Vleermuis 112

Een spelletje schaak (Utrecht 1925)

Dit zijn mijn grootouders. Gisteren waren ze nog met hun twee kleinste kinderen in Egmond aan Zee, vandaag zijn ze alweer terug in Utrecht voor een spelletje schaak. En wat zijn ze al oud.

Het is niet te zien of mijn grootmoeder ook toen al een loopje nam met de spelregels, maar dertig jaar later, toen ze mij dammen leerde, deed zij dat wel. Tsjonge wat speelde dat mens vals! Ik weet niet hóe ze het deed, maar opeens was alles helemaal potdicht geschoven, kon er ook niks meer geslagen worden en was ik aan zet. En dan had zij gewonnen, zei zij. Zo ging het altijd. Als we halma speelden vlogen voortdurend al mijn pionnetjes van het bord en als ik zoiets probeerde waren er opeens allemaal spelregels die ik nog niet kende. Ik mocht niet klagen van mijn moeder want mijn grootmoeder had snel hoofdpijn.

Mijn moeder klaagde wel. Zij had als kind altijd het nieuwste speelgoed uit de winkel van mijn grootvader moeten uitproberen, waarmee zij dan voor aap liep, achter een hoepel, op stelten of met diabolo. Speelgoed was er dus in overvloed, ook later, toen ik op het toneel verscheen, maar meestal stuk of incompleet, want als klanten van Perry iets kwijt raakten of kapot maakten, mochten ze het ruilen en dan bleven wij met de brokstukken zitten. Poppen die niet wilden plassen en ook als je erin kneep geen kik gaven, puzzels waar het laatste stukje aan ontbrak, opwindauto’s die niet reden, spelletjes die niet uitkwamen. Ik kreeg een zusje. Toen ik in de wieg mocht kijken, zag ik het meteen: ook het zusje was niet af, wat me niets verbaasde. Mijn moeder zei dat het zo hoorde. Ik wist beter.

Onzin. Waar zo’n fotootje niet toe leidt in coronatijd.