Op de fiets naar Groningen

Op de fiets naar Groningen. We doen het nog een keer. Onze fietsen stammen uit de vorige eeuw en wij ook. Dus trappen we in kleine etappes (via Spakenburg, Wezep, Kalenberg en Bakkeveen) naar Aduarderzijl in Groningen. Sneller gaat niet meer.

In Kalenberg bivakkeren we vier dagen lang in een klein molenaarshuisje aan de Hoogeweg. We kanoën door de Weerribben en Nanny gaat een keer kopje onder: aan de verkeerde kant uitgestapt.

Aduarderzijl

In Aduarderzijl zetten we ons tentje neer. Van daaruit maken we voet- en fietstochten. Met het Reitdiepveer (dat vaart tussen Aduarderzijl en Schaphalsterzijl) steken wij over naar het Hoogeland.

De tocht door de Noordpolder naar Noordpolderzijl is een verplicht nummer. Voor de liefhebbers, want de weg is lang, het land is leeg en de wind is onstuimig. Maar zo leer je Groningen kennen.

Noordpolderzijl

In Noordpolderzijl kun je niet verder of je moet het wad op. Het decor is troosteloos mooi. Eens lagen er schepen. Nu is de haven dichtgeslibd. Maar het café ‘t Zielhoes onderaan de zeedijk is springlevend. Behalve op maandag, want dan is het gesloten.

Spakenburg

Botterwerf (Spakenburg 2018)

We zijn in Spakenburg. Niet te geloven roept Nanny als ze de twee stadions van VV IJsselmeervogels en SV Spakenburg naast elkaar ziet liggen. Rood en blauw, ze hebben het hier goed voor elkaar. Het stadion van IJsselmeervogels stroomt vol. We gaan een kijkje nemen en vinden nog net een plaatsje op de afgeladen staantribune Midden Noord. De vrouwen van Ajax en PSV spelen om de KNVB-beker. We weten niet wat we meemaken. Nummertje 5 van Ajax gaat als een kanonskogel door de linies en vliegt voortdurend ondersteboven door de lucht, met of zonder tegenstandster. Het is bijna het enige wat we zien achter de brede ruggen van al die Spakenburgse vissers. Ajax wint. Het PSV-vak stroomt leeg, het Ajax-vak gaat uit zijn dak. Wij zoeken de jachthaven op, waar we ons tentje hebben opgezet.

Als het donker wordt kruipen we in onze slaapzakken, maar van slapen is geen sprake. We staan naast een caravan met twee onduidelijke figuren. Een ontsnapte tbs-er en zijn coach, soort van, zeg ik tegen Nanny. De mannen hebben zich bevoorraad met drie kratten bier. Het is zaterdagavond. Zij gaan het aan de waterkant luidruchtig op een zuipen zetten. Wij liggen in ons tentje en proberen niet op te vallen.

“Wat is dat voor een kut tentje, waarom doen ze dat?” “Dat vinden die mensen leuk.” Nanny fluistert: gaat dit over ons? Ik zeg: welnee, en wordt onmiddellijk uit de droom geholpen. “Stelletje homo’s” Dit laten ze even op ons en zichzelf inwerken. Dan is er plotseling paniek. “Godverdomme zag je dat?” “Waar?” “Daar! Een rat. Dat trek ik niet, ik ga naar binnen.” Ik fluister: het zijn watjes. Nanny sist: stil. Even later is er opnieuw paniek. “Muggen! Kan die deur niet dicht?” “Godsklere wat is het hier warm. Ik ga naar buiten.”

De mannen drinken stug door. Wij houden ons koest.

“Weet je waar ik zin in heb?” De tbs-er belt vriendinnen, slaat opeens heel fatsoenlijke taal uit. De vrouwen beloven wel maar komen niet. Dat verandert de zaak. “Kan jij niet een paar lekkere wijven voor ons gaan schieten in het dorp?” “Ga zelf een paar lekkere wijven schieten in het dorp.” “Ja maar jij hebt een auto.” “Ik ga nou niet rijden.” “Dan ga je toch lopen.” “Hoe kan ik nou lopen met dat been, dat heb ik je toch laten zien?”

Er vallen gaten in de conversatie steeds afgewisseld met “Dat gaat echt niet op komen.” Coach probeert zijn makker in het gareel te houden. Die sputtert nog wat tegen, probeert in zijn eentje toch nog het derde krat onschadelijk te maken, maar moet tenslotte ook afhaken. Het wordt langzamerhand stil. Opeens klinken er twee harde knallen. Ze hebben een pistool waarschuw ik Nanny. Uit de caravan klinkt angstig: “Wat was dat wat was dat, ik moet pissen.” Het valt mee, de mannen zijn ook geschrokken, stel ik Nanny gerust. Niet te geloven mompelt zij.

Om twee uur slapen wij.

De Ronde van Italië

“Er moet nog een vijfde berg worden beklommen, de Sestrière, de laatste marteling als straf voor de zonden van de mens: weer een halve kilometer tegen een berg op trappen. De details van de kroniek zijn niet meer belangrijk bij een dergelijke strijd (…) Coppi vliegt vooruit zonder de gespannenheid van de eerste uren, want hij weet zeker dat hij in zijn eentje bij de eindstreep zal komen. En Bartali houdt stug vol. Maar het aantal minuten dat hen scheidt wordt langzaam maar zeker groter: zes minuten op de Monginevro, zeven minuten in Cesana, bijna acht minuten op de Sestrière, en in het stadion van Pinerolo zullen het er ongeveer twaalf zijn.”

Het boek van Dino Buzzati (oorspronkelijke titel Dino Buzzati al Giro d’Italia, uitgekomen in 1981) is een verslag van de Ronde van Italië van 1949 en de strijd tussen de twee favorieten Coppi en Bartali. Ik heb het uit de kast gehaald na het zien van de strijd tussen Froome en Dumoulin in de zojuist afgelopen editie. In 1949 won Coppi, nu won Froome.

Chris Froome. Tachtig kilometer in zijn eentje tot op de Jaffereau. En winnen! Knap hoor. Alleen de hele groten kunnen zoiets: Fausto Coppi (solo naar Pinerolo in de Ronde van Italië van 1949); Charley Gaul (solo naar Aix-les-Bains in de Tour de France van 1958); Eddie Merckx (140 km solo door de Pyreneeën naar Mourenx in de Tour de France van 1969); Marco Pantani (solo naar Les Deux Alpes in de zogenaamde Tour de Dope van 1998); Floyd Landis (bizarre solo naar Morzine in de Tour de France van 2006). Alleen de laatste werd geschrapt …

Geweldige koers, die Ronde van Italië, met veel strijd en drama in een prachtig landschap en lang niet zo saai als de Tour de France. Jammer dat het voorbij is.

“Het leek of er nooit een eind aan zou komen en nu is het al verleden tijd. Nu wordt er over andere dingen gesproken, over de Ronde van Lazio, over de Tour (is het waar dat Bartali niet in dezelfde ploeg als Coppi wil rijden?), over wat de toekomst zal brengen”.

Maar één ding vraag ik mij wel af. Moet ik zo’n ronde, waarin de roze truidrager op veertig minuten wordt gereden en een astmapatiënt uiteindelijk wint, nou serieus nemen of is het nog steeds gewoon ouderwets spektakel? 

“En volgend jaar, in mei, zal opnieuw het startsein worden gegeven en het jaar daarop weer enzovoort, van lente tot lente zal het sprookje herleven”.

Help me herinneren

Dichten met boektitels

Bernlef, Help me herinneren, 2012
Marek van der Jagt, De geschiedenis van mijn kaalheid, 2000
Willem Frederik Hermans, De tranen der acacia’s, 1949
Renate Dorrestein, Het duister dat ons scheidt, 2003

Van wie is de stad

“Van wie is de stad” is de titel van een boek van Floor Milikowski, uitgekomen bij Atlas Contact in 2018, met als ondertitel “De strijd om Amsterdam”. Het is een verslag van de snelle veranderingen op sociaal en economisch gebied in de hoofdstad de laatste jaren. Is de stad nog wel van de bewoners? Of van vastgoedhandelaren en beleggers? En gaat de stad niet kopje onder in de toeristenstroom die direct of indirect gegenereerd wordt? Wordt Amsterdam het nieuwe Venetië?

Jacob van Lennepkanaal (Amsterdam 2017)

Als je zomaar wat door de stad zwerft, Damrak, Rokin en Wallen vermijdt, en op het Spui niet getorpedeerd bent door een horde huurfietsers en tussen Leidseplein en Museumplein niet onder de voet gelopen door een kudde rolkoffers en daarna niet op de onzalige gedachte komt Anne Frank met een bezoekje te vereren, dan valt het (voor een buitenstaander die er niet meer woont maar wel de weg nog weet) mee.

Maar de gemoederen zijn verdeeld. Je kunt niet met een fototoestel door de stad lopen zonder de kans te lopen voor stomme toerist te worden uitgescholden. Het gebeurde mij laatst. Nou wordt die mooi dacht ik. Ik ben hier op school geweest, heb er gestudeerd en gewerkt, Nanny is er zelfs geboren, onze dochter woont er, een voorouder is van hier naar Veenhuizen gestuurd en meer dan eens, mijn oom was directeur van de Amsterdamse Droogdok Maatschappij en mijn vader gemeenteambtenaar, ik heb Blauw Wit gezien in het Olympisch Stadion, geschaakt in Die Port van Cleve, gedanst in kelders waar Louis van Dijk optrad, weet Paradiso te vinden en toen we (Nanny en ik) in 1970 met wat jongens en de meisjes in ons kielzog vanuit Amstelveen naar een feestje* in de Bijenkorf (Ekseption zou optreden) gingen, wat totaal uit de hand liep, dat de mobiele eenheid toen was gekomen om de Dam schoon te vegen en we de zijstraatjes in moesten vluchten en we iedereen kwijt waren, maar gelukkig hadden we afgesproken elkaar weer op te zoeken bij het monument en dat toen we daar weer durfden te gaan kijken we alleen politie aantroffen met wapenstokken en een enorme ravage en de meisjes die bovenop de leeuwen waren geklommen en die niet van wijken hadden willen weten, maar de jongens wel, want die waren nergens meer te bekennen. Dat zei ik dus allemaal niet. Ik zei rot op ik versta jullie wel … of eigenlijk zei ik alleen dat laatste en zelfs daar ben ik niet zeker van. En ik dacht ook nog aan mijn eerste kennismaking met de stad toen ik in de krant had gelezen dat er een film met Brigitte Bardot draaide in Capitol op de Rozengracht. Ik had een foto van haar gezien in de Panorama, dus die film moest ik zien. Ik was dertien jaar, woonde nog in Amstelveen en ik wist echt niet waar de Rozengracht was. Ik durfde het niet te vragen aan mijn moeder (wat ga je daar doen jongen?), maar zoveel grachten konden er toch niet zijn in Amsterdam dacht ik en dat ik nog geen zestien was zou ik ter plaatse wel oplossen hoopte ik. Ik liet me door Maarse en Kroon naar Amsterdam brengen, stapte bij het hoofdpostkantoor op de Nieuwezijds Voorburgwal uit en vond de Bloemgracht. Dat leek een aardig begin. Dus van daar werkte ik alle grachten af, dat wil zeggen alles waar ik water zag, steeds koortsachtiger, totdat de aanvangstijd van de middagvoorstelling al lang verstreken was. Die verrekte Rozengracht was helemaal geen gracht maar gedempt. Wat je niet allemaal mee kan maken in de stad.

* In 1970 werd het 100-jarig bestaan van De Bijenkorf in Amsterdam gevierd met een Open Huis. Van zeven uur ‘s avonds tot middernacht waren 700 gasten uitgenodigd en kon het publiek vrij binnenkomen. Als snel bleek het uit de hand te lopen. Binnen waren rond 10.000 bezoekers, buiten waren 20.000 jongeren die ook naar binnen wilden. Oproerkraaiers begonnen met stenen te gooien waarna het op een veldslag uitliep. De mobiele eenheid (ME) moest twee pelotons inzetten om de orde te herstellen. Winkelruiten sneuvelden, auto’s werden gemolesteerd, barricades werden op het Rokin opgeworpen. De ME reageerde met waterkanonnen. In de Bijenkorf bleef het redelijk rustig maar de bezoekers moesten het pand even na tien uur vervroegd verlaten (bron: Wikipedia).

De stad is niet meer van mij, maar ik mag er nog steeds graag komen.

Muggenbeet 1963

 

De 30m² Zuiderzee van de familie de Boer uit Steenwijk (Muggenbeet 1965)

 

Fokke de Boer

We kampeerden in Muggenbeet op het erf van boer Harm van Sluis. Mijn neef Kasper en ik sliepen in een tentje. Naast ons stonden de jongens van de familie De Boer, Thijsse en Fokke. Het waren aardige jongens. Niet van het soort dat elkaar op vrijdagavond op het bruggetje vlakbij het cafeetje van Geertien en Griet met bromfietskettingen te lijf ging. De een was beter met het hoofd, de ander beter met zijn handen. Hun vader had in Steenwijk een drukkerij en in Muggenbeet lag de woonboot van de familie. En de dertig kwadraat. Dat was nog eens een boot. Daarvan waren er maar een stuk of dertig. Zij hadden nummer 3. Op het water stonden de schippers elkaar naar het leven. Maar in de Sneekweek ging de bemanning van elke boot halfweg de wedstrijd in Terhorne even aan wal voor een neut. Dat was traditie.

Wij leerden zeilen in een opgetuigde sloep. Later trokken wij met een zestien kwadraat naar Friesland. Of naar de Ronduite want daar had de familie De Haan een huisje met vijf dochters. Wij waren er niet weg te slaan. Toen het een keer spookte op de Beulaker voer ik er met de kano naar toe. Midden op het meer sloeg ik om. Ik had geleerd hoe je weer in de kano kon komen. Dat lukte nu niet. Ik dreef met kano en al richting de Blauwe Hand. Maar een motorjacht viste me op en bracht me alsnog naar waar ik zijn moest. Ik kreeg droge kleren waaronder een veel te grote onderbroek van pa De Haan en de jongste dochter vond dat ik nu wel kon blijven slapen. Ik dacht dat ik het gemaakt had. Maar toen zagen we door de verrekijker van vader De Haan een zeiltje uit de Walengracht het meer op komen. Het was mijn neef die de overtocht op de fok deed. Dat werd moeder De Haan toch te gortig. Twee jongens, een kano en een zeilboot, zoveel ligplaatsen had zij niet. Er werd een auto uit Muggenbeet besteld, met Fokke de Boer om de zeilboot terug te brengen. Wij mochten ook mee. Fokke hees naast de fok nu ook het grootzeil en zeilde ons met één hand dwars door de wind terug naar Muggenbeet.

Voor het slapen gaan hielden we ter afsluiting een stoeipartij in de boomgaard naast de boerderij. Kasper en ik tegen de jongens van De Boer. Ik scheurde per ongeluk de pyjama van Fokke. Dat had ik niet moeten doen. Het laatste wat ik zag was dat de aarde opeens omhoog tuimelde en tegen mij aan daverde. Een hallucinerende gewaarwording. Hij had mij met één machtige haal van zijn vuist buiten westen geslagen. Toen we in onze tentjes lagen bij te komen, wilde Kasper de haringen van de tent van de jongens van De Boer uit de grond gaan trekken. Ik wist dat uit zijn hoofd te praten. Met Fokke de Boer viel niet te spotten.

 

Muggenbeet 1963

Klik op de foto’s voor een vergroting

 

zie ook: Soms moet je lachen en soms is het beter van niet

Bloemenwinkel “De anemoon” van Klaas en Jentje Bakker

 

Bloemenwinkel “De anemoon”

In een kist met oude papieren uit het huis van mijn opa Hendrik Claasen tref ik deze raadselachtige foto aan. Wie poseren hier zo trots voor hun bloemenzaak?

De eerste stap is kijken waar de winkel zich zou kunnen bevinden. Het huisnummer staat er op, dat is een goede aanwijzing, ik hoop ergens in Amsterdam. Op zoek naar bloemenwinkels in de adresboeken van rond 1930 vind ik een zaak op naam van K. Bakker op de Admiraal de Ruijterweg nr. 278. Vervolgens heb ik de woningkaart erbij gezocht in het Stadsarchief. Op het adres blijkt in de winkelwoning K. Bakker te wonen met zijn vrouw.

 

Montelbaanstoren omstreeks 1880 met rechts op de voorgrond de Kalkmarkt (Foto Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Klaas Bakker is de tweede zoon van Albert Bakker en Heintje Neefjes. Hij is geboren in Amsterdam op 21 januari 1881 op een schip liggende aan de Kalkmarkt. De thuishaven van het schip is Hasselt in Overijssel.

Genealogische aantekeningen in de bijbel van Heintje Neefjes

 

In juni 1888 houdt het schippersgezin het voor gezien. Het laat Overijssel achter zich en gaat aan de wal wonen in Sloten, dat toen nog een een aparte gemeente was. Klaas heeft op dat moment behalve een oudere broer Otto nog een jongere broer Cornelis en een zusje Annigjen. Zij zijn allemaal op het schip geboren. Op 29 juni 1889 komt er nog een zusje bij, mijn oma, ook Annigje geheten. De wetten van het vernoemen waren kennelijk streng: de beide grootmoeders heetten zo. Vader Albert Bakker overlijdt in 1890 op 40-jarige leeftijd.

In het bevolkingsregister van de door Amsterdam geannexeerde gemeenten is terug te vinden dat Klaas Bakker in 1905 het huis van zijn moeder E 22 1 hoog verlaat en naar Duisburg vertrekt. Maar op 10 mei 1907 is hij weer terug in Sloten als hij met Maria Elisabeth Postmaa trouwt, dochter van Hendrik Willem, een bakker of ook wel brooddepôthouder, en diens vrouw Maria Elizabeth Lindeman. Het beroep van Klaas is dan stucadoor. Als op 30 september 1911 het eerste kind Klaas jr. wordt geboren, woont het stel in Hatert bij Nijmegen en wordt als beroep van de vader tramwagenbestuurder opgegeven. Het tweede kind, een meisje Maria Elisabeth, wordt op 6 januari 1914 in Keulen geboren.

 

Excerpt bevolkingsregister Amsterdam

Uit de Overgenomen Delen 1892-1920 van het bevolkingsregister van Amsterdam blijkt dat Maria Elisabeth met de kinderen op 1 september 1914 weer terug is in Amsterdam en bij haar zuster Elisabeth Geertruida gaat inwonen. Deze is getrouwd met Jan Koopmans en ook moeder Maria Elizabeth Lindeman woont in die tijd op hetzelfde adres in de Van Houwelingenstraat.

Klaas komt pas op 12 oktober 1916 terug uit Keulen en voegt zich bij hen, zijn beroep is dan werkman. Het gezin Bakker blijft er nog een jaar, totdat het op 23 oktober 1917 naar de Baarsjesweg 9 in Sloten verhuist. Weer een jaar later overlijdt Maria Elisabeth.

 

Huwelijksakte Klaas en Jentje Bakker

Klaas blijft met twee kleine kinderen achter. Misschien is dat de reden dat hij vrij snel hertrouwt: op 1 mei 1919. Zijn tweede vrouw is een volle nicht van hem, Jentje Bakker. Zij is de dochter van Albert Bakkers broer Egbert en Trijntje Stroomberg. Ook Jentje is op een schip geboren, op 13 juli 1877, toen het schip van haar ouders in Werkendam lag. Als beroep van Klaas staat nu koopman vermeld.

 

Gezinskaart

In 1921 is Sloten door Amsterdam geannexeerd. We vinden Klaas en Jentje nu terug op de gezinskaart van Klaas Bakker. De eerste verandering in het gezin is het omnummeren in 1924 van E 9 naar Baarsjesweg 258 souterrain. Als beroep staat er nu bloemenventer. Op 9 juli 1926 wordt er verhuisd naar de Admiraal de Ruijterweg 278 hs. en zijn we aangeland bij de foto van de bloemenzaak.

 

Woningkaart

Klaas en Jentje blijven tot september 1946 in de winkel en verhuizen dan naar Aalsmeer. Jentje Bakker overlijdt op 21 maart 1954 op 76-jarige leeftijd en Klaas Bakker op 7 maart 1960, hij is dan 79 jaar oud.

 

Nanny Claasen

 

Bronnen:

Brabants Historisch Informatie Centrum
– geboorteregister burgerlijke stand Werkendam

Noord-Hollands Archief
– overlijdensregister burgerlijke stand Aalsmeer
– huwelijksbijlagen

Stads Archief Amsterdam
– beeldbank
– bevolkingsregister 1893
– bevolkingsregister overgenomen delen
– bevolkingsregister geannexeerde gemeenten
– bevolkingsregister gezinskaarten
– huwelijksregister burgerlijke stand
– persoonskaarten
– woningkaarten

Soms moet je lachen en soms is het beter van niet

Muggenbeet 1963

De foto’s doen me denken aan de vakanties lang geleden in Muggenbeet. Dat is in Noordwest-Overijssel, tussen Steenwijk en Blokzijl. We kampeerden op het erf van een boerderij en ’s avonds kwam de oude boer steevast een praatje maken aan de waterkant. Ik verstond er helemaal niets van. Op school kreeg ik Frans, Duits, Engels, Grieks en Latijn, maar daar leek dit dialect totaal niet op. En van zijn gezicht was niets af te lezen. Mijn neef Kasper, die nota bene al lang van school af was gestuurd, ouwehoerde moeiteloos mee. Van hem wist ik dat de boer grapjes maakte. Dus toen hij op een avond weer wat voor zich heen stond te orakelen, een keer naar de lucht wees en een keer naar het water en me toen onderzoekend aankeek, lachte ik hartelijk om zijn verhaal. Op die manier had ik me tot dan toe steeds gered, dus waarom nu niet. Maar deze keer werd de boer overduidelijk zeer ernstig boos. Als ik van dat slag was kon ik beter meteen mijn boeltje pakken, begreep ik. Mijn neef legde mij naderhand uit dat de boer had verteld van zijn broer die tijdens het koeien verweiden overvallen was door een onweersbui en van de platbodem gevallen was en verdronken. Alles ging daar over water en geen hond die kon zwemmen. Dat was dus niet zo leuk. De dagen daarna probeerde ik dus net zo ondoorgrondelijk te kijken als de boer na zijn dagelijkse praatje en wachtte ik op een teken van mijn neef. Nooit lachte ik meer voor mijn beurt.

(Over Muggenbeet een volgende keer misschien meer)

De wil van God

Het leek op een gewone droom. Maar te gedetailleerd. Dat had mij moeten waarschuwen.

We hadden de kano naar ons vakantieadres gebracht en reden met de auto terug. Op de slingerende dijk leefde onze oudere vriend zich uit. Dat was nog eens stuurmanskunst. Makkelijk zat. Hij was vertegenwoordiger. Mijn neef zat naast hem. Ik zat achterin. Wij waren vijftien en zestien.

In de polder waren de wegen overzichtelijk en leeg. Het was nog vroeg. De Austin had het naar zijn zin. In de verte zagen we een bromfiets aankomen. Van rechts maar dat gaf toen nog niet. Op de bromfiets zat een jongen. Hij kon de weg wel dromen. Zijn moeder had hem een trommeltje met brood meegegeven. Dat deed ze elke dag.

De auto begon te remmen. Week uit. Schoof van rechts naar links over de weg. Mijn fototoestel viel van de bank. Ik dacht gaat dit goed. Toen werd de voorruit helemaal wit en zaten er stukjes glas in mijn mond. De jongen op de bromfiets had een bijna volmaakte buitenbocht gereden. En alles stond stil.

Ik liep om de auto heen. De bromfiets was kapot. De jongen lag in de berm. Hij was dood. Dat kon je zien. Alleen de broodtrommel was nog heel. Ik liep over de remsporen terug over de weg. Maar er veranderde niets meer. Toen liep ik het veld in naast de weg en ging zitten. Er was ook een kraai. Die keek naar mij. Ik dacht er is iets mis gegaan.

In het politiebusje werden we een voor een ondervraagd. Ik was als laatste aan de beurt. Hoe hard reden jullie? Ik zei heb je het remspoor gezien. De politieman schreef iets op. Dat ik in shock was. Hij had mij uit het veld gehaald.

We werden door een andere automobilist naar huis gereden. De verhalen kwamen los. Steeds stoerder. Over een kind dat de snelweg op was gerend. Daar kon je ook niets aan doen. En dat je meteen weer achter het stuur moest kruipen. Anders deed je het misschien nooit meer. En dat was pas erg.

Thuis was het al gauw weer ouderwets gezellig. Met borreltijd zat ik in de tuin. De deuren stonden open. Binnen ging de telefoon. Het was de moeder van de jongen. Zij vertelde van het broodtrommeltje en dat het de wil van God was geweest. Er werd even niet gelachen.

Het was helemaal geen droom. Zo was het echt gegaan. De echte droom moest nog komen. Ik dacht dat ik wakker werd. Naast mij op het bed zat een jongen. Hij had een korte broek aan. Wie was hij? Ik zei hem gedag, maar hij zei niets terug. Ik vroeg hem: is mijn schuld nu afgelost? En hij zei weer niets.

Het broodtrommeltje en dat doodlopende remspoor, het is allemaal zó uitgekiend. Ik ben boos. En verdrietig. Nog steeds.

 

ES/08/11/2017

Vier prentbriefkaarten uit de Zaanstreek (deel 2)

Van de vier prentbriefkaarten, die we op een kofferbakverkoop in Wijk aan Zee vonden, hebben we de eerste twee, gericht aan Jannetje Fonteijn, behandeld in deel 1. Nu zijn de twee kaarten, gericht aan de Jongeheer Herman Koopman, aan de beurt. Het levert een verhaal op waarin de Zaan een prominente en tegelijk ook een meedogenloze rol speelt.


De Zaan bij Wormerveer omstreeks 1910

Links op de foto is het pakhuis Koningsbergen, magazijn van de stoomgortpellerij Mercurius in Wormer, te zien. Nog verder naar links, dus niet op de foto, staat tegenwoordig de grote fabriek van Lassie en ligt de Zaanbrug. Het gebouw met de schoorsteen, meer naar rechts, is het pakhuis Benguala.

De foto moet tussen 1907 en 1911 genomen zijn. Er is nog één molen te zien: De Jonge Wolf, de middelste van de drie oliemolens die op dit stukje dijk stonden. Deze molen werd afgebroken in 1911. Links ervan stond De Witte Duif, afgebroken in 1903 en rechts stond Het Fortuin, afgebroken in 1907.

 

De adreskant


Herman.
Hoe gaat het met je? Ik heb gehoord dat je van de week weer thuis kom. Je heb buiten geloopen he?
Jan.C.Duits

Deze kaart is op 22 november 1915 gestuurd aan Herman Koopman. Het gaat om Hermanus Koopman, die op 4 augustus 1906 geboren is in Wormerveer, als zoon van Gerrit Koopman, zeepzieder, en Mietje Betlem.

Herman Koopman verbleef als negenjarige jongen kennelijk in de Inrichting voor Ooglijders in de Spinozastraat in Amsterdam. Dat het vrijwel zeker om deze Herman Koopman handelt, blijkt uit het militieregister waarin verslag wordt gedaan van zijn keuring voor de militaire dienst.
Bij de keuring wordt op 26 maart 1925 geconstateerd dat Herman een kunstoog heeft. Daarom wordt hij voorgoed ongeschikt verklaard.

De afzender is Jan C. Duits. In het bevolkingsregister van Wormerveer komt een Jan Casper Duits voor, geboren op 26 april 1907, een leeftijdgenoot dus. Misschien ook klasgenoot?

=•=

De rijstfabrieken aan de Zaan

Gezicht op de rijstfabrieken en pakhuizen aan de Veerdijk te Wormer tussen 1900 en 1920. Van links naar rechts: Indië, rijstpellerij De Unie, Burmah, De Hoop, Siam, Java, rijstpellerij Hollandia met de klokkentoren en een stukje van het pakhuis Bassein. De pakhuizen Java, Hollandia en Bassein staan er nu nog steeds. De rest is afgebroken. Het witte schip is een salonboot van de Alkmaar Packet.

 

De adreskant

De kaart is op 8 juli 1918 verstuurd aan Herman Koopman door J.J. Stam. Dat zou Jan Jacob Stam kunnen zijn, die geboren is op 12 maart 1906, dus ook een leeftijgenoot. Hij deed net als Herman twee jaar MULO.

Het adres is bij de weduwe Koopman. De moeder van Herman was al in 1907 weduwe geworden, toen Herman nog geen jaar was (en zijn zusje Wilhelmina vier). In de overlijdensakte van Gerrit Koopman wordt vermeld dat zijn lichaam op 19 juni opgehaald is uit de Zaan. Van het ongeval wordt in diverse kranten melding gemaakt.

Nieuws van de Dag: Kleine Courant, van 21 juni 1907

 

Bronnen:
Gemeentearchief Zaanstad
Noordhollands Archief
Militieregister
www.molendatabase.org
www.delpher.nl

 

Vier prentbriefkaarten uit de Zaanstreek (deel 1)

Twee weken geleden bemachtigde Nanny op een kofferbakverkoop in Wijk aan Zee vier prentbriefkaarten. Bij nadere bestudering bleken ze toevalligerwijs twee bij twee een onderlinge samenhang te vertonen.

De eerste twee zijn gericht aan Jannetje Fonteijn respectievelijk Jannetje Roos-Fonteijn. (Het tweede paar, aan de jongeheer H. Koopman, komt in deel 2 aan de beurt).

 

De kaart aan Jannetje Fonteijn

Zaandam, ‘t Kalf

Geachte Jannetje! Ik ben weer boven water, dus kom ik aanstaande week op een avond naar je toe! … hartelijke groeten Gon Bleeker

We kijken tegen de achterkant aan van de bebouwing waar later het Plan Kalf zal worden gerealiseerd. Datering 1900-1905 (Beeldbank Archief Zaanstad).

Adreskant:
Mejuffrouw Jannetje Fonteijn
p/a. Mej. Schipper-Honig
Stationstraat
Koog a/d Zaan

De geadresserde Jannetje Fonteijn is geboren op 12 juli 1882 te Zaandijk als dochter van Jan Fonteijn en Maartje Janneman, adres Achter de Kerk (bron: Archief Zaanstad). In november 1904 trouwt ze met Klaas Roos. Haar beroep is dan dienstbode (bron: Noord Hollands Archief). De kaart moet dus vóór die tijd geschreven zijn. Was zij dienstbode bij mejuffrouw Schipper-Honig?

Catharina Hillegonda Honig was in 1902 op 28-jarige leeftijd in Balk, waar haar vader doopsgezind predikant was, getrouwd met Aart Schipper, handelsbediende en eveneens 28 jaar oud. Daarna zullen zij zich in de Stationstraat in Koog aan de Zaan gevestigd hebben.

De afzender Gon Bleeker is zeer waarschijnllijk Hillegonda Bleeker, die op 28 mei 1880 geboren werd in een huis staande Over de Dijksloot te Zaandijk (bron: Gemeentearchief Zaanstad).

 

De kaart aan Jannetje Roos-Fonteijn

Kerksloot, Zaandijk

Geachte Jannetje! Je zult wel kennis aan deze ansicht zien daarom heb ik deze uitgekozen Dag! Gon

Volgens de beeldbank van het Gemeentearchief van Zaanstad zien we de sloot tussen het Weeshuispad en het weeshuis links, en de Kerkstraat rechts. Op de achtergrond staat de fabrieksschoorsteen van de houtzagerij “De Voorwaarts” van de firma Cornelis Vis. Datering tussen 1910 en 1930.

Adreskant:

Jannetje is nu dus getrouwd met Klaas Roos, houtzager van beroep. Gon denkt dat Jannetje wel weet waarom ze deze kaart stuurt. Is het omdat het huis van Klaas en Jannetje erop staat? Het adres is Achter de Kerk. Dat was een buurtje achter de Lagedijk in Zaandijk, zo geheten vanwege de Zaandijkkerk, die zich rechts achter de bomen bevond. Of is het vanwege de houtzagerij op de achtergrond, werkte Klaas daar als houtzagersknecht?

Of Mice and Men

BERLIN BIENNALE Ulf Aminde: Das Leben ist kein Wunschkonzert (foto Noortje)


Of Mice and Men

In 2006 bezochten we de 4e Berlin Biennale “Von Mäusen und Menschen”, op verschillende locaties maar voornamelijk in en rond de Auguststrasse. Van John Steinbeck geen spoor. Noortje was onze gids.

Naast de grotere installaties en exposties, in scholen, in kerken en in Clärchens Ballhaus, waren er ook een paar woonhuizen opengesteld. In één zo’n Private Wohnung stond in een hoek van een verder lege kamer een radiootje met een platenspeler, daarop een plaat, en tegen de muur de platenhoes.

Kim Hiorthøy
I’m This I’m That
(2006)

Retro? Vintage? De plaat was nieuw. I’m This I’m That van Kim Hiorthøy. Een 7″ single op vinyl in een gelimiteerde oplage. Wist ik veel. Op de foto wordt zo te zien de B-kant Sommaren är slut afgespeeld. Hier doen we het titelnummer:

Het nummer zet mij (door de titel natuurlijk maar ook door de herhalingen in de muziek) op het spoor van I’m This I’m That van Louis Thomas Hardin (artiestennaam Moondog), die leefde van 1916 (Marysville, Kansas, USA) tot 1999 (Münster, Duitsland).

Eén van diens uitspraken was: Machines were mice and men were lions once upon a time. But now that it’s the opposite it’s twice upon a time. Een spreuk die klinkt als een klok, maar waar ik bij nader inzien niets van begrijp…

Zo lopen er allerlei associaties door elkaar. De twee artiesten en hun muziek, en de muizen en de mensen. Ik had de foto beter niet kunnen maken. Hij zet mij na zoveel jaar op het verkeerde been. Of twee.

Moondog
I’m This I’m That 
H’art Songs (1978)

I’m this I’m that
I’m sharp I’m flat
I’m young I’m old
I’m hot I’m cold
I’m right I’m wrong
I’m weak I’m strong
I’m high I’m low
I’m fast I’m slow
I’m here I’m there
I’m foul I’m fair
I’m bold I’m shy
I’m wet I’m dry
I’m good I’m bad
I’m gay I’m sad
I’m lost I’m found
I’m free I’m bound
I’m best I’m worst
I’m blessed I’m cursed
I’m false I’m true
I’m I  I’m you !

De oude en de nieuwe zondvloed

In mijn prille jeugd las mijn moeder mij voor uit een kinderbijbel. De verhalen maakte grote indruk op mij. En al helemaal als ze verbonden konden worden met beelden uit de echte wereld om mij heen, zoals bij het verhaal over de ark van Noach. Kijk, zei mijn moeder dan en ze wees naar de lucht, de zon gaat weer schijnen, een regenboog. Wat vond ik ‘m mooi! En heel veel later toen ik een dochter kreeg, gaf ik haar daarom als tweede naam: Iris. Goddelijke bode in de gedaante van een regenboog.

Noortje’s eerste puzzel

Nu lees ik over klimaatverandering en het smelten van de poolkappen. En ik herinner mij het verhaal uit de kinderbijbel. De mensen leefden er toen op los. Alleen Noach niet, die was uitverkoren en had een plan. Hij bouwde een ark. En iedereen vond hem raar. Maar hij en zijn familie (en al die beesten, hoe wonderlijk) werden gered en de andere mensen kwamen om. Wat een naar mannetje was die Noach …

Een nieuwe zondvloed dreigt als ik de mensen moet geloven. We leven er weer op los, maar we hebben een plan. Alleen in Amerika woont er een die doet niet mee. Wat een vervelend ventje is dat. Wat doen we als we ons allemaal ingescheept hebben? Laten we hem (en zijn hele veestapel) dan verdrinken of hijsen we hem alsnog aan boord?

Wel jammer dat onze ark niet Regenboog heet, maar Win Win. We willen houden wat we hebben en nog meer. Ik houd mijn hart vast.