Berichten

Vleermuis 45


FitmetVisie

FitmetVisie, mijn club, heeft video’s online staan! Workouts met Marjolein en Ramon!! Hoera!!!

Aan de slag dus. Met de laptop naar zolder, want daar is het kleed zacht. In de rest van het huis ligt hout. Pak een kampeermatje zegt Nanny. Beneden heb je meer ruimte. Maar ik ben lui, het kleed op zolder ligt er al.

Twee trappen op. Alle begin is moeilijk. Te lang stilgezeten zeker. En de strapatsen van Ramon en Marjolein vallen ook niet mee. Na drie videootjes lig ik op apegapen. Heupen en billen: au au au. Biceps en triceps: vergeet het maar. Buikspieren: begin ik niet eens aan. Cardio: bel 112. Ik zak weer twee trappen naar beneden.

Ik zei nog zo, zegt Nanny, doe rustig aan.

Vleermuis 44



Op 23 oktober 1930 trouwt Johanna Cornelia Karssen (mijn tante Anny) in Utrecht met Frederik George von Lindheim (oom Frits). En nog geen week later op 29 oktober 1930 gaat het paar in Rotterdam aan boord van de Baloeran, het vlaggenschip van de Rotterdamsche Lloyd, dat hen naar Nederlands-Indië zal brengen.

De ‘afduwers’ bij het vertrek van de Baloeran naar Nederlands-Indië op 29 oktober 1930

Op de kade speelt zoals gewoonlijk een muziekkapel, er is familie en er zijn belangstellenden die het schip zullen gaan uitzwaaien. Het bijschrift onder de foto luidt: “Bij het vertrek van MS Baloeran naar Indië”. Ik herken niemand. Het is te lang geleden. Maar mijn oom en tante staan op de passagierslijst. Zij zijn aan boord. En wat zij daar aantreffen moet overweldigend zijn geweest. Het schip is gloednieuw en het interieur mag je gerust luxueus noemen.


Ik citeer uit het boek over de Baloeran van Nico Guns, uitgegeven in 2007:

Het prachtige passagiersschip Baloeran van de Rotterdamsche Lloyd (de tekening is van J.H. Sikemeier) kwam in maart 1930 in de vaart. Het was ontworpen door de bouwmeesters van De Schelde in Vlissingen en gebouwd bij de scheepswerf Fijenoord in Rotterdam. Gedurende het eerste jaar van haar bestaan was de Baloeran – met haar schitterende interieurs in de art-decostijl van architect H.P. Mutters – het vlaggenschip van de Rotterdamse rederij en het maritieme paradepaard van de Nederlandse koopvaardij. In 1931 kreeg de Baloeran gezelschap van haar vrijwel identieke zusterschip Dempo, dat toen de status van Lloyd-vlaggenschip overnam. Vanaf dat moment vormde het illustere tweetal een belangrijke schakel in de vaarroute naar de twee hoofdbestemmingen in de verre Oost-Indische kolonie: Tandjongpriok bij Batavia en Tandjongperak bij Soerabaja.


De Baloeran wordt afgeleverd in Rotterdam op 8 maart 1930

De eerste officiële reis van de Baloeran met bestemming Nederlands-Indië begint met een afvaart op 16 april 1930 vanaf de Lloydkade in Rotterdam. Een kleine drie maanden later, op 2 juli 1930, verklaart kapitein Boon bij terugkomst, dat de belangstelling in Batavia overweldigend was geweest. Vierduizend mensen waren het schip komen bezichtigen. Maar ook dat alles prachtig was gegaan, dat de machines zich best hadden gehouden en dat iedereen tevreden was geweest over de inrichting van het schip.

Algemeen Handelsblad 3 juli 1930


Baloeran (een aquarel van Ronald van Rikxoort)

“Dat alles prachtig was gegaan”. Maar dan verzwijgt de kapitein toch een klein akkefietje dat op de heenreis plaats heeft gehad:

Het Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië van 17 mei 1930

Piso blati, perkara, zeebaboe? En dan de gebruikelijke vlag niet hijsen? Ik denk dat de kapitein liever zijn eigen boontjes dopte.

Tien jaar lang pendelde de Baloeran tussen Rotterdam en Nederlands-Indië. Gedurende al die jaren speelde zich aan boord het volle menselijke leven af.

In mei 1940 wordt het schip buitgemaakt door de Duitse bezetters, die het verbouwen tot hospitaalschip voor de Kriegsmarine en het herdopen tot Strassburg. Eind augustus 1943 loopt het schip nabij IJmuiden op een mijn. Daarop volgen in september diverse Britse aanvallen, over zee en vanuit de lucht, op het gestrande en half gezonken schip, totdat het wrak op 19 oktober 1943 definitief in brand wordt geschoten.

Wat nu nog over is van de Baloeran ligt op de bodem van de Noordzee, ongeveer ter hoogte van IJmuiden en Wijk aan Zee.



De citaten en afbeeldingen, uitgezonderd de eerste twee foto’s (die de aanleiding waren tot dit verhaal) komen uit het al genoemde boek van Nico Guns: ms Baloeran, Een beknopte scheepsbiografie; Walburg Pers, Zutphen 2007. Lezen! En kijken. De uitgave is vast nog wel ergens te krijgen. Mij is het ook gelukt.

Vleermuis 43


Exmes

In 2009 waren we te gast bij Monique en Rob de Gast in Avernes-sous-Exmes ergens in Normandië. We liepen naar het eerste het beste dorp in de buurt. Dat was dus Exmes, spreek uit Èm. Er was een Bar Tabac en er was een bakker die soms open was en vaak ook niet. Verder was er niets, helemaal niets.

Ik bekijk de foto’s van toen. En ik vermoed dat het er nog steeds zo is. Dat er niets veranderd is. De tijd stond er toen al stil. Als ik jong was reed ik er naar toe, op mijn Motobécane, kon ik het zien. Maar nu even niet, nu doe ik het maar zo.

Vleermuis 41



Na veertig vleermuizen en veertig rondjes door het dorp gelopen te hebben zijn we weer eens op de fiets geklommen voor een rondje Communicatieweg- Assendelft-Nauerna- Buitenhuizen-Zeedijk-Genieweg-Fort Veldhuis. Bij de pont gekeken en ja hoor, de mondkapjes gingen op en af. Je gelooft je ogen niet. Wat een onzin. Veel gevaarlijker dan het virus zijn de wielrenners op het fietspad. Het is een wonder dat we heelhuids thuis gekomen zijn. En daar lees ik een bericht op BBC News dat een goedje, dat in mijn oogdruppels zit, ook helpt tegen het virus. Wat moet ik nou doen? Dat spulletje goed bewaren voor als het echt nodig is of het hele flesje meteen leeg kieperen in mijn oog. Wat is beter. Je weet het niet, je weet het niet. De wereld is gek geworden.

Vleermuis 40



Het andere oog is ook gedaan. Gisteren. Dokter zei: we doen het nu anders, ik ga een paar trucs toepassen. Misschien beter van niet dacht ik stiekem, maar ik zei succes gewenst dokter. Na afloop riep hij opgewekt dat het een beetje moeilijk was geweest en dat het daarom wat langer had geduurd, maar het was nu in orde. En inderdaad, het resultaat mag er zijn. Ik zie nu weer alles. Elk vogeltje, spinnetje, lieveheersbeestje, elke jeneverbes. Ik kijk mijn ogen uit. En heel veel kleur. Het is een wonder. Maar er is ook een nadeel. Alle foto’s die ik de laatste tijd heb gemaakt moeten over. Wat heb ik daar een eigenaardig rommeltje van gemaakt.

De wachtkamer, daar hoor je nog eens wat. De vorige keer werden er alle kwalen van de wereld behandeld. Dat was naar aanleiding van een man die helemaal niet bang was, maar toch om een roesje had gevraagd. Dat had een reden. Hij had namelijk een tik: als ze aan zijn voeten of aan zijn gezicht kwamen, dan begon hij te slaan. Kon hij niks aan doen. Maar dat roesje ging dus niet door. Wegens onderliggende gebreken. Nou toen kwamen de tongen los en konden we genieten van heel veel verborgen leed.

Dit keer was de stemming een stuk minder zorgelijk. De meesten zaten er nu voor hun tweede oog. Toch kwam de vraag nog even op tafel of je voor de behandeling zenuwachtig moest zijn of niet. We kwamen uit op: zenuwachtig was niet nodig, we wisten nu hoe het ging, maar een beetje gespannen mocht. En gelukkig waren we nog lang niet zo oud als we er uitzagen. Wie was er nou oud? De duvel die was oud. Dat vonden de mannen. Maar zijn moer is nog ouder, opperde toen een vrouw. U weet meer dan wij, zeiden de mannen voorzichtig. Ze waren de draad kwijt. Ander onderwerp dan maar. Ik weet nou al wat mijn zoon gaat zeggen als hij me dadelijk komt halen met zo’n lap voor mijn oog. Pa als je nou nog piept sla ik je andere oog ook dicht. Dat vond hij zelf erg leuk. Wij deden ook ons best. Nee hoor, we waren absoluut nergens bang voor. We gingen nog even koffie tappen.

Na afloop weer op mijn fiets met één oog naar huis gereden. Dat mag niet dat mag niet had iedereen geroepen. Als er iets gebeurt ben je niet verzekerd. Ik geef toe: dat is een bekende eigenschap van veel verzekeringen. Maar er is niets gebeurd. Dus ook dit is met een sisser afgelopen. Ik zie weer als de beste.

Music from Big Pink

Vleermuis 38

Het schaken staat op een miserabel laag pitje. Het kaarsje van zaterdagteam SC Bakkum is inmiddels uitgewaaid. Er wordt naar lucifers gezocht. Maar gaat de KNSB ons in september nog iets bieden? Bestaat de schaakbond nog wel? Bij mij zijn de schaakstukken in quarantaine gegaan. Ze hebben liever niet dat ik ze aanraak. Voor mijn eigen bestwil, zeggen ze. Dus houd ik mij bezig met de onvoorstelbare hoeveelheid schaakfoto’s van de afgelopen tijd. Bijvoorbeeld van het Tata Steel Chess Tournament begin dit jaar in Wijk aan Zee. Tjonge, wat hebben we daar een geluk gehad! Nog net voor het carnaval uit. En misschien wel voor de laatste keer.

Ondertussen lees ik dat het Max Euwe Centrum Eline Roebers heeft uitgeroepen tot schaaktalent van het jaar. Zo, denk ik dan: je hoeft het dus zelf niet te hebben, talent, je kunt er wel oog voor hebben. Ik probeer haar vaak te fotograferen zonder dat ze het merkt. Alleen lukt dat vrijwel nooit. Ze is slimmer dan ik en houdt me in de gaten. En er zitten te vaak te veel andere mensen omheen. Zoals ook hier. Een zaal vol. En bijna allemaal in de risicogroep of daartegenaan zo te zien. De wat oudere talenten dus. De man met het witte haar (ja wie?) die ken ik niet. Paul Harmse met het geruite hemd (ja welk?) die ken ik wel, want hij is van Castricum. En Sernin van de Krol die is nog jong, rijzende ster in het gilde van schaakarbiters volgens het Noordhollands Dagblad. Hij grijpt zo min mogelijk in. Dus wat we hier zien is bijzonder.

Vleermuis 36

Amsterdam 2012

Ach de Dam. Hierboven staan zo’n vijftig mensen rond een goochelaar. Dat was acht jaar geleden. Gisteren stonden er vijfduizend voor een demonstratie. Dat is wel een beetje veel. De burgemeester van Amsterdam had even niet opgelet. Het gehuilebalk is niet van de lucht. De burgemeester van Rotterdam zweet nu peentjes. Van hem mogen er maar tachtig komen, maar ja ze hebben daar niet zoveel ruimte.

Bij mijn buren wordt de badkamer verbouwd. De twee bouwvakkers zijn even uitgeboord en rusten uit in de tuin. Ze tillen er niet zo zwaar aan en hebben begrip voor de burgemeester van Amsterdam. Mensen hebben zelfbeschikkingsrecht, zegt de een, en als ze gaan dan gaan ze. Daar is de ander het mee eens. Maar dan moeten ze nu wel allemaal veertien dagen in quarantaine. Dat gaat niet lukken zegt de eerste weer. En daarmee is het onderwerp afgedaan. Ze schakelen over op belangrijker zaken.

Vleermuis 35


screenshot video omroep heemskerk

Tweede pinksterdag twaalf uur. De terrassen zijn weer open. Nanny is niet meer te houden en Het Dorrup doet niet moeilijk. Meteen worden we gespot door een camera van Omroep Heemskerk. Twee seconden. Maar toch. Drie maanden zijn we onder de radar gebleven. En nu dit. Als dat maar goed gaat.

Vleermuis 33

Rijksstraatweg 217, 1969 LG Heemskerk, Kadastraal: A 3267

Toen ik in Heemskerk kwam wonen vond ik het een gat. Er was een bioscoop waar ik niet naar toe durfde, er was een café dat dicht was, en tijdens de feestweek traden Corrie Konings en de WICO’s op. Een cultuurschok. Maar er was ook een houthandel waar je spijkers per stuk kon krijgen en een chinees waar je babi pangang kon eten. En het strand was op fietsafstand. Vanuit het dorp stak je aan het eind van de Oosterweg de Rijksstraatweg over. Daar stond in het veld een voormalig tuindershuisje karakteristiek op instorten. Jarenlang.

Rijksstraatweg 217 is rond 1900 als tuinderwoning gebouwd. Het pand staat bekend onder de naam de Vlotter. Het gebouw is gesitueerd aan de westzijde van de Rijksstraatweg en staat een flink eind van de weg af. Het wordt omgeven door tuinbouwgebied. Aan de achterzijde (west) vormt het Noord-Hollands Duinreservaat het achtergronddecor. Hoogstwaarschijnlijk stond op deze plek, of in de onmiddellijke nabijheid, de in 1869 gesloopte hofstede de Vlotter. Volgens informatie van de Historische Kring Heemskerk is de tuinderwoning gebouwd op de fundamenten met de voormalige hofstede.

Het pand bestaat uit één bouwlaag met zolderverdieping onder een mansardedak met ongelijke schilden. Het achterdakvlak heeft een dubbele knik. Het dak is gedekt met rode (oorspronkelijke) Hollandse pannen (aangesmeerd met kalkspecie). De nok ligt evenwijdig aan de straat.
De rechter zijgevel is wit gesausd, de overige gevels zijn gepleisterd en wit geschilderd boven een zwart geschilderde plint. De voorgevel heeft links en rechts in de gevel een éénruitsraam met een éénruits klepraam als bovenlicht. Rechts van het midden zit een fors (niet beschermenswaardig) éénruits raam van latere datum. De rechter zijgevel bezit een dubbel openslaand éénruits raam op de verdieping, de linker zijgevel heeft links een klein toiletvenstertje. De achtergevel heeft enkele eenruitsramen en, links van het vervallen éénlaags houten aanbouwtje, de entree. Achter het pand staat een (niet beschermenswaardige) vervallen houten (spaanplaat) schuur. Het pand heeft een smalle voortuin, omgeven door een eenvoudig, laag, houten hekwerkje. Daarvoor staan drie monumentale beukenbomen.

De voormalige tuinderwoning de Vlotter heeft cultuurhistorische waarde omdat het pand in zijn hoofdvorm herinnert aan de historische plattelandsbebouwing van dit agrarische gebied.
De Vlotter bezit vermoedelijk archeologische waarde die gerelateerd is aan de voormalige hofstede de Vlotter. Het pand is zeer beeldbepalend gelegen gezien vanaf de Rijksstraatweg maar ook gezien vanuit het westelijk gelegen Noord-Hollands Duinreservaat. De vlakke tuinbouwgronden rondom versterken de beeldbepalende ligging. Vanwege de combinatie van de kleinschalige, eenvoudige verschijningsvorm en het karakteristieke silhouet met de kenmerkende mansardekap, de drie monumentale beukenbomen langs de voorgevel, de vrije ligging met de onbebouwde, vlakke tuinbouwgronden rondom en het duinlandschap als coulissedecor op de achtergrond is sprake van een bijzonder landschappelijk ensemble. Het zijn deze beeldbepalende elementen die er voor gezorgd hebben dat de Vlotter een belangrijk beeldmerk is geworden voor de bevolking van Heemskerk.

bron: erfgoedregister gemeente heemskerk

Oase in de binnenduinrand

Nu, bijna vijftig jaar later, is Heemskerk een stuk opgeknapt. Café’s, restaurants, terrassen niet te kort. Alleen durf ik er nog niet naar toe. Ik hoop dat de feestweek nog even niet mag, maar ik krijg ondanks Virus Vleermuis twee nieuwe ogen en zie met het eerste al weer wat kleur. Ik rij langs het voormalige tuindershuisje. “Er gaat een wereld voor mij open”. Hoe hebben ze dat zo gauw geflikt?

Oase in de binnenduinrand

Wie oude kaarten van Noord-Holland bekijkt, ziet dat de duinen aan de Rijksstraatweg, bij het voormalige buurtschap Noorddorp, plotseling terugwijken. Ooit werden de ‘Wildernisse’ hier afgegraven en in cultuur gebracht voor de teelt van prei, spinazie en aardbeien. Precies daar, tussen de tuinderijen, staat een witgepleisterd tuindershuisje uit 1854. Het is gebouwd op de fundamenten van de 17e eeuwse hofstede ‘De Vlotter’.

De laatste jaren verkeert het onbewoonde pandje in jammerlijke staat. Het verval lijkt niet te stuiten. In 2008 overwegen de eigenaar (provincie Noord-Holland) en de beheerder (PWN) sloop. Dat brengt de nodige beroering teweeg. De Heemsstichting en de Historische kring Heemskerk komen in het geweer. De gemeente erkent het cultuurhistorische en beeldbepalende belang en verleent in 2009 de woning de status van gemeentelijk monument (Gemeentelijk monument 0396/H37 Rijkssstraatweg 217 Heemskerk Tuinderswoning “De Vlotter”)

Jeroen de Wilde valt al tien jaar voor de vervallen tuinderswoning op deze bijzondere locatie in de binnenduinrand. Regelmatig informeert hij bij PWN of het te koop komt. Oktober 2014 is het eindelijk zover. Een kijkdag trekt ruim 150 bezoekers, waaronder fotografen en filmploegen. Geïnteresseerden kunnen hun plan en bod in een gesloten envelop indienen. Jeroen de Wilde zet alle zeilen bij. Samen met monumentenarchitect Collo en landschapsarchitect Huiberts stelt hij een uitvoerig restauratievoorstel op. Uit tientallen gegadigden wordt hij geselecteerd als de gelukkige koper.
Na ruim een jaar stevig doorwerken wordt de grondige restauratie in 2016 afgerond.

bron: mooi noord-holland

zie ook: tekeningen en info

Het leven van Dirk Hout (deel 5)


Heen en weer naar Veenhuizen (1839-1861)

In Alkmaar wordt er in 1839 weer een volkstelling gehouden en daar vinden we Dirk Hout in terug. Wat opmerkelijk is: Dirk staat ingeschreven samen met Marijtje Sille en een dochter Johanna die 20 jaar is. Het beroep van Dirk is schoenmaker, Marijtje is baker. Het adres is als vroeger: Oudegracht nr 52. Of dit allemaal klopt weten we niet, maar wel zeker is dat Dirk op 16 november 1839 weer terug is op de Ommerschans. Hij is aangekomen via Zwolle. Volgens het boek De bedelaarskolonie zou dat op vrijwillige aanmelding wijzen. Zijn nummer van inschrijving is nu 2680 en er wordt vermeld dat hij op 15 februari 1840 overgeplaatst is naar Veenhuizen. Omdat het in de Ommerschans overvol was en er wel plaats was in gestichten in Veenhuizen werden maandelijks groepen uit de bedelaarskolonie daarheen overgeplaatst. Met name in het tweede gesticht dat bedoeld was voor de opvang van wezen, was plaats genoeg: in het land bestond veel tegenstand om weeskinderen op te sturen naar Veenhuizen.

Gevangenismuseum gevestigd in het oude Tweede gesticht (Veenhuizen 2013)

Terwijl Dirk in Veenhuizen verblijft moet hij twee keer naar de notaris om zijn toestemming te geven voor het huwelijk van een dochter.
Op 14 mei 1842 maakt notaris Herman Hubert van Leer uit Norg ten huize van de landbouwer Klaas Riesing te Westervelde de akte van toestemming op voor het huwelijk van Maria Hout met Jacobus Fransen, kledermaker te Alkmaar. Buiten de notaris en Klaas Riesing zijn aanwezig: Dirk Hout, colonist in het tweede gesticht der Maatschappij van Weldadigheid, en veldwachter Egbert Kruize. Maria en Jacobus trouwen op 5 juni 1842.
Op 1 maart 1844 gaan Dirk en veldwachter Kruize, tenminste ik denk dat een veldwachter de kolonist moest vergezellen, naar notaris Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede te Norg. Dit keer gaat dochter Cornelia trouwen met Gerrit Bek, broer van haar zwager Cornelis, en schoenmaker van beroep. Het beroep van Cornelia is dienstbaar, dat van Dirk Hout kolonist. De toestemming wordt ondertekend door de notaris, Dirk Hout, Egbert Kruize en Lambertus Ubels, zaakwaarnemer van beroep. Cornelia en Gerrit trouwen op 12 mei 1844.

Langzamerhand wordt het kennelijk voor Dirk tijd om weer eens naar Alkmaar terug te gaan. Op 26 april 1845 wordt hij uit Veenhuizen ontslagen. Hij is dan op tijd voor het huwelijk van zijn jongste dochter Johanna Maria met Hendricus Timmer op 15 juni 1845. Hendricus is metselaar van beroep en bij het huwelijk wordt een kind erkend. Dirk is samen met Marijtje aanwezig. Hij tekent de akte, maar Marijtje en Johanna Maria doen dat niet: zij hebben dat niet geleerd.

Huwelijk Alkmaar 1845 nr. 41 (Regionaal Archief Alkmaar)


In 1846 is er opnieuw een bruiloft. Op 20 mei trouwt de laatste dochter, de een na jongste, Johanna Christina, in Amsterdam met Hendrik Josias Visser. Hendrik Josias, roepnaam Hein, is in 1818 geboren als zoon van Jozias Hendrik Visser, een scheepstimmerman uit Goes en Hiske Sierks Hannema wier familie oorspronkelijk van Ameland kwam. Als beroep van Hein vinden we kistenmaker, stoelenmaker en stoelenmatter. Het beroep van Johanna Christina is dienstbaar. Dirk en Marijtje kunnen niet naar Amsterdam komen, dat zal te duur geweest zijn, en nu geven zij allebei via notaris Johan Gustav Adolf Verhoeff toestemming voor het huwelijk. Van Dirk Hout wordt vermeld dat hij buiten beroep is, lang zijn vaste woonplaats gehad heeft te Alkmaar en daar ook nu daadwerkelijk verblijft in herberg de Hoop (?).
Van Marijtje Sille wordt gezegd dat zij bij de Banenkerk woont. Dirk is op het kantoor van de notaris verschenen en Marijtje was ten huize van Johannes Kraakman, slijter in wijnen en sterke dranken aan het Verdronkenoord nr 136.

Huwelijksbijlagen Huwelijk Amsterdam 1846 Reg 2 f.155 (Noord-Hollands Archief)

Als getuigen tekenen Hendrik Doorewaard en Jan Doorewaard, schoenmakers te Alkmaar. Marijtje tekent niet, zij kan immers niet schrijven en Dirk mag de akte eerst doorlezen, “uit hoofde der hardhoorigheid van dien comparant”.

*

Op 16 augustus 1849 overlijdt Maria Sille echtgenote van Dirk Hout, 65 jaar, van beroep baker en wonende op de Oude Vest Wijk D nr 9, in het gasthuis van Alkmaar.
Heeft Dirk nu niets meer te zoeken in Alkmaar of heeft hij een terugval? In ieder geval wordt hij op 4 december 1849 voor de vierde keer ingeschreven in de registers van de Ommerschans, onder nummer 6147. Hij komt weer vanuit Zwolle, wat waarschijnlijk weer betekent dat hij zich vrijwillig heeft gemeld. Of moet er nu rekening gehouden worden met het feit dat vanaf 1843 een rechterlijke veroordeling voor verwijzing naar de bedelaarskolonie noodzakelijk was? Op 20 april 1854 wordt hij uit de Ommerschans ontslagen. Maar op 7 november 1856 is hij weer present, opgezonden vanuit Alkmaar. Inschrijvingsnummer is 6196. Het is de vijfde keer en het zal nu eindelijk de laatste keer zijn. Op 22 november wordt hij doorgestuurd naar Veenhuizen. Op 10 april 1861 wordt hij daar ontslagen en we vinden hem terug in het Bevolkingsregister 1849-1860 van Alkmaar op het adres Verdronkenoord Wijk C 122, in wat hoogstwaarschijnlijk een logement is, op de plek waar later de pastorie van de Sint Laurentiuskerk gebouwd wordt. De bouw van de Cuyperskerk ernaast is dan bijna voltooid. Die wordt op 15 oktober 1861 in gebruik genomen. Dat maakt Dirk niet meer mee want op 2 augustus 1861 overlijdt Theodorus Hout in het Gasthuis. Het overlijden wordt aangegeven door Willem Sprang, de binnenvader in het gasthuis en Pieter Teeling de ziekenvader.

Burgerlijke Stand Overlijden Alkmaar 1861 nr. 229 (Regionaal Archief Alkmaar)


Zo eindigt het leven van Dirk Hout in zijn geboorteplaats Alkmaar. Hij is 76 jaar oud geworden en daarvan bracht hij ruim achttien jaar door in de Koloniën van Weldadigheid te Ommerschans en Veenhuizen en nog eens 3 jaar in de gevangenis van Hoorn voor het meenemen van wat wasgoed.


***

Het leven van Dirk Hout (1785-1861)
Inleiding
Dirks jonge jaren
Schoenmaker in Alkmaar
Ommerschans
Naar de gevangenis
Heen en weer naar Veenhuizen

Zie ook de parenteel van Jan Hout (1758-1802)


Bronnen

Drents Archief: Maatschappij van Weldadigheid via www.allekolonisten.nl
Noord Hollands Archief: Burgerlijke Stand Alkmaar, huwelijkse bijlagen Alkmaar en Amsterdam, DTB Uitgeest
Noord-Hollands Archief: 417-76 Rechtbank van Eerste Aanleg Alkmaar 1811-1838. Processtukken en uitspraken
Noord-Hollands Archief: 73- 474 Gevangenisregister Hoorn
Regionaal Archief Alkmaar: DTB Alkmaar, Burgerlijke stand Alkmaar, Bevolkingsregisters Alkmaar, Historisch Kadaster Alkmaar
Regionaal Archief Alkmaar: Beeldbank
Regionaal Archief Alkmaar: Inventaris Archief van het Burgerweeshuis te Alkmaar 1459-1967
Regionaal Archief Alkmaar: Inventaris Archief Weeskamer Alkmaar 1517-1852
Stadsarchief Amsterdam: Burgerlijke Stand

M. Havermans-Dikstaal: Aangekleed gaat uit, streekkleding en cultuur in Noord-Holland 1750-1900, 1999
Wil Schackmann: De bedelaarskolonie, 2013

Ach lieve tijd Alkmaar, 1987 en 1988
Tijdschrift Oud Alkmaar, periodiek van de historische vereniging Alkmaar

Het leven van Dirk Hout (deel 4)


Naar de gevangenis (1836-1839)

In de zomer van 1836 raakt Dirk Hout in Alkmaar verwikkeld in twee rechtszaken. Omdat hij daarin zelf ook verklaringen moet afleggen, komt er al een scherper beeld van hem naar voren en van de maatschappij waarin hij zich probeert staande te houden.

Op woensdag 8 juni 1836 legt Wilhelmina Smink de vrouw van Lambertus Struivé haar was te bleken in een openbaar plantsoen. Wilhelmina heeft een klein winkeltje aan het Luttik Oudorp, in het derde huis van de hoek vanaf de Bierkade. Omdat daar geen plek is om de was te drogen, gaat ze ermee over de vlotbrug over het Noordhollands kanaal, naar een plantsoen aan de overkant op het Heiligland.

Vlotbrug over het Noordhollands Kanaal aan de Bierkade ca. 1900 (Regionaal Archief Alkmaar). Links het Heiligland, de klapbrug gaat over het Luttik Oudorp. Helemaal rechts op de foto nog een klein stukje van het huis van Struivé.

‘s Middags komt de 11-jarige Neeltje de Graaf van de overkant om Wilhelmina te waarschuwen dat er een hemd weggenomen is. Wilhelmina stuurt gelijk haar twee dochters Maartje van 16 en Trijntje van 13 om eens te gaan kijken wat er aan de hand was. Wilhelmina verklaart:

dat deze kinderen dan ook aan haar getuige al spoedig kwamen berichten, dat er een hembd van hunnen vader wierdt vermist getekend L.S.V. dat zij getuige uit hoofde van haar winkel minder voegelijk ieder oogenblik van huis kunnende gaan er zelf niet heenen gegaan is maar aan haar kinderen toen last gaf om het wasch goed op te nemen….. in ‘t welk een en ander zij getuige dan ook konde nareekenen en opmaken dat er zeer zeker zulk een hemd weg was

Ze wist echter niet wie dat weggenomen zou kunnen hebben. Maar Cornelia Bierenbroodspot, de vrouw van Jacob Brouwer, die daar op het Heiligland, volgens Neeltje in een koepeltje woont, had wel een manspersoon in de buurt van het wasgoed gezien. Naar eigen zeggen woont zij “aan het Kanaal in de nabijheid van het heilige land en van de Vlotbrug…. In een huisje achter den brugwachter, dat zij dus ook gemakkelijk kan zien wat er in de nabijheid dier brug alzoo voorvalt”. Zo had zij dus gezien “dat er van eenig goed hetwelk daar te bleken lag… iets wierd weggenomen door een man die daar mee hard wegliep.” ‘s Middags kwam deze man nog eens terug, nu werd Cornelia daar door haar buurvrouw van der Tal op gewezen en de man verdween over de Bierkade. Wilhelmina Smink hoort later in de buurt dat het Dirk Hout was. Op de rechtzitting, die op 28 juni wordt gehouden, wordt Dirk dan ook onmiddellijk herkend.

Na de aangifte van diefstal door Wilhelmina Smink wordt Dirk Hout opgepakt en op 11 juni verhoord. Dit is zijn verklaring:

dat hij geprevenieerde (beklaagde) wel weet beschuldigd te worden van op den achtsten dezer een hemd te hebben gestolen, het welk lag te bleeken in het plantsoen bij het heilige land binnen de Stad Alkmaar, doch dat zulks niet door hem geprevenieerde maar door eenen anderen man is gedaan wien hij echter niet weet op te geven; dat hij dus ook niet weet op te geven hoe laat die diefstal heeft plaats gehad als hebbende de vrouw welke hem geprevenieerde voor den dief heeft aangezien eenen verkeerden voor gehad; dat hij dan als hebbende het hembd nimmer in handen gehad niet zeggen kan waar het zelve gebleven is; dat hij zich ook vroeger nimmer aan eenig vergrijp heeft schuldig gemaakt dan eens aan het stelen van een paardendek wat wegens hij dan ook voor ongeveer drie jaaren bij vonnis van de regtbank te alkmaar met eene gevangenis van veertien dagen is gestraft geworden; dat hij na dien tijd in alkmaar geen werk meer heeft kunnen krijgen en daarom dan ook zich vrijwillig heeft aangegeven en naar de kolonien der maatschappij van weldadigheid vertrokken waar vandaan hij terug is gekomen op den negen april dezes jaars alleen uit verlangen naar zijn vrouw en kinderen door welke hij echter den een na den ander toen zoo wonderlijk is afgewezen dat hij meende naar Heiloo te moeten gaan, hebbende zijn vrouw hem geprevenieerde niet eens te woord willen staan, hebbende hij te Heiloo sedert altijd als knecht gewerkt bij Joseph Revers waar hij de kost vrij had en bovendien iedere week eene Gulden en vijftig Cents verdiende; dat hij echter – wanneer zijne vrouw hem geprevenieerde had willen ontvangen liever niet bij dien Joseph Revers zoude blijven wijl die man zeer sterk is overgegeven aan het onmatig gebuik van sterken drank en hij geprevenieerde dan ook van tijd tot tijd wel eens mede drinkt; dat hij geprevenieerde evenwel niet dronken was op het tijdstip toen hij beschuldigd wierdt dat hembd uit het plantsoen te hebben gestolen en dus ook wanneer hij zulks mogt gedaan hebben, zich dit zeer goed zoude kunnen herinneren

Op dindag 28 juni moet Dirk, die tot die tijd in het huis van Arrest verbleef, om elf uur voor de Correctionele rechtbank verschijnen. Als getuigen worden opgeroepen Wilhelmina Smink, Neeltje de Graaf en Cornelia Bierenbroodspot. Het enige probleem is dat het hemd weg is en niet meer boven water is gekomen. Dirk wordt dit keer vrij gesproken.

Wat gaat hij hierna doen? Zelf beweert hij later dat hij naar de Langedijksche Dorpen vertrekt om werk te zoeken, maar hij wordt ‘s middags in Heiloo gesignaleerd. De daarop volgende dagen speurt hij bleekvelden af op zoek naar wasgoed dat hij zou kunnen verkopen. Daar is hij de hele verdere week mee bezig, voor hij zichzelf op zaterdag 2 juli meldt bij het huis van Arrest. Zijn bedoeling was namelijk om zich vrijwillig te laten transporteren naar de koloniën van Weldadigheid nu Marijtje en de dochters niets meer met hem te maken willen hebben.

Tekening en plattegrond van het Huis van Arrest opgemaakt 28 juni 1836
(collectie Regionaal Archief Alkmaar / PR1005292)

Nicolaas Dingerdis die woont aan de Nieuwpoort op de grens met Heiloo, komt op 2 juli melden dat dinsdag middag de 28e juni tussen vier en vijf van de heg een manshemd is weggenomen. Ze verdenken Dirk Hout, want Nicolaas’ vrouw, Neeltje Bont, had weer van de vrouw van Willem Roskam gehoord, dat ie daar op 1 juli wasgoed gestolen had.

Dat ging zo: Neeltje Kuijs, de vrouw van Willem Roskam kwam dezelfde dag aangifte doen bij de burgemeester van Heiloo, W.D. van Foreest. Haar boerderij ligt ook aan de Nieuwpoort maar kennelijk net in Heiloo. Ze had gezien, toen ze aan het kaas maken was en door een koevenster naar buiten keek, dat een manspersoon er met een hemd onder zijn buis gestoken vandoor ging. Neeltje durfde zelf niet achter de man aan te gaan en liep naar de buren. Trijntje Ploeger, de meid van buurman Pieter Bakker, was dapperder en riep de man die zich naar het Heiloër dijkje repte achterna: “die vrouw heeft eene boodschap aan jou”. Waarop de man “zijn schreden verdubbelde” en Trijntje meende te horen dat hij “verrek” of “verrekjes” terugriep. Wat dat betekende wisten de twee vrouwen niet. De burgemeester deed in het proces verbaal nog zelf een duit in het zakje door te verklaren dat hij Dirk Hout ‘s avonds langs zijn woning had zien lopen op weg naar de stadshout en de Hoef. Dit alles gebeurde dus op vrijdag 1 juli.

Een dag eerder, op donderdag 30 juni, was Dirk ook al bezig geweest op de Nieuwpoort. Want Cornelis Ruijter, die daar woont, doet aangifte van de vermissing van een wit linnen rokje met zwart benen knopen en een zwarte kraag en een beddenlaken. Die waren van de heining achter zijn huis gestolen, waar zijn vrouw Vogeltie de Jong het had neer gehangen. En hij had ook gehoord dat Dirk Hout in de buurt was geweest, hoewel hij hem niet gezien heeft.

Voorbeeld van een hemdrok of buisje Uit: Aangekleed gaat uit.

Vervolgens is er de verklaring van Maartje Haker, zij woont in de hofstede Pikbergen. Op vrijdag is er een man aan de deur geweest met een beddenlaken. Hij beweerde dat hij het gevonden had en of zij het wilde kopen, maar daar had zij geen trek in gehad.

Wie wel wilde kopen was de uitdrager Hermanus van Akooij in het Schapensteegje in Alkmaar. Een man, zich noemende Dirk Hout was bij hem aan huis gekomen en had te koop aangeboden een “linnen boeren buisje of rokje, zijnde wit en enigszins gelapt en met zwarte beenen knopen”. Hij had Dirk er een kwartje voor gegeven en het later weer voor 40 cent verkocht. Dat ging snel want het was zaterdag marktdag. Hermanus had geen enkel “kwaad vermoeden gehad” want Dirk had hem verteld dat hij van plan was zich aan te geven om overgebracht te worden naar de Bedelaarskolonie en dan kon hij wel een zakduitje gebruiken. Daarop had Dirk ook nog zijn vest uitgetrokken en daar had de uitdrager hem nog eens 50 cent voor gegeven.

Dirk meldde zich inderdaad bij het huis van Arrest en daar verklaarde hij het volgende:

“dat hij voorleden Dingsdag den acht en twintigsten Junij dezes jaar aan de Nieuwpoort tusschen Alkmaar en Heiloo geen hembd heeft gestolen niet alleen, maar deze diefstal ook zelfs niet kan hebben gepleegd, daar hij toen is geweest naar de Langedijksche Dorpen om werk te zoeken, waarin hij echter niet geslaagd is, wetende hij echter niet op te geven met welke menschen hij daar zoo al kan hebben gesproken – dat hij zoo ook even min aan de Nieuwpoort is geweest op Vrijdag den eesten dezer en dus ook al weder niet kan hebben weggenomen het hembd hetwelk op dien dag des morgens even negen ure aldaar bij Willem Roskam gestolen is, dat hij ook op geenerhande andere dag aldaar geweest is en dus ook niet gestolen heeft het linnen buisje of rokje door hem op Zaterdag den tweeden dezer aan den uitgdrager Hermanus van Akooij te Alkmaar verkocht, voor Zoo hij meent, vijf en twintig of vijf en dertig centen, dat hij dit buisje of rokje had ingeruild voor een paar kouzen van eenen boerenjongen hem geprevenieerde geheel onbekend. Zoodat hij dan ook ten aanzien van alle de bovenvermelde diefstallen geenerhande inlichtingen geven kan.”

Dirk moet voor de tweede keer binnen een maand voor de rechtbank verschijnen, op dinsdag 26 juli 1836 ‘s morgens om 11 uur. Als getuigen worden opgeroepen: Maartje Haker de vrouw van Wulbert van Dijk, Neeltje Kuijs de vrouw van Willem Roskam, Cornelis Ruiter, Hermanus van Akooij, Nicolaas Dingerdis en diens vrouw Neeltje Bont.

Rechtbank van Eerste aanleg Alkmaar 1811-1838 (Noord-Hollands Archief)

Dirk Hout wordt herkend als de persoon die een week lang rond de boerderijen scharrelt, zich met wasgoed onder zijn kleding uit de voeten maakt en het te koop aanbiedt. De bedelaarskolonie zit er voorlopig niet in voor hem. Hij wordt veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en opgesloten in de gevangenis van Hoorn.

Hoorn, Oostereiland met gevangenis, circa 1880 (Westfries Archief)

Volgens het register van de gevangenis in Hoorn, waar Dirk ingeschreven werd onder nummer 1538, komt hij op 26 juli 1839 vrij.


Het leven van Dirk Hout (1785-1861)
Inleiding
Dirks jonge jaren
Schoenmaker in Alkmaar
Ommerschans
Naar de gevangenis
Heen en weer naar Veenhuizen


Zie ook de parenteel van Jan Hout (1758-1802)

Het leven van Dirk Hout (deel 3)

Ommerschans (1831-1836)

In de Canon van Ommen op de website entoen.nu is het volgende te lezen:

Maatschappij van Weldadigheid

Bedelaarskolonie de Ommerschans kwam voort uit een initiatief van generaal Johannes van den Bosch (1780-1844). Hij richtte in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid op, om de armoedige volksklasse van Nederland te helpen door “arbeid, onderwijs en onderhoud te verstrekken en hen tot hogere beschaving, verlichting en weldadigheid op te heffen”. Hij stichtte landbouwkoloniën in afgelegen gebieden in Oost-Nederland om armen te werk te stellen. Voor de probleemgevallen afkomstig uit de zogenoemde vrije kolonies richtte de Maatschappij in 1819 een strafkolonie in bij de voormalige Ommerschans, in 1822 gevolgd door Veenhuizen. Daarnaast werd in de Ommerschans in 1820 een bedelaarsgesticht geopend in de vorm van een kazerne van 120 bij 120 meter. Het immense gebouw bood plaats aan duizend kolonisten, waarbij (al dan niet getrouwde) mannen en vrouwen strikt van elkaar gescheiden werden. Later breidde de Ommerschans uit tot 2.000 bewoners. De paupers konden door hard te werken hun vrijheid terugverdienen. Ze ontgonnen het land, dat vervolgens aan succesvolle kolonisten uit de vrije koloniën in pacht werd gegeven. Zo kwamen er zeventien boerenbedrijven in de omgeving tot stand. Naast ontginningswerkzaamheden was er fabrieksarbeid te verrichten. De Ommerschans telde onder meer een spinnerij, kleermakerij, schoenmakerij, touwslagerij en manden- en klompenmakerij.

Zicht op de Zuidwal van de Ommerschans in 1828 met links het gebouw van de Straf- of Walkolonie en links op de achtergrond het bedelaarsgesticht (Maatschappij van Weldadigheid, maandblad Vriend des Vaderlands, jaargang 1828)

“Wie niet werkt, zal niet eten”

In de praktijk bleek het stelsel moeizaam te functioneren. Eenmaal in de kolonie was de weg terug naar de maatschappij voor velen een hopeloze onderneming. Het werk was loodzwaar, de verdiensten minimaal, het rantsoen gebrekkig en de medische situatie uiterst belabberd. Het basisprincipe “wie niet werkt, zal niet eten” werd tamelijk letterlijk nagevolgd. Zieken en zwakken moesten het stellen met één warme maaltijd per dag. Het sterftecijfer op de schans bedroeg meer dan 50 op de duizend inwoners. Tientallen mensen zaten onschuldig in de kolonie gevangen, omdat ze ten onrechte voor bedelaar waren aangezien. Pas vanaf 1843 was een rechterlijke veroordeling voor verwijzing naar de bedelaarskolonie noodzakelijk.

Wat er over is van de Ommerschans (juni 2019)

Op 22 juli 1831 wordt Dirk voor de eerste keer ingeschreven in de boeken van de bedelaarskolonie. Het inschrijvingsnummer is 804, men zegt dat hij op 10 april 1786 (!) geboren is in Alkmaar, zijn godsdienst is “Roomsch” en hij is “opgestuurd” vanuit Hoorn.

Bron: Drents Archief, alle kolonisten

Hij is 1 El 6 Palm & duim en 5 streep lang, heeft een rond aangezigt, zijn haar is grijs, zijn ogen blauw. Verder heeft hij een gewone neus en mond, een platte kin en bij “merkbare teekenen” wordt aangetekend dat hij doof is. Later zal daar ook nog pokdalig bijkomen. Volgens Wil Schackmann (De bedelaarskolonie, p.92) wijst dat er op dat hij eerder in zijn leven pokken gehad heeft.

In Alkmaar is ondertussen is een volkstelling gehouden. Marijtje Sille staat in 1830 als weduwe geregistreerd op de Koningsweg nr. 424 samen met drie dochters: Cornelia van 14, Anna van 10 en Johanna van 7 jaar. Twee dochters zijn dus het huis uit en op 15 december 1833 trouwt de oudste, Gesina die dienstbode is, in Alkmaar met schoenmaker Cornelis Bek. Hiervoor moet Dirk naar de notaris om zijn toestemming te geven. Hij gaat samen met de veldwachter van de Ommerschans, Gerrit van Schaik, naar notaris Wilhelm Chevallerau die voor de brug in Ommen zijn kantoor heeft. Lambertus van Straten een schoenmaker die daar in de buurt woont is mede getuige.

Komt het door dit huwelijk, waar hij niet bij kan zijn, dat hij het idee opvat om terug te keren naar Alkmaar? Kennelijk heeft hij een verzoek om ontslag ingediend. Hiertoe moest een bewoner van de Ommerschans genoeg geld gespaard hebben om terug te keren in de gewone maatschappij. En dat was niet eenvoudig, aangezien een groot deel van het verdiende geld afgedragen moest worden aan de Maatschappij van Weldadigheid. Maar de directeur J.W. van Konijnenburg Czn. is Dirk Hout goedgunstig gezind en ondersteunt zijn verzoek in een brief aan de Permanente Commissie der Maatschappij op 22 februari 1834:

“… dat hij het schoenmakers ambacht wel verstaat en zich vlijtig en oppassend gedraagt en het der Direktie nimmer is gebleken, dat hij nog aan het gebruik van sterken drank zou verslaafd zijn. Dat zijne rekening niet gunstiger staat komt hieruit voort, dat er geen schoenmakers werk genoeg, voor alle kolonisten van dit ambacht, voorhanden is. Overigens is hij zeer doof en van eene geledene ziekte nog niet volkomen hersteld. Wat zijn voorgaand gedrag en misstappen betreft is het mij toegeschenen, dat hij daarover wezenlijk berouw gevoelt; al waarom ik van oordeel ben, dat die persoon, welke voor zijn huisgezin zoo zeer benoodigd is, zou behoren te worden ontslagen.”

Op 21 april 1834 geeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken toestemming:

Gezien de requesten van Dirk Hout (no 804) houdende verzoek om ontslag als bedelaars Colonist;
Gelet op de, deswege, van Den Heer Staatsraad, Gouverneur van Noord Holland, en van de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid, ingewonnen berigten.
Autoriseert dezelve Permanente Commissie tot het gevraagd ontslag.
Afschrift dezer zal worden gezonden aan de Commissie voornoemd, om dien overeenkomstig te handelen, aan den Heer Staatsraad, Gouverneur van Noord-Holland, tot informatie, en aan den Heer Burgemeester van Ommen, met verzoek om hetzelve aan den requestrant te willen doen uitreiken.

Dirk Hout wordt op 17 mei 1834 uit de Ommerschans ontslagen

Maar erg lang duurt zijn verblijf thuis niet want op 16 december 1834 is hij alweer terug op de Ommerschans, opgezonden vanuit Alkmaar, geregistreerd onder nummer 809. Of hij ook dit keer na krap anderhalf jaar zelf een verzoek tot ontslag doet, zoals hij een paar maanden later zal verklaren, is niet terug te vinden. In ieder geval wordt hij op 9 april 1836 opnieuw ontslagen.



Het leven van Dirk Hout (1785-1861)
Inleiding
Dirks jonge jaren
Schoenmaker in Alkmaar
Ommerschans
Naar de gevangenis
Heen en weer naar Veenhuizen


Zie ook de parenteel van Jan Hout (1758-1802)

Het leven van Dirk Hout (deel 2)


Schoenmaker in Alkmaar (1809-1822)

In 1802 zijn we Dirk Hout kwijt geraakt. We komen hem pas weer tegen in 1809, als hij op 12 februari 1809 trouwt met Marijtje Sille uit Uitgeest.

Uitgeest DTB-boek Ondertrouw alle gezindten

Aangegeven tot ondertrouw den 28 januari Dirk Jansz Hout meerderjarige J.M. geboren te Alkmaar en wonende te Heemskerk met Marijte Jans Sille meerderjarige J.D. geboren te Uitgeest doch laatst gewoond hebbend te Heemskerk

Dirk is dus inmiddels in Heemskerk gaan wonen. Als schoenmakersgezel in de leer bij een schoenmaker? Veel weesjongens werden opgeleid in dat vak en in latere akten wordt schoenmaker als zijn beroep opgegeven.

Na het trouwen gaan Dirk en Marijtje in Alkmaar wonen. Daar wordt op 1 mei 1811 de eerste dochter Gesina gedoopt, weer in de St Matthiasstatie. De doopgetuige is Dirks zuster Gesina.
Hierna vinden we de geboortes van de andere kinderen in de registers van de burgerlijke stand van Alkmaar. Op 8 februari 1813 wordt Maria geboren, op 21 februari 1815 Cornelia en op 6 juli 1816 Catharina.

Met de laatste gebeurt iets vreemds. Het meisje leeft maar 28 weken maar als haar overlijden door twee commiezen wordt aangegeven, op 20 januari 1817, staat er in de akte dat op 19 januari overleden is: Johanna Christina dochter van Dirk Hout en Marijtje Sille. Hoe zij precies geheten heeft? In ieder geval wordt op 7 februari 1819 opnieuw een meisje geboren en dat wordt Johanna Christina genoemd.

Johanna en Christina. Het zijn de namen van Dirks twee in het weeshuis overleden zusjes. Zijn zusje Johanna werd kennelijk Anna genoemd en het lijkt erop (volgens de volkstelling in 1830) dat de roepnaam van zijn dochter Johanna Christina ook Anna was.

Tenslotte sluit op 28 januari 1822 Johanna Maria de rij. Dirk geeft alle zes zijn dochters keurig aan. In de geboorteakte van Cornelia staat vermeld dat de vader “declareerd niet te kunnen schrijven” wat nogal vreemd is aangezien hij dat best kon. Zou hij al last met zijn oren gehad hebben? In latere documenten wordt aangetekend dat hij hardhorend of zelfs doof is.

Uit de aangiften van de kinderen kunnen we diverse woonadressen halen.
Als Maria geboren wordt, is dat in Wijk D waarschijnlijk nr 6. Volgens de boeken van het bevolkingsregister 1822 zou dat op de Looijersgracht zijn. Dat is volgens het tijdschrift Oud Alkmaar van april 1990 een zeldzame benaming voor de Baangracht. Wijk D is dan aan de kant van de Lutherse kerk, die op de hoek van de Oudegracht en de Baangracht staat.
Cornelia wordt op de Oudegracht Wijk A nr. 36 geboren, zo ongeveer bij de Brillesteegbrug.
De twee volgende meisjes worden op de Oudegracht Wijk A nr. 75 geboren, dat is op de hoek van de Baangracht, dus precies tegenover de Lutherse kerk.
Johanna Maria tenslotte wordt op de Oudegracht Wijk A nr 52 geboren. Dit huisje lag vlak bij de Zilverstraat. Alle adressen zijn aan de singelkant van de gracht.

Prent van J.A.Crescent, Oudegracht zuidzijde bij de Zilverstraat, 1796
(Beeldbank Regionaal Archief Alkmaar)

Het laatste adres (Oudegracht Wijk A nr 52) vinden we ook terug in het register der bevolking van 1822-1828. De buurtmeesters kwamen daar begin 1822 langs en noteerden de volgende bewoners: Dirk Hout 37½ schoenmaker; Marijtje Sille 37½ ; Gesina 10½; Cornelia 8½; Johanna 6½; Maria 3½ en Gesina Maria 1 wk. De leeftijden kloppen maar de namen zijn door elkaar gehusseld. Bovendien woont ook Dirks zuster Gesina Hout op dat adres. Van haar wordt verteld dat ze naaister is, ongehuwd en 38 jaar. Ook dit laatste klopt niet: Gesina is een jaar jonger dan Dirk.

Kaart uit 1898, detail (Beeldbank Regionaal Archief Alkmaar)

Tot zover lijkt er niets aan de hand met het gezin. Een ambachtsman die met zijn gezin en zijn ongetrouwde zuster in een levendige buurt woont, hoewel ze het niet al te breed gehad zullen hebben.
De verbazing ontstaat als bij het uitzoeken van de huwelijken van de dochters al bij de eerste in 1833 een notariële akte gevoegd is met toestemming van de vader vanuit de Ommerschans.

Vanaf die tijd is er heel wat terug te vinden in de archieven. Dat is natuurlijk een goudmijn, maar het blijft de vraag hoe dat zo kwam. Was er te weinig werk in Alkmaar voor een schoenmaker of was de oorzaak drank?

Het leven van Dirk Hout (1785-1861)
Inleiding
Dirks jonge jaren
Schoenmaker in Alkmaar
Ommerschans
Naar de gevangenis
Heen en weer naar Veenhuizen


Zie ook de parenteel van Jan Hout (1758-1802)

Vleermuis 32

Zo moet het dus niet

Vanmorgen op de fiets even langs RKZ Eyescan in Beverwijk gereden. De dokter was een vrolijke klant, de verpleegsters waren allerliefst en toen ik weer buiten stond kwam er een man schoorvoetend op mij af. Hij vroeg: doet het pijn? Ik zei: wat dacht je zelf? Toen durfde hij niet naar binnen. Ik heb hem gerust gesteld. Ik zei: de dokter die verstaat zijn vak, de verpleegsters zijn alleraardigst en je voelt er helemaal niets van. Maar in de wachtkamer moet je oppassen. Daar gaan de meest vreselijke verhalen rond. Daar dus oren dicht. Op de terugweg naar huis zag ik niet veel. Het mondkapje zat een beetje ongemakkelijk.

Het leven van Dirk Hout (deel 1)


Dirks jonge jaren (1785-1804)

Dit is het verhaal van Dirk Hout. Hij werd op 10 april 1785 als Theodorus gedoopt in de Matthiasstatie in Alkmaar. In de doopakte en in zijn overlijdensakte, 76 jaar later, wordt hij Theodorus genoemd. In alle overige documenten, en dat zullen er heel veel worden, heet hij Dirk.

Doopakte Dirk Hout

Zijn vader is Jan Hout, zijn moeder Maria Daalhof en de doopgetuige is zijn tante Grietje Daalhof. Als adres wordt de Huigbrouwersteeg genoemd. Dirk heeft dan al een oudere broer Henricus die in 1784 geboren is.

Jan Hout en Maria Daalhof waren op 18 mei 1783 voor het gerecht getrouwd. Gereformeerden konden volstaan met een huwelijk voltrokken in de gereformeerde kerk. Maar Jan en Maria waren katholiek en een katholiek huwelijk moest voor de wet geldig gemaakt worden bij het plaatselijke gerecht.

Trouwakte Jan Hout en Maria Daalhof

Na Dirk worden nog vijf zusjes geboren: in 1786 Gesina, in 1787 Wilhelmina, in 1789 Christina (deze is maar 4 maanden oud geworden), in 1792 volgt dan opnieuw een Christina, en tenslotte in 1795 Johanna. Alle kinderen worden in de St Matthiasstatie gedoopt.

De St Matthiasstatie was een Rooms Katholieke schuilkerk. Het aanhangen van een ander geloof dan het officiële gereformeerde werd in die tijd nog oogluikend toegestaan. Het kerkgebouw mocht er echter aan de buitenkant niet als zodanig uitzien. Later werden de beperkingen opgeheven en ín 1861 verrees er in de tuin van de statie een grote kerk van architect Pierre Cuypers, de Laurentiuskerk met de ingang aan het Verdronkenoord.

Gekozen ontwerp voor de westelijke gevel van de Sint Matthiasschuilkerk in de Sint Jacobsstraat (1729)
Collectie Regionaal Archief Alkmaar

Dirks vader Jan Hout zal aanvankelijk niet geheel onbemiddeld zijn geweest. Gezien het adres in de Huigbrouwersteeg zal hij een winkel of een bedrijf gehad hebben. Op 10 september 1785 koopt hij een huis met erf aan de oostzijde van de steeg op de hoek van de Laat, vanouds genaamd De Hardebollen. Hij betaalt er 900 gulden voor en hij neemt een hypotheek van 800 gulden à 3 % rente. Op 5 maart 1792 breidt hij zijn bezit uit met de aankoop van het huisje met erf op de Laat, dat direct aan zijn huis grenst voor 225 gulden. Maar dan in 1797 sluit hij een hypotheek af voor 1700 gulden. En in 1798 verkoopt hij een huis met erf en een pakhuis aan de Lange Nieuwesloot, uit een erfenis die zijn vrouw Maria Daalhof door het overlijden van haar halfbroer Willem Daalhof had verkregen. Die erfenis moest zij overigens delen met haar zuster, een nichtje, een neefje, en een stiefkind van Willem.

Detail van plattegrond uit 1796
In de cirkel de huizen van Jan Hout in de Huigbrouwersteeg en op de Laat
Beeldbank Regionaal Archief Alkmaar

In 1802 slaat voor de kinderen Hout het noodlot toe. Moeder en vader worden slechts een paar dagen na elkaar (op 30 januari en op 2 februari) begraven op ‘t Kerkhof. Volgens het begrafenisregister van het Oud-rechterlijk archief van Alkmaar wordt voor haar drie gulden in rekening gebracht, voor hem helemaal niets, met de aantekening “arm”. Jan Hout en Maria Daalhof laten zes kinderen na.

Er blijken schulden te zijn. Volgens de boedelpapieren (op 18 juli 1805 opgemaakt door J. Schoehuizen, D. Regter en K. Makkes voor de schepenen van Alkmaar) blijft er, na verkoop van het huis aan Joseph Alers en de inboedel en het zilverwerk en de betaling van openstaande rekeningen en kosten, een bedrag over van 218 guldens, 10 stuivers en 14 penningen. Dit gaat naar Barend Hermanus Schreur in Nieuwkerk Munsterland, bij wie dus in 1797 die hypotheek was afgesloten voor 1700 gulden.

De Starrekroon

Wat gebeurde er met de zes pas wees geworden kinderen van Jan Hout en Marijtje Daalhof in 1802? Zij gingen naar het Rooms Katholieke weeshuis. Dat was sinds 1771 gevestigd in de “De Starrekroon”, een voormalige bierbrouwerij, aan het Verdronkenoord. In 1795 was het ontruimd om plaats te maken voor de Franse troepen. Alle wezen werden, verspreid over de stad, ondergebracht op diverse locaties en ook wel bij burgers. Maar in 1802 was het oude weeshuis (het nieuwe “Roomsch Catholijk Weeshuijs” zou pas in 1818 geopend worden) al lang weer in gebruik genomen.

Het ging duidelijk niet goed met de kinderen Hout in het weeshuis. Joanna en Christina overlijden in maart 1803, acht en tien jaar oud. Henricus overlijdt precies een jaar later, net negentien jaar oud. En alleen Gezina, Wilhelmina en Dirk zijn dan nog over.

*

Het leven van Dirk Hout (1785-1861)
Inleiding
Dirks jonge jaren
Schoenmaker in Alkmaar
Ommerschans
Naar de gevangenis
Heen en weer naar Veenhuizen


Zie ook de parenteel van Jan Hout (1758-1802)