Vleermuis 71

Oosterweg (Heemskerk 2020)

Vanmorgen, toen het nog donker was, uit huis geslopen. In vijf kwartier de grote ronde gelopen. Noordermaatweg, Noorddorperweg, Oosterweg en buut. Niemand gezien en niemand mij. Net voor zonsopgang weer binnen. Ontbijt gemaakt en Nanny uit bed getrommeld. En geen haan die hiernaar gekraaid heeft. Zo doe je dat.

Nee, dan de familie van Oranje. Wat een zielig zootje. Net nu het spannend wordt peren ze ‘m weer. Met het regeringsvliegtuig. Dat werd gespot. Oh oh wat waren ze toen geschrokken. Niet van hun eigen streekjes, maar van de social media. Heftig heette het.

En dan die meneer Rutte. Onze premier. Wat een draaikont. Het was even aan zijn aandacht ontsnapt. Inschattingsfoutje. Moet kunnen. Zoveel is er toch niet aan de hand? Ja dat we ons misschien even een tijdje zo hier en daar een beetje moesten beperken in alle leuke dingen die we nog wilden doen, dat was in een onbewaakt ogenblik misschien wel gezegd, maar dat geloofden we toch zeker zelf niet?

Meneer Rutte doet het woord voor die meneer van Oranje heb ik gehoord. Zo leren we beiden ietsje beter kennen.

Vleermuis 70


Dit is uit de serie “Dichten met boektitels” en dus al eerder gepubliceerd. Lees nu voor beer virus en de wanhoop en machteloosheid druipt er vanaf: wie of wat gaat ons redden? Of lees voor beer lock down en goede raad is geboden: hoe gaan we ons zo creatief mogelijk aan de regels onttrek… pardon houden?

Ik lees op het potje met desinfecterende handgel dat het gedenatureerde alcohol bevat. Dat ontsmet kennelijk, vindt het virus niet lekker. Het brengt me op een idee. Dus ik ga naar de kroeg. Tegen mijn gewoonte in. Wat moet dat moet. Maar wat denk je? Gesloten! Nou vraag ik je…

Wat ook niet meehelpt is dat ik helemaal nergens, maar dan ook niet het kleinste virusje zie. Niks en niemand in mijn buurt of in mijn familie of kennissenkring heb ik met het onder de leden afgevoerd zien worden. Wel zag ik een vrouw met vers gips om haar arm lopen. Die is dus gewoon geholpen. Gebroken armpje, niks aan de hand. Toch zeggen ze dat als je je met ademnood bij de eerste hulp meldt je linea recta naar Duitsland doorgestuurd wordt. Misschien zetten ze dadelijk het leger in. Nou vraag ik je…

Op het Europese Corona Dashboard staan we nu tweede. Procentueel gepasseerd door Tsjechië! Daar kan je alleen maar een diepe buiging voor maken. Hoe doen ze het? Evengoed om je dood te schamen. Hier zitten we met veel meer domme mensen op een kluitje, we feesten ons een ongeluk, en dan nog laten we ons piepelen. Zeker even niet opgelet. Nou ja de USA hebben we achter ons gelaten. Dat dan weer wel…

Zo, genoeg zogenaamd flink gedaan. En van die praatshows op tv word je ook niet goed.

Vleermuis 67

Heemskerk, september 2020

We lopen een rondje om ons dorp. Het Noorderveld en De Knip liggen er verlaten bij. Het miezert, het is windstil en de lucht is grijs. We mogen niet meer naar Amsterdam.

In Amsterdam kan je lachen. Ik zit ik in een tram en die botst door een verkeerde wissel frontaal op een andere tram. Wat een klap, wat een ravage. Mensen languit in het gangpad, een hoop gekerm en een heleboel bloed. Vooral de bestuurder ziet er niet uit. Die komt van z’n plaats en loopt naar achteren. De vrouw, die naast mij zit, valt flauw, over mij heen. Na een poosje arriveert de politie en de GGD, die nemen de vrouw van mij over en ontruimen de tram. Een oude man, nee niet ik, blijft zitten. Hij vraagt: “Gaat deze tram niet verder?”

Snip en Snap snappen het ook niet meer. Ze zeggen dat we het goed doen, maar niet goed genoeg. Dat het virus ons te snel af is. Eigenlijk zeggen ze dat we er met z’n allen een potje van hebben gemaakt. Irma schiet in de hoest, maar blijft gewoon door gebaren. Het is nu bittere ernst. Bij de Jumbo in ons dorp is het een Sodom en Gomorra. Dat zegt een buurman die er geweest is. In Brabant denken ze al weer aan het carnaval. En in Goes is “de grootste kermis die Zeeland ooit gehad heeft” geopend. Nee het virus is nog niet van ons af.

Er vliegen in de schemering twee vleermuizen rond ons huis. Wat een snelheidsduivels zijn dat. Ze willen naar binnen, maar hun sonar waarschuwt ze op tijd. Vlak voor de ruit maken ze een haarscherpe bocht omhoog. Maar ze blijven het proberen. Ze doen aan check en dubbelcheck. Een paar jaar geleden vloog zo’n stuntpiloot door het open raam naar binnen. Tien rondjes vloog het supersonische monstertje op topsnelheid door alle hoeken van onze kamer. En langs het raam. Zocht het een geheime uitgang? Of had het een probleempje met z’n wifi? Twee weken later zag ik een filmpje op YouTube met, je raadt het al, onze kamer en daarin twee mensjes weggedoken onder een tafel. Zijn wij dat?

Vleermuis 66


Wat ben jíj nou aan het doen?



De tekening (niet het onderschrift) is uit Brian Bagnall’s Beestenbende (Mondria uitgevers, Hazerswoude 1983). Eerder, op 4 april 2020, toonde ik in Vleermuis 20 ook al een tekening uit die (toevallig teruggevonden) bundel, niet wetende dat de kunstenaar op 16 mei 2020 zou overlijden (getuige de Traueranzeige in de Süddeutsche Zeitung).


Vleermuis 60

Klulkoek

Daar heb je die verrekte Vandattus weer. Met een van zijn netste onzinstukjes. Heb ik naar moeten zoeken. Er staan aanwijzingen in. Ik doe aan tekstanalyse. Heb ik voor geleerd. Hij stamt af van een vervlaamd Waals (of verwaand Frans) officiersgeslacht, waarvan de nazaten tegen hun zin in Antwerpen waren gestrand en van dat dus behoorlijk de pest in hadden kregen. En van die bekakte Gentenaren natuurlijk. Kan ook andersom zijn geweest. De rest is lariekoek en dwaalspoor. Zie ik iets over het hoofd?

Weenink Post jaargang 37 nummer 28 juli 1986

Kan ik er wat aan doen dat mijn voornaam Vlaams en mijn achternaam Vlaams is? Eigenlijk wel, maar dat voert minstens voorbij de taalgrens, andere keer misschien.

Ik wil het eens hebben over dat door die ‘Ollanders’ misverstane werkwoord ‘verbelgen’: sommige heren en dames hollandici menen dat woordteruglopend te kunnen afleiden uit het situatie-veranderende voorvoegseltje ‘ver’ en het intrigerende oud-vlaamse woord ‘balg’. Dat zou dan via kruisbestuiving door Welshmen onder Filips de Schone uit het Noord-Iers zijn gekomen en staan voor ‘walgen van’. Zodoende zou ‘verbalgen’ iets of iemand verfoeien zijn. Klulkoek!

Uit de jongste opgravingen te Peerkens-Kruisegem wordt mijn mening gestaafd dat ‘balg’ staat voor ‘balg’ en dat wij Hollanders er alleen maar mee konden blazen, terwijl de Belgen er in knepen en kneedden. Ware meesters waren die Belgen daarin en het duurde niet lang of hun faam in dit handwerk snelde hen achterna naar de Nederlanden alwaar zij reeds decennia in slavernij werden gehouden om de ‘balg’ te hanteren. Al spoedig werd het instrument synoniem voor de bediener ervan. ‘Daar hejje’nen Balg’ zei men dan en als die ‘Balgen’ te veel gedronken hadden, dan wilden ze er nog wel eens flink tegenaan gaan en iemand ‘verbalgen’ wat neerkwam op het modieuze nederlands: iemand even verbouwen of vertimmeren. Het is aan het bekakte taalgebruik van de Gentenaren te danken of te wijten dat men van ‘verbelgen’ begon te spreken.

Hoe zit het dan met ‘gebelgd’ en ‘verbolgen’? Awel, hier hebben wij van doen met een sterke Belg en een zwakke Belg, die elkaar in een historische tongverstuiking hebben misverstaan, zo simpel ligt dat.

Frankie Verzottus

Vleermuis 52

Het virus is nog wel even onder ons en ik raak door mijn vleermuizen heen. Dus ik vraag aan Bram Janssen: heb jij nog wat Weenink Posten van vroeger? Vroeger toen de liedjes nog mooi waren en de meisjes schoon. Dan draai ik een paar van die wijsjes op mijn oude koffergrammofoon.


Dat had ik dus niet moeten doen. Want nu staat er een onbarmhartige stapel Weenink Posten mij aan te staren. Ze willen gelezen worden. Niet allemaal natuurlijk, sommige zijn stomvervelend of gesteld op hun privacy, maar dan blijven er nog genoeg over om daar de rest van de zomer, de herfst en de winter mee door te komen. Ik ga eens kijken hoe ik dat ga aanpakken. Kijken daar ben ik goed in. Aanpakken niet zo. We zullen zien.

Vleermuis 49

Max Euwe Centrum (Amsterdam 2020)

Vorige week was ik in het Max Euwe Centrum in Amsterdam. Dat werd tijd. Ik was er nog nooit geweest. En dat terwijl ik zeer gecharmeerd ben van de Nieuwsbrief die het Centrum uitgeeft. Ik was de enige bezoeker en ik werd overladen met uitleg over het centrum en bedolven onder de anekdotes. Het kostte me door deze hartelijke ontvangst de grootste moeite om de bibliotheek te bereiken.

Gelukkig had ik bij binnenkomst al wel de foto’s van Lennart Ootes gezien. Maar toen ik vervolgens langs een tentoonstelling van schaakcomputers (voor het merendeel lelijke apparaten), schaakklokken (al een stuk interessanter) en het leven van Max Euwe (geef mij maar een boek) was geleid, liep ik stuk op een vitrine met een schaakbord met de eindstelling van de match Euwe-Aljechin in 1935.

Dat is dus nep. Toevallig heb ik er in 1935 met mijn neus bovenop gestaan en dat bord en die stukken zagen er toen toch echt heel anders uit. Alleen de stelling klopt wel zo’n beetje. En wie heeft die rare letters en cijfers op de rand geplakt? Dat kan echt niet. Dammers lachen zich rot. Die kunnen zonder. Aljechin en Euwe konden dat ook.

Vleermuis 45


FitmetVisie

FitmetVisie, mijn club, heeft video’s online staan! Workouts met Marjolein en Ramon!! Hoera!!!

Aan de slag dus. Met de laptop naar zolder, want daar is het kleed zacht. In de rest van het huis ligt hout. Pak een kampeermatje zegt Nanny. Beneden heb je meer ruimte. Maar ik ben lui, het kleed op zolder ligt er al.

Twee trappen op. Alle begin is moeilijk. Te lang stilgezeten zeker. En de strapatsen van Ramon en Marjolein vallen ook niet mee. Na drie videootjes lig ik op apegapen. Heupen en billen: au au au. Biceps en triceps: vergeet het maar. Buikspieren: begin ik niet eens aan. Cardio: bel 112. Ik zak weer twee trappen naar beneden.

Ik zei nog zo, zegt Nanny, doe rustig aan.

Vleermuis 44



Op 23 oktober 1930 trouwt Johanna Cornelia Karssen (mijn tante Anny) in Utrecht met Frederik George von Lindheim (oom Frits). En nog geen week later op 29 oktober 1930 gaat het paar in Rotterdam aan boord van de Baloeran, het vlaggenschip van de Rotterdamsche Lloyd, dat hen naar Nederlands-Indië zal brengen.

De ‘afduwers’ bij het vertrek van de Baloeran naar Nederlands-Indië op 29 oktober 1930

Op de kade speelt zoals gewoonlijk een muziekkapel, er is familie en er zijn belangstellenden die het schip zullen gaan uitzwaaien. Het bijschrift onder de foto luidt: “Bij het vertrek van MS Baloeran naar Indië”. Ik herken niemand. Het is te lang geleden. Maar mijn oom en tante staan op de passagierslijst. Zij zijn aan boord. En wat zij daar aantreffen moet overweldigend zijn geweest. Het schip is gloednieuw en het interieur mag je gerust luxueus noemen.


Ik citeer uit het boek over de Baloeran van Nico Guns, uitgegeven in 2007:

Het prachtige passagiersschip Baloeran van de Rotterdamsche Lloyd (de tekening is van J.H. Sikemeier) kwam in maart 1930 in de vaart. Het was ontworpen door de bouwmeesters van De Schelde in Vlissingen en gebouwd bij de scheepswerf Fijenoord in Rotterdam. Gedurende het eerste jaar van haar bestaan was de Baloeran – met haar schitterende interieurs in de art-decostijl van architect H.P. Mutters – het vlaggenschip van de Rotterdamse rederij en het maritieme paradepaard van de Nederlandse koopvaardij. In 1931 kreeg de Baloeran gezelschap van haar vrijwel identieke zusterschip Dempo, dat toen de status van Lloyd-vlaggenschip overnam. Vanaf dat moment vormde het illustere tweetal een belangrijke schakel in de vaarroute naar de twee hoofdbestemmingen in de verre Oost-Indische kolonie: Tandjongpriok bij Batavia en Tandjongperak bij Soerabaja.


De Baloeran wordt afgeleverd in Rotterdam op 8 maart 1930

De eerste officiële reis van de Baloeran met bestemming Nederlands-Indië begint met een afvaart op 16 april 1930 vanaf de Lloydkade in Rotterdam. Een kleine drie maanden later, op 2 juli 1930, verklaart kapitein Boon bij terugkomst, dat de belangstelling in Batavia overweldigend was geweest. Vierduizend mensen waren het schip komen bezichtigen. Maar ook dat alles prachtig was gegaan, dat de machines zich best hadden gehouden en dat iedereen tevreden was geweest over de inrichting van het schip.

Algemeen Handelsblad 3 juli 1930


Baloeran (een aquarel van Ronald van Rikxoort)

“Dat alles prachtig was gegaan”. Maar dan verzwijgt de kapitein toch een klein akkefietje dat op de heenreis plaats heeft gehad:

Het Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië van 17 mei 1930

Piso blati, perkara, zeebaboe? En dan de gebruikelijke vlag niet hijsen? Ik denk dat de kapitein liever zijn eigen boontjes dopte.

Tien jaar lang pendelde de Baloeran tussen Rotterdam en Nederlands-Indië. Gedurende al die jaren speelde zich aan boord het volle menselijke leven af.

In mei 1940 wordt het schip buitgemaakt door de Duitse bezetters, die het verbouwen tot hospitaalschip voor de Kriegsmarine en het herdopen tot Strassburg. Eind augustus 1943 loopt het schip nabij IJmuiden op een mijn. Daarop volgen in september diverse Britse aanvallen, over zee en vanuit de lucht, op het gestrande en half gezonken schip, totdat het wrak op 19 oktober 1943 definitief in brand wordt geschoten.

Wat nu nog over is van de Baloeran ligt op de bodem van de Noordzee, ongeveer ter hoogte van IJmuiden en Wijk aan Zee.



De citaten en afbeeldingen, uitgezonderd de eerste twee foto’s (die de aanleiding waren tot dit verhaal) komen uit het al genoemde boek van Nico Guns: ms Baloeran, Een beknopte scheepsbiografie; Walburg Pers, Zutphen 2007. Lezen! En kijken. De uitgave is vast nog wel ergens te krijgen. Mij is het ook gelukt.

Vleermuis 43


Exmes

In 2009 waren we te gast bij Monique en Rob de Gast in Avernes-sous-Exmes ergens in Normandië. We liepen naar het eerste het beste dorp in de buurt. Dat was dus Exmes, spreek uit Èm. Er was een Bar Tabac en er was een bakker die soms open was en vaak ook niet. Verder was er niets, helemaal niets.

Ik bekijk de foto’s van toen. En ik vermoed dat het er nog steeds zo is. Dat er niets veranderd is. De tijd stond er toen al stil. Als ik jong was reed ik er naar toe, op mijn Motobécane, kon ik het zien. Maar nu even niet, nu doe ik het maar zo.

Vleermuis 41



Na veertig vleermuizen en veertig rondjes door het dorp gelopen te hebben zijn we weer eens op de fiets geklommen voor een rondje Communicatieweg- Assendelft-Nauerna- Buitenhuizen-Zeedijk-Genieweg-Fort Veldhuis. Bij de pont gekeken en ja hoor, de mondkapjes gingen op en af. Je gelooft je ogen niet. Wat een onzin. Veel gevaarlijker dan het virus zijn de wielrenners op het fietspad. Het is een wonder dat we heelhuids thuis gekomen zijn. En daar lees ik een bericht op BBC News dat een goedje, dat in mijn oogdruppels zit, ook helpt tegen het virus. Wat moet ik nou doen? Dat spulletje goed bewaren voor als het echt nodig is of het hele flesje meteen leeg kieperen in mijn oog. Wat is beter. Je weet het niet, je weet het niet. De wereld is gek geworden.

Vleermuis 40



Het andere oog is ook gedaan. Gisteren. Dokter zei: we doen het nu anders, ik ga een paar trucs toepassen. Misschien beter van niet dacht ik stiekem, maar ik zei succes gewenst dokter. Na afloop riep hij opgewekt dat het een beetje moeilijk was geweest en dat het daarom wat langer had geduurd, maar het was nu in orde. En inderdaad, het resultaat mag er zijn. Ik zie nu weer alles. Elk vogeltje, spinnetje, lieveheersbeestje, elke jeneverbes. Ik kijk mijn ogen uit. En heel veel kleur. Het is een wonder. Maar er is ook een nadeel. Alle foto’s die ik de laatste tijd heb gemaakt moeten over. Wat heb ik daar een eigenaardig rommeltje van gemaakt.

De wachtkamer, daar hoor je nog eens wat. De vorige keer werden er alle kwalen van de wereld behandeld. Dat was naar aanleiding van een man die helemaal niet bang was, maar toch om een roesje had gevraagd. Dat had een reden. Hij had namelijk een tik: als ze aan zijn voeten of aan zijn gezicht kwamen, dan begon hij te slaan. Kon hij niks aan doen. Maar dat roesje ging dus niet door. Wegens onderliggende gebreken. Nou toen kwamen de tongen los en konden we genieten van heel veel verborgen leed.

Dit keer was de stemming een stuk minder zorgelijk. De meesten zaten er nu voor hun tweede oog. Toch kwam de vraag nog even op tafel of je voor de behandeling zenuwachtig moest zijn of niet. We kwamen uit op: zenuwachtig was niet nodig, we wisten nu hoe het ging, maar een beetje gespannen mocht. En gelukkig waren we nog lang niet zo oud als we er uitzagen. Wie was er nou oud? De duvel die was oud. Dat vonden de mannen. Maar zijn moer is nog ouder, opperde toen een vrouw. U weet meer dan wij, zeiden de mannen voorzichtig. Ze waren de draad kwijt. Ander onderwerp dan maar. Ik weet nou al wat mijn zoon gaat zeggen als hij me dadelijk komt halen met zo’n lap voor mijn oog. Pa als je nou nog piept sla ik je andere oog ook dicht. Dat vond hij zelf erg leuk. Wij deden ook ons best. Nee hoor, we waren absoluut nergens bang voor. We gingen nog even koffie tappen.

Na afloop weer op mijn fiets met één oog naar huis gereden. Dat mag niet dat mag niet had iedereen geroepen. Als er iets gebeurt ben je niet verzekerd. Ik geef toe: dat is een bekende eigenschap van veel verzekeringen. Maar er is niets gebeurd. Dus ook dit is met een sisser afgelopen. Ik zie weer als de beste.

Music from Big Pink