden en stuurde de man terug. Zonder pardon en zonder flesje room. Naar zijn vrouw…zie je het voor je? Dát is pas erg.

Vleermuis 17

De honden hebben de tijd van hun leven. Ze worden de hele godganse dag lang door hun baasjes uitgelaten. Niet alleen ik, ook katten klagen daar al over. Als je op straat loopt moet je voortdurend uitwijken, oversteken, omkeren en opnieuw uitwijken, want de baasjes zitten nu steevast aan de lijn en kunnen dus geen kant op. Voor je het weet lig je in quarantaine. Dit wordt voor mij dus ‘het nieuwe normaal’: elke dag een levensgevaarlijke slalom over straat en in recordtijd weer binnen zien te komen.

In 1947 had ik daar nog totaal geen last van. Het was de tijd van mijn leven. Hele delen van Den Haag waren platgelegd (voor de Atlantikwall, maar nu even geen kwaad woord over de Duitsers) en de Juliana van Stolberglaan lag er nog steeds hopeloos verlaten bij toen ik op het toneel verscheen. De poedel Ulla verdedigde mij. Ofschoon ik in mijn bolide zo stevig als een tank niet veel te duchten had.

Maar Ulla hield niet altijd de gepaste afstand. Heel lang heb ik volgehouden dat zij hier mijn appel wou afpakken. Alsof ik dat nog zou weten. Nu ben ik bang dat Ulla alleen maar haar bal terug wilde hebben en dat ik dus toen al een kleine pestkop was.



Vleermuis 15

Glas-in-loodraam in de oude Cabralschool (Amsterdam 2013)


*

In 2013 op een van mijn zwerftochten door Amsterdam kwam ik in de Cabralstraat bij wat een oud schoolgebouw bleek te zijn. Links aan de zijkant stond een hek open en terwijl Nanny wegvluchtte liep ik brutaal naar binnen met mijn fototoestel.


Ik zei dat ik belangstelling had voor architectuur, oude interieurs, trappenhuizen en Amsterdamse School. En of ik rond mocht kijken. En als dat mocht foto’s maken. Het mocht en ik werd meegenomen naar de kantine waar Herman Brood zijn sporen op de wand had nagelaten.


Daarna werd ik losgelaten in het gebouw, dat net ontruimd was door de anti-kraakbeweging en in staat van verbouwing verkeerde.


De school, met ingangen aan de Cabralstraat en de Marco Polostraat, heeft in de loop der tijd diverse namen gehad. Zo komen we de naam Cabralschool tegen. Hoewel verwarring met de Cabralschool aan de Vancouverstraat mogelijk is, is deze naam wel degelijk te zien op oude foto’s in het gemeentearchief van Amsterdam.

In 1937 werd het pand door B en W van Amsterdam, “… hetwelk voor het openbaar onderwijs in die buurt niet meer noodig is”, aan het rooms-katholieke kerkbestuur van den H. Augustinus aangeboden. Het gedeelte aan de Cabralstraat kreeg, na een verbouwing in 1939 door architect K.P. Tholens, de naam St. Tarcisiusschool, een lagere school voor jongens met zeven klaslokalen. Ook komen we de Pius X ULO en De Wissel (voor Voortgezet Speciaal Onderwijs) tegen, dat (later?) een onderdeel was van Esprit Scholen.

Komend vanaf het Mercatorplein is het een opvallend gebouw aan het einde van de Cabralstraat in de Baarsjes. Een massieve, symmetrische, bakstenen gevel met golvende delen, verschillende kleuren baksteen, en een dubbele schoorsteen. Boven de deur is een hoge raampartij met smalle vensters. Kleine raampjes, smalle vensters en golvende geveldelen op de begane grond en de hoeken domineren de zijkant van het pand, waar zich nu een openbare tuin met collectief kippenhok bevindt.

De achterkant van het gebouw, dat aan de Marco Polostraat ligt, wordt in tegenstelling tot de voorkant nog omringd door de originele woningen. Het heeft dezelfde massieve uitstraling als de voorkant, maar dan minus de markante schoorstenen. Het heeft echter wel een fraaie, zij het in slechte staat verkerende, houten Amsterdamse School-deur, die overeenkomt met de originele deur aan de voorkant zoals die te zien is op foto’s in het gemeentearchief van Amsterdam.

Veel is er verbouwd en aangepast in het interieur, maar in de twee trappenhuizen zijn elementen te vinden die origineel ogen. Met name de houten trapleuningen en het ijzeren sierwerk zijn blikvangers. Het glas-in-loodraam in het trappenhuis is naar verluidt van latere datum.

Nu is Midwest er gevestigd. Midwest is een onderneming, ontmoetingsplek en werkplaats met als doel sociale impact in de buurt te creëren.

http://inmidwest.nl/
https://amsterdamse-school.nl/objecten/gebouwen/coop-midwest/
http://www.inmidwest.nl/morgen-is-een-nieuwe-dag/

Vleermuis 14

Schiphol 1959


In de paasvakantie van 1959 hingen wij (mijn neef Kasper en ik) dagenlang op Schiphol rond. Daar struinden we de vestigingen van de luchtvaartmaatschappijen af op jacht naar time tables. Hele boekwerken maakten we buit. Thuis in Amstelveen bezaten we elk een eigen luchtvaartmaatschappij met een virtuele vloot, nagetekende time tables en zelf gemaakte vluchtschema’s. En we maakten foto’s met onze Kodak Box camera’s. Zeker toen er een Tupolev TU-104A landde. Het was de CCCP-42393 van de Sovjet-Russische Aeroflot. We waren een jaar te laat.

*

Op 8 juli 1958, kwam de eerste Tupolev aan op Schiphol. Het straalvliegtuig scheerde de bosjes langs de Schipholweg, die korte tijd afgezet werd. De landingsbaan bleek gelukkig lang genoeg en de remparachutes hoefden niet te worden gebruikt, tot opluchting van de luchthavenautoriteiten.

Onder opvallend grote belangstelling landde op maandag 7 juli 1958 voor de eerste maal een Tupolev Tu-104 straalverkeersvliegtuig van Aeroflot op Schiphol. Met een hoge gemiddelde snelheid van ruim 700 km/u was het indrukwekkende Russische toestel door gezagvoerder Pjotr Soldatev in 3 uur en 15 minuten via Denemarken van Moskou naar de Amsterdamse luchthaven gevlogen voor een eerste technische proefvlucht. De opening van de lijndienst naar Moskou zou negentien dagen later plaatsvinden. Het radiocontact in het Engels tussen de cockpitbemanning en de verkeersleiding op Schiphol had geen problemen opgeleverd en de Tu-104A met de registratie CCCP-L5442 had geen moeite gehad met de landing op baan 19, met ruim 2500 meter de langste op Schiphol. De drie remparachutes (een bijzonder hulpmiddel van het Russische toestel bij lastige landingen) hoefden niet te worden gebruikt. De aankomst van de Tu-104 CAMEL op Schiphol was groot nieuws in Nederland. De kranten stonden er vol van. ‘De mensenmenigte was enorm. Alle terrassen, cafés, loopbruggen, trappen en toegankelijke daken zagen zwart van de nieuwsgierigen. Zelfs op de weg stonden honderden die de aankomst wilden meemaken,’ schreef De Telegraaf.

(Dick van der Aart: De spionnen van Aeroflot)

De volgende dag vloog het toestel een rondje boven het IJsselmeer, waarbij de gezagvoerder Pjotr Soldatov het niet kon laten om indruk te maken op zijn gasten. Voor de sopraan Erna Spoorenberg kon het niet hoog genoeg gaan.

Met een onbarmhartige stijgsnelheid van 15 meter per seconde joeg Pjotr Soldatov het Russische straalverkeersvliegtuig de lucht in. Achteraf vertelde de tweede piloot ons minzaam glimlachend, dat dit stijgingspercentage niets bijzonders is: “We hebben u al te grote sensaties willen besparen, maar de Tupolev kan desnoods 25 meter per seconde (dat is 1500 meter per minuut) stijgen”.

De piloot, die een zakdoek om zijn hals had geknoopt om ondanks de hitte in de cockpit zijn boord schoon te houden, draaide boven het IJsselmeer opvallend stoere bochten, waarbij het vliegtuig stijl op zijn kant overhelde. Voor de landing ging de machine op grote hoogte over in een duik van maar liefst 30 graden. Zelfs gezagvoerder A. van Ulsen, chef-vlieger van de KLM in Europa en het Midden-Oosten, was dat een beetje te bar: “De dalingshoek bedraagt normaal 15 graden“, vertelde hij. Zijn echtgenote, de zangeres Erna Spoorenberg, die ook tot de gasten behoorde en voor het eerst een vlucht in een straalvliegtuig maakte, vond het evenwel “een plezierige sensatie”.

(De Tijd 9 juli 1958)

Drie weken later is piloot Pjotr Soldatov al een stuk voorzichtiger. Op weg naar Amsterdam durft hij niet te landen, omdat de baan nat is. Hij wijkt uit naar Kopenhagen.

Tupolev met ruim vijf uur vertraging op Schiphol

Pjotr Soldatev durft landing op natte landingsbaan niet aan.
De openingsvlucht van de Aeroflot op de lijn Moskou-Amsterdam heeft wel duidelijk bewezen, dat Schiphol, nu de langste landingsbaan tijdelijk buiten gebruik is gesteld, echt niet berekend is op vliegtuigen als de Russische Tupolev, alle verkeersafzettingen ten spijt. En het zal wel behelpen en improviseren blijven tot in september baan 19 weer benut kan worden. Pjotr Soldatov had ‘s morgens de landing niet aangedurfd omdat de baan na een paar fikse regenbuien kletsnat was. Op het Deense vliegveld Kopenhagen heeft hij een tussenlanding gemaakt en daar rustig afgewacht tot het zicht boven Amsterdam wat beter was en de landingsbaan was droog gewaaid. Collega’s van andere luchtvaartmaatschappijen die het weertype boven ons land al wat langer kennen, zullen de Russische gezagvoerder kunnen voorspellen, dat er in de komende weken ongetwijfeld nog wel eens een tussenlanding in Kopenhagen voor hem in het verschiet ligt.

(De Tijd 28 juli 1958)

Nog weer een paar maanden later worden bij een landing met staartwind de remparachutes voor het eerst gebruikt en krijgt de Tupolev, die door zou vliegen naar Parijs, Schiphol als eindbestemming.

De Tupolev-104 van de Russische luchtvaartmij. „Aeroflot” maakte gisteren in het mistige weer op baan 19 van Schiphol een landing, waarbij halverwege het 2850 meter lange beton twee remparachutes uit de staart werden ontplooid teneinde de landingssnelheid af te remmen. De Tupolev-104, met aan boord 45 passagiers, kwam met een vrij grote snelheid aan de grond en aangezien het toestel daarbij nog een staartwind had van ongeveer 13 km in het uur, besloot de gezagvoerder beide remparachutes te gebruiken, een unicum bij een landing van een burgervliegtuig op de Amsterdamse luchthaven. Voor de eerste maal zou de Tupolev gisteren na de tussenlanding op Schiphol doorvliegen naar Parijs. De gezagvoerder had evenwel pech. De weersomstandigheden op Le Bourget waren zodanig, dat het landen met een straalverkeersvliegtuig aldaar niet verantwoord was. Daarom werd Amsterdam toch weer eindstation. Van de 45 inzittenden hadden 32 passagiers Parijs als eindbestemming. Zij keken wel vreemd op, toen zij vernamen, dat zij moesten overstappen in een „Viscount” van de K.L.M.

(Algemeen Handelsblad 29 november 1958)

Maar het is dan al niet meer dezelfde Tupolev, waarmee Pjotr Soldatov de blitz maakte toen hij over het IJsselmeer vloog, want daar gebeurde op 15 augustus 1958 iets vreselijks mee:

Aeroflot Flight 4 (Russian: Рейс 4 Аэрофлота Reys 4 Aeroflota) was a scheduled domestic passenger flight from Khabarovsk to Moscow with a stopover in Irkutsk that crashed on 15 August 1958, killing all 64 passengers and crew aboard the aircraft. It was the first fatal accident involving a Tupolev Tu-104.

The aircraft involved in the accident was a Tupolev Tu-104A equipped with two Mikulin AM-3M engines registered as CCCP-Л5442 to the Moscow Civil Aviation Directorate of Aeroflot, the national flag carrier. At the time of the accident the aircraft had endured 1041 flight hours and 401 pressurization cycles.

In attempts to avoid the clouds the airliner increased altitude to levels unsafe for the aircraft at the current weight, and combined with the updrafts present in the clouds, the aircraft stalled, during which the engines flamed out and the landing gear was extended. The failure of the engines and disorientation of the crew, from accompanied failure of the artificial horizons, rendered recovery nearly impossible.

(Wikipedia)

En Pjotr Soldatov? Ontsprong hij de dans? Ik denk het. Want in 1961 en 1962 vestigde hij als co-piloot samen met Ivan Sukhomlin nog vrolijk twee wereldrecords met een Tupolev TU-114.

12 July 1961
Altitude with payloads of 25,000 to 30,000 kg (55,115 to 66,138 lb)
Pilot: Ivan Sukhomlin (USSR)
2nd pilot: Piotr Soldatov Course/place: Vnukovo (USSR)
12,073 m (39,610 ft)

21 April 1962
Maximum speed on a 10,000-km (6,210-mile) closed circuit with payloads of 1,000 to 10,000 kg (2,205 to 22,046 lb)
Pilot: Ivan Sukhomlin (USSR)
2nd pilot: P. Soldatov Course/place: Sternberg-Point Observatory (USSR) Tu-114 ‘76467’
737.352 km/h (458.169 mph)

(Wikipedia)

Vleermuis 11


Verdwaalde heiligenbeelden

In 1960 won mijn vader vijftig gulden met een foto die hij had ingestuurd voor de nationale fotowedstrijd “De plaats waarin wij wonen”. Dit laatste had hij ruim opgevat, want hij woonde in Amstelveen en de foto was genomen aan de De Ruijterkade in Amsterdam, waar hij werkte.

Het krantenknipsel heeft mijn moeder uit het Amstelveens Weekblad geknipt. Als je de de krant haalde dan betekende je wat vond zij. En met kleine prijsjes kon je haar erg gelukkig maken.

Zoals de vulpen van Het Parool. Voor hondstrouwe lezers of zo. Alleen ging de glans daar een beetje vanaf toen bleek dat bijna iedereen bij ons in Amstelveen zo’n ding had. Maar die landelijke zesde prijs van mijn vader die stond.

Amsterdam 1960

En wat die heiligenbeelden betreft: het negatief van de bekroonde foto is mijn vader volgens zijn aantekeningen (hij was zorgvuldig, maar toch) kwijt geraakt. Gelukkig was er nog een tweede foto. Wachtend op transport heeft hij die genoemd.


Zie ook: De foto’s van mijn vader deel 1, deel 2, deel 3

Vleermuis 10

Noordermaatweg
Heemskerk 1 april 2020

Woensdag is mijn Fit-met-Visie-dag. Maar de sportschool is dicht. Er moet dus geïmproviseerd worden. Want ik moet fit blijven. Ik ben de jongste niet meer. Zegt mijn buurvrouw. In ons hofje zeggen we mekaar de waarheid. Daarom vanmorgen in alle vroegte een rondje Noordermaatweg gedaan. Zeven kilometer in gezwinde pas. Net op tijd terug voor het ontbijt. Daarna nog wat oefeningen gedaan. Gewoon middenin de kamer. Opdrukken en zo. Dat soort werk. Ging prima. Veel beter dan wanneer je eerst aan al die akelige apparaten gehangen hebt. Maar veel gekker moet het toch niet worden. Waarom krijgen we geen huiswerk op? Waar blijft dat filmpje met aanmoedigingen van onze instructeur?

Vleermuis 9

Soms is de kortste
weg het mooist en daar is het
dan snel mee gedaan

Loch Creran is een loch dat aan de westkust van Schotland vanuit zee diep het land insnijdt. Op onze fietstocht door Engeland en Schotland in de zomer van 1975 lag het meer op onze route naar Fort William mooi in de weg.

De A828 maakte een grote bocht helemaal om Loch Creran heen. De oude spoorbrug naar Creagan aan de overkant bracht uitkomst. Het was nog een hele hijs om er vanaf de weg met onze zwaarbeladen tandem op te komen, maar toen hadden we ook wat: een hele brug voor ons alleen.

De oude spoorbrug over Loch Creran nabij Creagan in 1975

Nu neemt ook de A828 de kortste route en is de oversteek lang zo mooi niet meer:

Vleermuis 8


Schoenmakerij W.J. Vleugel (Amsterdam 1950)

Schoenmaker W.J. Vleugel, hier aan het werk in zijn werkplaats aan de 1e Helmersstraat nr 150 in Amsterdam, omstreeks 1950


Nanny’s eerste schoentjes

Wijnandus Johannes Vleugel is de opa van Nanny. Zij is naar hem vernoemd. Hij leefde van 1889 tot 1965


Voor wie stevig in zijn schoenen staat

Nanny zit op tekenles. De online opdracht van haar tekenlerares Yvonne Zomerdijk kreeg de titel “Voor wie stevig in zijn schoenen staat” en luidde: teken of schilder in je eigen stijl je lievelingsschoenen; zet ze neer of houd ze aan, teken ze van boven of van opzij, maar bewandel vooral je eigen pad

Vleermuis 7

Vannacht heeft de tijd een sprongetje van een uur gemaakt. Zomertijd. Mag dat zomaar? Ik zie voordelen. We zijn opeens een uur opgeschoven in de richting van … Nanny vindt mij elke dag iets minder aardig nu we de hele tijd op elkaars lip zitten. Dat moet niet te lang duren. Dus dat verdonkeremaande uurtje komt goed van pas. Alle kleine beetjes helpen.

Lok hem met wat lekkers

Op onze dagelijkse rondje lezen we over de lekkerbekparkiet Japie, die het thuis niet uithield en er tussenuit gepiept is.

Lok hem met wat lekkers

Want hij is wat dorstig

Een raadselachtige gedachtesprong brengt me bij de briefjes die op vondelingen werden aangetroffen in de negentiende eeuw en die Nanny bij haar naspeuringen op het Amsterdamse Stadsarchief gevonden heeft. Op die briefjes staan de hartenkreten van de moeder en soms ook nog wat aanwijzingen.

Geertruida Hebbelijk

Op 29 november 1841 om half negen ‘s avonds wordt een kind, ongeveer drie maanden oud, gevonden op de stoep van de Herengracht 145 in Amsterdam, met een briefje op haar kleertjes gespeld:

“Dit kind is hier neergelegen uit grootte arremoe het kind is niet gedoop Zij is mijn lief maar niet weten om er deur te komen het kind zouw gedoop worde maar ik heb geen goed Zij is griffemeerd G V D h Geertruida nu hoop ik als dat de goede mensen medelijdent zal wezen.”

Geertruida Hebbelijk (de achternaam kreeg zij in het weeshuis) zou opgroeien, zeven kinderen krijgen en de overgrootmoeder van Nanny worden.

Ook zo’n briefje werd gevonden op het jongetje Pieter de Boer. Dat is geen familie van ons, maar ik laat het toch zien, omdat het behalve hartverscheurend ook grappig is en vooral erg praktisch.

Want hij is wat dorstig

“Dit Kind Heet pieter de Boer Geboore op de vierde December 1840 en Heeft tot nog toe geen borst gehad maar is gewent uit een Kroes met een tuitje te drinke water en melk met Zuiker en Smorgens en Zavens een Sneetje wittebroot en water en melk met Zuiker gedoopt en Smiddags uit de pot maar dan is het Gewent eers een Kroessie drinken en tussen bijde ook een kroessie want Hij is wat dorstig.”

En de moeder had ook nog wat extra spulletjes meegegeven, getuige het vondelingboek:

“Zijnde bij hetzelve tevens gevonden een Trekpotje welke om het lijf was vastgebonden, en was ook voorzien van een dubbeld Breukbandje”

Stadsarchief Amsterdam, inventaris nr 344, het archief van de inrichting voor stadsbestedelingen, inneemboek 393