Vleermuis 30

De beesten op mijn rondje door het dorp

Ik praat met de honden en de katten, behalve als er een hardloper aan vast zit, ik imiteer de ganzen en de eenden, waar ze erg om moeten lachen, en ik probeer de vogels na te bootsen, maar dat lukt nog niet zo goed. Ik spreek dus bijna geen mensen meer op mijn rondje door het dorp. Maar vannacht beleefde ik wat geks. Ik moet het gedroomd hebben.




Zatopek

Onder een brug bij het water ontmoette ik een man, die zei: ik werk op het Tsjechische ministerie voor het behoud van alle dingen, eigenlijk ben ik minister en u moet mij helpen. Waarmee, vroeg ik. Hij had een klein koperen onderlegringetje in het water laten vallen en dat wilde hij terughebben, anders was hij geen knip voor zijn neus waard. Goed, zei ik. Twee zien meer dan een. Dat is hier een gezegde. Om beurten doken we een paar keer in het water, wat nog verrassend koud was. Drie keer is scheepsrecht, proestte ik na de tweede keer, ook zo’n gezegde, we doen het nog één keer. En verdomd, toen kwam ik met niks, maar hij met drie ringetjes boven water. Hij bedankte mij en zei: u had gelijk. En toen dronken we koffie uit een ouderwetse thermoskan. Laat hem niet vallen zei hij, want dan is ie kapot. De koffie schonk hij in een emaillen mok, waar een stukje vanaf was. Hij had zijn naam erop geschreven: Zatopek. Dat vond ik gek. Waarom staat je naam erop, vroeg ik. Hij zei: dan kan ik hem niet kwijtraken. Ik zei: loop je nog wel eens hard? Hij leek nu in gedachten te verzinken. Hardlopers zijn doodlopers, zei hij toen, ik ga maar weer eens, terug naar mijn ministerie.