Ambacht in Beeld Festival 2018

Het Ambacht in Beeld Festival werd afgelopen weekend gehouden op de vertrouwde plek in de Amsterdamse Hallen. Van de vorige edities had ik er twee min of meer meegemaakt (zie Ambacht in Beeld  2016 en 2017) en deze wilde ik ook niet missen.

Op de heenreis kwam ik in de trein terecht tussen een vader en een moeder en hun dochter. De laatste had haar K3-jurk aan met een hart dat als je er over heen streek van zilver roze werd en andersom. Ik mocht dat niet, haar vader en moeder wel en dan bracht het meisje het hart weer op orde. Roze. Ze waren overduidelijk op weg naar een concert van K3. Mamma bleef rustig. Pappa was helemaal van de melk. Honderd pina colada’s kreeg ik te slikken en duizend kleine matroosjes kwamen er voorbij. Het duizelde mij. Het meisje telde ondertussen de stations af en ook dat was niet zo eenvoudig want de trein zou tien keer stoppen en dan kwam er nog de metro richting Bijlmer. Hoe ging ze dat volhouden? Op station Sloterdijk mocht ik eruit. Ik wenste haar veel plezier.

Serviesfabriekje

Het Ambacht in Beeld Festival had plaats volgens het beproefde recept: films, masterclasses, demonstraties en workshops, waarvan een heleboel voor kinderen. Ambachtelijk meesterschap. Voor een groot deel vrij te bewonderen in en rond De Passage. De draak van papier-maché was een groot succes. En ook het serviesfabriekje draaide weer lekker. Er werd lino gesneden, strip getekend en ouderwets letter gezet. Vrolijk en leuk demonstreerde Fatima Oulad Thami haar henna kunst en de maskers van Charlotte Dillon en the Masketeers waren een feest om te zien. Buiten werd glas geblazen en een boot gebouwd.


Fotogalerij
(druk op een foto voor een vergroting)

Ambacht in Beeld Festival 2018


Er was nog veel meer te zien. Gelukkig werd er uitgebreid gefotografeerd en gefilmd. Meestal met smartphones, maar ook wel met professionelere apparatuur. De plaatjes zullen hun weg dus wel vinden.

Mijn foto’s zijn gemaakt vanuit de losse pols (met een Fujifilm X100F camera). Valt niet zo op dacht ik … En ze stonden schots en scheef. Ik heb ze thuis bijna allemaal recht moeten zetten.

 

PS
Op de terugweg moesten we wachten op Station Sloterdijk. Er liep een meisje rond in een door poortjes afgesloten gedeelte. Ze stuurde een karretje voor zich uit. Daarop stond een groot ding. Ingepakt. Het kon een muziekinstrument zijn of een bazooka. Je weet het niet. Ze zocht de lift naar perron 7. Die was er niet. Ze wilde terug door de poortjes toen wij de lift aan de andere kant zagen. Ze was halverwege een poortje maar kwam weer naar ons toe. Wij wezen haar de lift. Ze moest door een ander poortje. Dat poortje zei: je bent al uitgecheckt. Ze mocht er niet door. Ik bood haar aan te helpen het ding de trap naar perron 7 af te dragen. Ze zei dat dat niet veilig was. Dus toch een bazooka. Toen hebben wij haar voorgedaan hoe je snel achter iemand die er wel uit mag door een poortje kan glippen. Het lukte. Zij stak haar hand op. Daarna niets meer van haar gezien of gehoord. Wij zijn veilig thuisgekomen.

 

Website van het Ambacht in Beeld Festival

Arran

 

Brodick

Donderdag 19 juni 1997

Vanmorgen (Nanny had heel onrustig geslapen omdat we nog steeds niet betaald hadden) kwam de boerin van de Glen Rosa Farm op haar vuurrode duck op vier wielen met aanhangwagen het kamp op gescheurd om de bakken te legen en de ponden te innen. Dat was een pak van Nanny’s hart. Jammer genoeg waren alle midges ook wakker geworden en die begonnen ons onaangenaam te bestoken. Gauw spullen gepakt voor de tocht door Glen Rosa over The Saddle naar Glen Sannox.

Glen Rosa

Dat leek ons een aardige wandeling, ofschoon niet van gevaar ontbloot als je de eerste twee banken moest geloven, die beide waren opgedragen aan jammerlijk omgekomen hikers. De brug die de genie in opleiding uit Glasgow even verderop  had geslagen gaf iets meer vertrouwen en de langzaam stijgende helling naar wat ongetwijfeld het Zadel was deed ons opgewekt onze tocht vervolgen. Als Nanny moe was bleef ze staan en dan keek ze om zich heen en dan zag ze een hert met een gewei, een wonderschone orchidee of gewoon een steen om op te zitten.

Glen Rosa

Bovenop het Zadel met een prachtig uitzicht door Glen Sannox naar zee het eeuwenoude brood van het eiland genuttigd en melk gedronken. Langzamerhand begonnen we ons af te vragen hoe we de steile afdaling naar het dal zouden aanpakken. Het pad gaf ons de keus tussen een loodrechte rotswand en een angstaanjagende spleet. We kozen de laatste, hoewel Nanny bleef jammeren dat ze terug wilde (maar dat kon al niet meer) en te klein was (maar dat was een voordeel want zo paste ze precies door die sleuf). Op ons gat zakten we samen met het bergwater naar beneden, van rotspunt naar richel naar rotspunt.

The Saddle

Toen Nanny er niet meer in geloofde zag ze plots een papiertje van een pepermuntsnoepje liggen, wat toch moed gaf in deze benarde omstandigheden, want dan waren er dus andere mensen voor ons geweest die het gehaald hadden. Het bleek een papiertje uit mijn opengescheurde rugzak te zijn, wat een aanmerkelijke domper op de feestvreugde was. We zagen al een derde bankje voor ons geestesoog verschijnen aan het begin van de Glen, toen we met een laatste vertwijfelde glijpartij min of meer ongeschonden het dal bereikten, waaruit ons een hondje, een man, een jongen, een meisje en even later nog een jongen tegemoet kwamen.

“A nice day” vonden ze het en of de andere kant net zo was. Nee, die viel wel mee, maar deze kant die was “steep” en “very dangerous”, stamelden wij. Ze lachten ons uit (de andere kant nog makkelijker?) en gingen welgemoed de steile wand tegemoet. De laatste jongen bekeek ons iets beter en waarschuwde dat het dal verderop tamelijk “muddy” was. “No problem” zei Nanny opgewekt.

Glen Sannox

Even later was zij tot driemaal toe tot aan haar knieën in het moeras verdwenen. Ze moest schoongespoeld worden in de beek en eindelijk eindelijk bereikten we dan toch nog de bewoonde wereld, waar de postbus naar Brodick juist voor ons neus wegreed. Dus verder gelopen naar Corrie en thee met scones besteld in het hotel. Halsoverkop afgerekend om op de schoolbus te springen.

Brodick Bay

In Brodick schone t-shirts gekocht en de fietsen uit de tent gehaald. Daarna gevochten met de midges: gelijkspel. Zij zitten nu met z’n miljoenen voor de tent en wij met ons tweeën erin. Om het stiftje van het Kruidvat hebben ze een onbedaarlijke lol. Morgen doen we het wat rustiger aan, gaan we misschien naar een trial bij het kasteel.

(uit ons vakantiedagboek)

Meerstate

Het is druk in het restaurant van Meerstate. We zien Ronald zitten. Ben en Martin zijn er ook. We schuiven twee stoelen aan en vragen wat ze willen drinken. Ronald wil wel koffie, Ben bestelt kamillethee met drie scheppen suiker, goed voor de maag zegt hij, en Martin wil nog even niks.

Ben is soms moeilijk te verstaan, maar nu Nanny thee voor hem heeft gehaald doet hij erg zijn best en horen we dat hij uit Veendam komt en in Delfzijl rails voor de trein heeft gelegd. Op de milligram nauwkeurig. Daar moet Ronald om lachen. Millimeter verbetert Ben onverstoorbaar. Een secuur werkje en daar houdt hij wel van. Een mooie tijd. En in Apeldoorn heeft hij nieuwe wielen onder treinen gezet. Dat is zwaar. Elke morgen als hij opstaat wil hij zo weer gaan werken. Daar kan Ronald zich nou niets bij voorstellen.

Ronald heeft andere zorgen. Twee keer heeft hij al naar zijn AOW geïnformeerd. Hij vraagt zich af waarom hij daar niets van ziet. Dat gaat nu al weken zo. Ben vindt dat wel grappig. Hij vraagt aan ons hoe oud Ronald is. Wij vragen het Ronald. Die wil het niet meer uitrekenen: te moeilijk. Wij mogen het dus zeggen: zesenzestig. Ben zegt nu tergend langzaam, maar wel zo dat Ronald het goed kan horen: “Maar dan moet die man toch al AOW hebben?” Wij schieten in de lach. Ronald niet. Die moeten we het nu voor de derde keer uitleggen. Het is een onuitputtelijk onderwerp.

Ben en Martin gaan even naar buiten voor een sjekkie. Als ze terug zijn rolt Martin zijn stoel naar de bar. Hij wisselt een blik met Ben. Die knikt. Martin komt met twee bier en een borrel terug. Wij mogen het nu zelf uitzoeken. Maar ze demonstreren ons nog wel even de truc met de aansteker. Daarmee ontkurken ze hun flesjes bier. Even ploppen zegt Ben. Nanny moet kijken. Ach, plopje van niks mompelt hij. Ben geeft afwezig de kroonkurk aan Martin door. Maar die wil in plaats daarvan zijn aansteker terug. Ook goed.

Ronald is overgeschakeld op Weenink. Hij vraagt of ze nog steeds eerste klasse spelen. Wijkertoren zeg ik. Tweede klasse. Omdat ik niet meer meedoe zegt Ronald. Ik zeg je moet een potje doen met Martin. Bord en schaakstukken staan in je kast. Het is onbegonnen werk. Ronald zegt dat hij de stukken niet kan zien en Martin doet net alsof hij niet weet dat hij ooit geschaakt heeft.

Het is vijf uur. Ronald heeft een sprekend horloge. De mevrouw in dat horloge zegt ook dat het vijf uur is. Naast ons wordt Koos, die zit te slapen, opgehaald om te komen eten. Maar als Koos wakker is moet hij eerst alle stoelen recht zetten en alle leesbladen weer in het rek zetten waar ze horen. Dat is ook een secuur werkje. Wij helpen hem soms door alles expres een beetje slordig achter te laten als we weggaan. Daar heeft hij wat aan.

Op de fiets naar Groningen

Op de fiets naar Groningen. We doen het nog een keer. Onze fietsen stammen uit de vorige eeuw en wij ook. Dus trappen we in kleine etappes (via Spakenburg, Wezep, Kalenberg en Bakkeveen) naar Aduarderzijl in Groningen. Sneller gaat niet meer.

In Kalenberg bivakkeren we vier dagen lang in een klein molenaarshuisje aan de Hoogeweg. We kanoën door de Weerribben en Nanny gaat een keer kopje onder: aan de verkeerde kant uitgestapt.

Aduarderzijl

In Aduarderzijl zetten we ons tentje neer. Van daaruit maken we voet- en fietstochten. Met het Reitdiepveer (dat vaart tussen Aduarderzijl en Schaphalsterzijl) steken wij over naar het Hoogeland.

De tocht door de Noordpolder naar Noordpolderzijl is een verplicht nummer. Voor de liefhebbers, want de weg is lang, het land is leeg en de wind is onstuimig. Maar zo leer je Groningen kennen.

Noordpolderzijl

In Noordpolderzijl kun je niet verder of je moet het wad op. Het decor is troosteloos mooi. Eens lagen er schepen. Nu is de haven dichtgeslibd. Maar het café ‘t Zielhoes onderaan de zeedijk is springlevend. Behalve op maandag, want dan is het gesloten.

Spakenburg

Botterwerf (Spakenburg 2018)

We zijn in Spakenburg. Niet te geloven roept Nanny als ze de twee stadions van VV IJsselmeervogels en SV Spakenburg naast elkaar ziet liggen. Rood en blauw, ze hebben het hier goed voor elkaar. Het stadion van IJsselmeervogels stroomt vol. We gaan een kijkje nemen en vinden nog net een plaatsje op de afgeladen staantribune Midden Noord. De vrouwen van Ajax en PSV spelen om de KNVB-beker. We weten niet wat we meemaken. Nummertje 5 van Ajax gaat als een kanonskogel door de linies en vliegt voortdurend ondersteboven door de lucht, met of zonder tegenstandster. Het is bijna het enige wat we zien achter de brede ruggen van al die Spakenburgse vissers. Ajax wint. Het PSV-vak stroomt leeg, het Ajax-vak gaat uit zijn dak. Wij zoeken de jachthaven op, waar we ons tentje hebben opgezet.

Als het donker wordt kruipen we in onze slaapzakken, maar van slapen is geen sprake. We staan naast een caravan met twee onduidelijke figuren. Een ontsnapte tbs-er en zijn coach, soort van, zeg ik tegen Nanny. De mannen hebben zich bevoorraad met drie kratten bier. Het is zaterdagavond. Zij gaan het aan de waterkant luidruchtig op een zuipen zetten. Wij liggen in ons tentje en proberen niet op te vallen.

“Wat is dat voor een kut tentje, waarom doen ze dat?” “Dat vinden die mensen leuk.” Nanny fluistert: gaat dit over ons? Ik zeg: welnee, en wordt onmiddellijk uit de droom geholpen. “Stelletje homo’s” Dit laten ze even op ons en zichzelf inwerken. Dan is er plotseling paniek. “Godverdomme zag je dat?” “Waar?” “Daar! Een rat. Dat trek ik niet, ik ga naar binnen.” Ik fluister: het zijn watjes. Nanny sist: stil. Even later is er opnieuw paniek. “Muggen! Kan die deur niet dicht?” “Godsklere wat is het hier warm. Ik ga naar buiten.”

De mannen drinken stug door. Wij houden ons koest.

“Weet je waar ik zin in heb?” De tbs-er belt vriendinnen, slaat opeens heel fatsoenlijke taal uit. De vrouwen beloven wel maar komen niet. Dat verandert de zaak. “Kan jij niet een paar lekkere wijven voor ons gaan schieten in het dorp?” “Ga zelf een paar lekkere wijven schieten in het dorp.” “Ja maar jij hebt een auto.” “Ik ga nou niet rijden.” “Dan ga je toch lopen.” “Hoe kan ik nou lopen met dat been, dat heb ik je toch laten zien?”

Er vallen gaten in de conversatie steeds afgewisseld met “Dat gaat echt niet op komen.” Coach probeert zijn makker in het gareel te houden. Die sputtert nog wat tegen, probeert in zijn eentje toch nog het derde krat onschadelijk te maken, maar moet tenslotte ook afhaken. Het wordt langzamerhand stil. Opeens klinken er twee harde knallen. Ze hebben een pistool waarschuw ik Nanny. Uit de caravan klinkt angstig: “Wat was dat wat was dat, ik moet pissen.” Het valt mee, de mannen zijn ook geschrokken, stel ik Nanny gerust. Niet te geloven mompelt zij.

Om twee uur slapen wij.

De Ronde van Italië

“Er moet nog een vijfde berg worden beklommen, de Sestrière, de laatste marteling als straf voor de zonden van de mens: weer een halve kilometer tegen een berg op trappen. De details van de kroniek zijn niet meer belangrijk bij een dergelijke strijd (…) Coppi vliegt vooruit zonder de gespannenheid van de eerste uren, want hij weet zeker dat hij in zijn eentje bij de eindstreep zal komen. En Bartali houdt stug vol. Maar het aantal minuten dat hen scheidt wordt langzaam maar zeker groter: zes minuten op de Monginevro, zeven minuten in Cesana, bijna acht minuten op de Sestrière, en in het stadion van Pinerolo zullen het er ongeveer twaalf zijn.”

Het boek van Dino Buzzati (oorspronkelijke titel Dino Buzzati al Giro d’Italia, uitgekomen in 1981) is een verslag van de Ronde van Italië van 1949 en de strijd tussen de twee favorieten Coppi en Bartali. Ik heb het uit de kast gehaald na het zien van de strijd tussen Froome en Dumoulin in de zojuist afgelopen editie. In 1949 won Coppi, nu won Froome.

Chris Froome. Tachtig kilometer in zijn eentje tot op de Jaffereau. En winnen! Knap hoor. Alleen de hele groten kunnen zoiets: Fausto Coppi (solo naar Pinerolo in de Ronde van Italië van 1949); Charley Gaul (solo naar Aix-les-Bains in de Tour de France van 1958); Eddie Merckx (140 km solo door de Pyreneeën naar Mourenx in de Tour de France van 1969); Marco Pantani (solo naar Les Deux Alpes in de zogenaamde Tour de Dope van 1998); Floyd Landis (bizarre solo naar Morzine in de Tour de France van 2006). Alleen de laatste werd geschrapt …

Geweldige koers, die Ronde van Italië, met veel strijd en drama in een prachtig landschap en lang niet zo saai als de Tour de France. Jammer dat het voorbij is.

“Het leek of er nooit een eind aan zou komen en nu is het al verleden tijd. Nu wordt er over andere dingen gesproken, over de Ronde van Lazio, over de Tour (is het waar dat Bartali niet in dezelfde ploeg als Coppi wil rijden?), over wat de toekomst zal brengen”.

Maar één ding vraag ik mij wel af. Moet ik zo’n ronde, waarin de roze truidrager op veertig minuten wordt gereden en een astmapatiënt uiteindelijk wint, nou serieus nemen of is het nog steeds gewoon ouderwets spektakel? 

“En volgend jaar, in mei, zal opnieuw het startsein worden gegeven en het jaar daarop weer enzovoort, van lente tot lente zal het sprookje herleven”.

Help me herinneren

Dichten met boektitels

Bernlef, Help me herinneren, 2012
Marek van der Jagt, De geschiedenis van mijn kaalheid, 2000
Willem Frederik Hermans, De tranen der acacia’s, 1949
Renate Dorrestein, Het duister dat ons scheidt, 2003

Van wie is de stad

“Van wie is de stad” is de titel van een boek van Floor Milikowski, uitgekomen bij Atlas Contact in 2018, met als ondertitel “De strijd om Amsterdam”. Het is een verslag van de snelle veranderingen op sociaal en economisch gebied in de hoofdstad de laatste jaren. Is de stad nog wel van de bewoners? Of van vastgoedhandelaren en beleggers? En gaat de stad niet kopje onder in de toeristenstroom die direct of indirect gegenereerd wordt? Wordt Amsterdam het nieuwe Venetië?

Jacob van Lennepkanaal (Amsterdam 2017)

Als je zomaar wat door de stad zwerft, Damrak, Rokin en Wallen vermijdt, en op het Spui niet getorpedeerd bent door een horde huurfietsers en tussen Leidseplein en Museumplein niet onder de voet gelopen door een kudde rolkoffers en daarna niet op de onzalige gedachte komt Anne Frank met een bezoekje te vereren, dan valt het (voor een buitenstaander die er niet meer woont maar wel de weg nog weet) mee.

Maar de gemoederen zijn verdeeld. Je kunt niet met een fototoestel door de stad lopen zonder de kans te lopen voor stomme toerist te worden uitgescholden. Het gebeurde mij laatst. Nou wordt die mooi dacht ik. Ik ben hier op school geweest, heb er gestudeerd en gewerkt, Nanny is er zelfs geboren, onze dochter woont er, een voorouder is van hier naar Veenhuizen gestuurd en meer dan eens, mijn oom was directeur van de Amsterdamse Droogdok Maatschappij en mijn vader gemeenteambtenaar, ik heb Blauw Wit gezien in het Olympisch Stadion, geschaakt in Die Port van Cleve, gedanst in kelders waar Louis van Dijk optrad, weet Paradiso te vinden en toen we (Nanny en ik) in 1970 met wat jongens en de meisjes in ons kielzog vanuit Amstelveen naar een feestje* in de Bijenkorf (Ekseption zou optreden) gingen, wat totaal uit de hand liep, dat de mobiele eenheid toen was gekomen om de Dam schoon te vegen en we de zijstraatjes in moesten vluchten en we iedereen kwijt waren, maar gelukkig hadden we afgesproken elkaar weer op te zoeken bij het monument en dat toen we daar weer durfden te gaan kijken we alleen politie aantroffen met wapenstokken en een enorme ravage en de meisjes die bovenop de leeuwen waren geklommen en die niet van wijken hadden willen weten, maar de jongens wel, want die waren nergens meer te bekennen. Dat zei ik dus allemaal niet. Ik zei rot op ik versta jullie wel … of eigenlijk zei ik alleen dat laatste en zelfs daar ben ik niet zeker van. En ik dacht ook nog aan mijn eerste kennismaking met de stad toen ik in de krant had gelezen dat er een film met Brigitte Bardot draaide in Capitol op de Rozengracht. Ik had een foto van haar gezien in de Panorama, dus die film moest ik zien. Ik was dertien jaar, woonde nog in Amstelveen en ik wist echt niet waar de Rozengracht was. Ik durfde het niet te vragen aan mijn moeder (wat ga je daar doen jongen?), maar zoveel grachten konden er toch niet zijn in Amsterdam dacht ik en dat ik nog geen zestien was zou ik ter plaatse wel oplossen hoopte ik. Ik liet me door Maarse en Kroon naar Amsterdam brengen, stapte bij het hoofdpostkantoor op de Nieuwezijds Voorburgwal uit en vond de Bloemgracht. Dat leek een aardig begin. Dus van daar werkte ik alle grachten af, dat wil zeggen alles waar ik water zag, steeds koortsachtiger, totdat de aanvangstijd van de middagvoorstelling al lang verstreken was. Die verrekte Rozengracht was helemaal geen gracht maar gedempt. Wat je niet allemaal mee kan maken in de stad.

* In 1970 werd het 100-jarig bestaan van De Bijenkorf in Amsterdam gevierd met een Open Huis. Van zeven uur ‘s avonds tot middernacht waren 700 gasten uitgenodigd en kon het publiek vrij binnenkomen. Als snel bleek het uit de hand te lopen. Binnen waren rond 10.000 bezoekers, buiten waren 20.000 jongeren die ook naar binnen wilden. Oproerkraaiers begonnen met stenen te gooien waarna het op een veldslag uitliep. De mobiele eenheid (ME) moest twee pelotons inzetten om de orde te herstellen. Winkelruiten sneuvelden, auto’s werden gemolesteerd, barricades werden op het Rokin opgeworpen. De ME reageerde met waterkanonnen. In de Bijenkorf bleef het redelijk rustig maar de bezoekers moesten het pand even na tien uur vervroegd verlaten (bron: Wikipedia).

De stad is niet meer van mij, maar ik mag er nog steeds graag komen.

Muggenbeet 1963

 

De 30m² Zuiderzee van de familie de Boer uit Steenwijk (Muggenbeet 1965)

 

Fokke de Boer

We kampeerden in Muggenbeet op het erf van boer Harm van Sluis. Mijn neef Kasper en ik sliepen in een tentje. Naast ons stonden de jongens van de familie De Boer, Thijsse en Fokke. Het waren aardige jongens. Niet van het soort dat elkaar op vrijdagavond op het bruggetje vlakbij het cafeetje van Geertien en Griet met bromfietskettingen te lijf ging. De een was beter met het hoofd, de ander beter met zijn handen. Hun vader had in Steenwijk een drukkerij en in Muggenbeet lag de woonboot van de familie. En de dertig kwadraat. Dat was nog eens een boot. Daarvan waren er maar een stuk of dertig. Zij hadden nummer 3. Op het water stonden de schippers elkaar naar het leven. Maar in de Sneekweek ging de bemanning van elke boot halfweg de wedstrijd in Terhorne even aan wal voor een neut. Dat was traditie.

Wij leerden zeilen in een opgetuigde sloep. Later trokken wij met een zestien kwadraat naar Friesland. Of naar de Ronduite want daar had de familie De Haan een huisje met vijf dochters. Wij waren er niet weg te slaan. Toen het een keer spookte op de Beulaker voer ik er met de kano naar toe. Midden op het meer sloeg ik om. Ik had geleerd hoe je weer in de kano kon komen. Dat lukte nu niet. Ik dreef met kano en al richting de Blauwe Hand. Maar een motorjacht viste me op en bracht me alsnog naar waar ik zijn moest. Ik kreeg droge kleren waaronder een veel te grote onderbroek van pa De Haan en de jongste dochter vond dat ik nu wel kon blijven slapen. Ik dacht dat ik het gemaakt had. Maar toen zagen we door de verrekijker van vader De Haan een zeiltje uit de Walengracht het meer op komen. Het was mijn neef die de overtocht op de fok deed. Dat werd moeder De Haan toch te gortig. Twee jongens, een kano en een zeilboot, zoveel ligplaatsen had zij niet. Er werd een auto uit Muggenbeet besteld, met Fokke de Boer om de zeilboot terug te brengen. Wij mochten ook mee. Fokke hees naast de fok nu ook het grootzeil en zeilde ons met één hand dwars door de wind terug naar Muggenbeet.

Voor het slapen gaan hielden we ter afsluiting een stoeipartij in de boomgaard naast de boerderij. Kasper en ik tegen de jongens van De Boer. Ik scheurde per ongeluk de pyjama van Fokke. Dat had ik niet moeten doen. Het laatste wat ik zag was dat de aarde opeens omhoog tuimelde en tegen mij aan daverde. Een hallucinerende gewaarwording. Hij had mij met één machtige haal van zijn vuist buiten westen geslagen. Toen we in onze tentjes lagen bij te komen, wilde Kasper de haringen van de tent van de jongens van De Boer uit de grond gaan trekken. Ik wist dat uit zijn hoofd te praten. Met Fokke de Boer viel niet te spotten.

 

Muggenbeet 1963

Klik op de foto’s voor een vergroting

 

zie ook: Soms moet je lachen en soms is het beter van niet

Bloemenwinkel “De anemoon” van Klaas en Jentje Bakker

 

Bloemenwinkel “De anemoon”

In een kist met oude papieren uit het huis van mijn opa Hendrik Claasen tref ik deze raadselachtige foto aan. Wie poseren hier zo trots voor hun bloemenzaak?

De eerste stap is kijken waar de winkel zich zou kunnen bevinden. Het huisnummer staat er op, dat is een goede aanwijzing, ik hoop ergens in Amsterdam. Op zoek naar bloemenwinkels in de adresboeken van rond 1930 vind ik een zaak op naam van K. Bakker op de Admiraal de Ruijterweg nr. 278. Vervolgens heb ik de woningkaart erbij gezocht in het Stadsarchief. Op het adres blijkt in de winkelwoning K. Bakker te wonen met zijn vrouw.

 

Montelbaanstoren omstreeks 1880 met rechts op de voorgrond de Kalkmarkt (Foto Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Klaas Bakker is de tweede zoon van Albert Bakker en Heintje Neefjes. Hij is geboren in Amsterdam op 21 januari 1881 op een schip liggende aan de Kalkmarkt. De thuishaven van het schip is Hasselt in Overijssel.

Genealogische aantekeningen in de bijbel van Heintje Neefjes

 

In juni 1888 houdt het schippersgezin het voor gezien. Het laat Overijssel achter zich en gaat aan de wal wonen in Sloten, dat toen nog een een aparte gemeente was. Klaas heeft op dat moment behalve een oudere broer Otto nog een jongere broer Cornelis en een zusje Annigjen. Zij zijn allemaal op het schip geboren. Op 29 juni 1889 komt er nog een zusje bij, mijn oma, ook Annigje geheten. De wetten van het vernoemen waren kennelijk streng: de beide grootmoeders heetten zo. Vader Albert Bakker overlijdt in 1890 op 40-jarige leeftijd.

In het bevolkingsregister van de door Amsterdam geannexeerde gemeenten is terug te vinden dat Klaas Bakker in 1905 het huis van zijn moeder E 22 1 hoog verlaat en naar Duisburg vertrekt. Maar op 10 mei 1907 is hij weer terug in Sloten als hij met Maria Elisabeth Postmaa trouwt, dochter van Hendrik Willem, een bakker of ook wel brooddepôthouder, en diens vrouw Maria Elizabeth Lindeman. Het beroep van Klaas is dan stucadoor. Als op 30 september 1911 het eerste kind Klaas jr. wordt geboren, woont het stel in Hatert bij Nijmegen en wordt als beroep van de vader tramwagenbestuurder opgegeven. Het tweede kind, een meisje Maria Elisabeth, wordt op 6 januari 1914 in Keulen geboren.

 

Excerpt bevolkingsregister Amsterdam

Uit de Overgenomen Delen 1892-1920 van het bevolkingsregister van Amsterdam blijkt dat Maria Elisabeth met de kinderen op 1 september 1914 weer terug is in Amsterdam en bij haar zuster Elisabeth Geertruida gaat inwonen. Deze is getrouwd met Jan Koopmans en ook moeder Maria Elizabeth Lindeman woont in die tijd op hetzelfde adres in de Van Houwelingenstraat.

Klaas komt pas op 12 oktober 1916 terug uit Keulen en voegt zich bij hen, zijn beroep is dan werkman. Het gezin Bakker blijft er nog een jaar, totdat het op 23 oktober 1917 naar de Baarsjesweg 9 in Sloten verhuist. Weer een jaar later overlijdt Maria Elisabeth.

 

Huwelijksakte Klaas en Jentje Bakker

Klaas blijft met twee kleine kinderen achter. Misschien is dat de reden dat hij vrij snel hertrouwt: op 1 mei 1919. Zijn tweede vrouw is een volle nicht van hem, Jentje Bakker. Zij is de dochter van Albert Bakkers broer Egbert en Trijntje Stroomberg. Ook Jentje is op een schip geboren, op 13 juli 1877, toen het schip van haar ouders in Werkendam lag. Als beroep van Klaas staat nu koopman vermeld.

 

Gezinskaart

In 1921 is Sloten door Amsterdam geannexeerd. We vinden Klaas en Jentje nu terug op de gezinskaart van Klaas Bakker. De eerste verandering in het gezin is het omnummeren in 1924 van E 9 naar Baarsjesweg 258 souterrain. Als beroep staat er nu bloemenventer. Op 9 juli 1926 wordt er verhuisd naar de Admiraal de Ruijterweg 278 hs. en zijn we aangeland bij de foto van de bloemenzaak.

 

Woningkaart

Klaas en Jentje blijven tot september 1946 in de winkel en verhuizen dan naar Aalsmeer. Jentje Bakker overlijdt op 21 maart 1954 op 76-jarige leeftijd en Klaas Bakker op 7 maart 1960, hij is dan 79 jaar oud.

 

Nanny Claasen

 

Bronnen:

Brabants Historisch Informatie Centrum
– geboorteregister burgerlijke stand Werkendam

Noord-Hollands Archief
– overlijdensregister burgerlijke stand Aalsmeer
– huwelijksbijlagen

Stads Archief Amsterdam
– beeldbank
– bevolkingsregister 1893
– bevolkingsregister overgenomen delen
– bevolkingsregister geannexeerde gemeenten
– bevolkingsregister gezinskaarten
– huwelijksregister burgerlijke stand
– persoonskaarten
– woningkaarten

Soms moet je lachen en soms is het beter van niet

Muggenbeet 1963

De foto’s doen me denken aan de vakanties lang geleden in Muggenbeet. Dat is in Noordwest-Overijssel, tussen Steenwijk en Blokzijl. We kampeerden op het erf van een boerderij en ’s avonds kwam de oude boer steevast een praatje maken aan de waterkant. Ik verstond er helemaal niets van. Op school kreeg ik Frans, Duits, Engels, Grieks en Latijn, maar daar leek dit dialect totaal niet op. En van zijn gezicht was niets af te lezen. Mijn neef Kasper, die nota bene al lang van school af was gestuurd, ouwehoerde moeiteloos mee. Van hem wist ik dat de boer grapjes maakte. Dus toen hij op een avond weer wat voor zich heen stond te orakelen, een keer naar de lucht wees en een keer naar het water en me toen onderzoekend aankeek, lachte ik hartelijk om zijn verhaal. Op die manier had ik me tot dan toe steeds gered, dus waarom nu niet. Maar deze keer werd de boer overduidelijk zeer ernstig boos. Als ik van dat slag was kon ik beter meteen mijn boeltje pakken, begreep ik. Mijn neef legde mij naderhand uit dat de boer had verteld van zijn broer die tijdens het koeien verweiden overvallen was door een onweersbui en van de platbodem gevallen was en verdronken. Alles ging daar over water en geen hond die kon zwemmen. Dat was dus niet zo leuk. De dagen daarna probeerde ik dus net zo ondoorgrondelijk te kijken als de boer na zijn dagelijkse praatje en wachtte ik op een teken van mijn neef. Nooit lachte ik meer voor mijn beurt.

(Over Muggenbeet een volgende keer misschien meer)