Vleermuis 27


Elke morgen lopen we hetzelfde rondje. De schapen beginnen ons al een beetje te kennen. Ze zijn geschoren. Ze zien er niet uit. De kleine zwaantjes wel. Die zijn al een keer de straat overgestoken. Van de ene naar de andere sloot. Dat moeten ze van hun ouders, die doen dat elk jaar zo. Dan leren ze hun plekje kennen. Het zijn er tien. Nu leren ze eten uit de nieuwe sloot. En oppassen voor de waterrat. Morgen gaan ze weer terug. In zwanenmars de weg over. De waaghalsjes kunnen nog niet vliegen. Het is uitkijken voor de auto’s. Je weet nooit of ze stoppen.

Het valt me op dat er minder hondjes op straat lopen. Ze zijn het een beetje zat. Baasje dat de hele dag met de riem aan komt zetten. Was eerst wel leuk, maar wordt nu toch wel erg vermoeiend. Ze snakken naar een versoepeling van de regels. Of anders toch tenminste een soort van een plan voor terugkeer naar het oude bestaan. Waarin ze zo nu en dan nog een oogje konden dichtdoen. In plaats van vierentwintig keer zeven op pad te moeten.

De werklui, die elke dag een stukje verder graven aan een buis onder de stoep, lachen naar ons en vragen of de muziek zachter moet. We beginnen ze al een beetje te kennen. Ze zijn onberekenbaar, moeten plotseling aan de overkant iets uit hun busje halen als wij langs komen. Dan vluchten wij het plantsoen in en trekken een gezicht. Dat vinden zij leuk. Wij lachen naar hen.