Het leven van Dirk Hout (deel 4)


Naar de gevangenis (1836-1839)

In de zomer van 1836 raakt Dirk Hout in Alkmaar verwikkeld in twee rechtszaken. Omdat hij daarin zelf ook verklaringen moet afleggen, komt er al een scherper beeld van hem naar voren en van de maatschappij waarin hij zich probeert staande te houden.

Op woensdag 8 juni 1836 legt Wilhelmina Smink de vrouw van Lambertus Struivé haar was te bleken in een openbaar plantsoen. Wilhelmina heeft een klein winkeltje aan het Luttik Oudorp, in het derde huis van de hoek vanaf de Bierkade. Omdat daar geen plek is om de was te drogen, gaat ze ermee over de vlotbrug over het Noordhollands kanaal, naar een plantsoen aan de overkant op het Heiligland.

Vlotbrug over het Noordhollands Kanaal aan de Bierkade ca. 1900 (Regionaal Archief Alkmaar). Links het Heiligland, de klapbrug gaat over het Luttik Oudorp. Helemaal rechts op de foto nog een klein stukje van het huis van Struivé.

‘s Middags komt de 11-jarige Neeltje de Graaf van de overkant om Wilhelmina te waarschuwen dat er een hemd weggenomen is. Wilhelmina stuurt gelijk haar twee dochters Maartje van 16 en Trijntje van 13 om eens te gaan kijken wat er aan de hand was. Wilhelmina verklaart:

dat deze kinderen dan ook aan haar getuige al spoedig kwamen berichten, dat er een hembd van hunnen vader wierdt vermist getekend L.S.V. dat zij getuige uit hoofde van haar winkel minder voegelijk ieder oogenblik van huis kunnende gaan er zelf niet heenen gegaan is maar aan haar kinderen toen last gaf om het wasch goed op te nemen….. in ‘t welk een en ander zij getuige dan ook konde nareekenen en opmaken dat er zeer zeker zulk een hemd weg was

Ze wist echter niet wie dat weggenomen zou kunnen hebben. Maar Cornelia Bierenbroodspot, de vrouw van Jacob Brouwer, die daar op het Heiligland, volgens Neeltje in een koepeltje woont, had wel een manspersoon in de buurt van het wasgoed gezien. Naar eigen zeggen woont zij “aan het Kanaal in de nabijheid van het heilige land en van de Vlotbrug…. In een huisje achter den brugwachter, dat zij dus ook gemakkelijk kan zien wat er in de nabijheid dier brug alzoo voorvalt”. Zo had zij dus gezien “dat er van eenig goed hetwelk daar te bleken lag… iets wierd weggenomen door een man die daar mee hard wegliep.” ‘s Middags kwam deze man nog eens terug, nu werd Cornelia daar door haar buurvrouw van der Tal op gewezen en de man verdween over de Bierkade. Wilhelmina Smink hoort later in de buurt dat het Dirk Hout was. Op de rechtzitting, die op 28 juni wordt gehouden, wordt Dirk dan ook onmiddellijk herkend.

Na de aangifte van diefstal door Wilhelmina Smink wordt Dirk Hout opgepakt en op 11 juni verhoord. Dit is zijn verklaring:

dat hij geprevenieerde (beklaagde) wel weet beschuldigd te worden van op den achtsten dezer een hemd te hebben gestolen, het welk lag te bleeken in het plantsoen bij het heilige land binnen de Stad Alkmaar, doch dat zulks niet door hem geprevenieerde maar door eenen anderen man is gedaan wien hij echter niet weet op te geven; dat hij dus ook niet weet op te geven hoe laat die diefstal heeft plaats gehad als hebbende de vrouw welke hem geprevenieerde voor den dief heeft aangezien eenen verkeerden voor gehad; dat hij dan als hebbende het hembd nimmer in handen gehad niet zeggen kan waar het zelve gebleven is; dat hij zich ook vroeger nimmer aan eenig vergrijp heeft schuldig gemaakt dan eens aan het stelen van een paardendek wat wegens hij dan ook voor ongeveer drie jaaren bij vonnis van de regtbank te alkmaar met eene gevangenis van veertien dagen is gestraft geworden; dat hij na dien tijd in alkmaar geen werk meer heeft kunnen krijgen en daarom dan ook zich vrijwillig heeft aangegeven en naar de kolonien der maatschappij van weldadigheid vertrokken waar vandaan hij terug is gekomen op den negen april dezes jaars alleen uit verlangen naar zijn vrouw en kinderen door welke hij echter den een na den ander toen zoo wonderlijk is afgewezen dat hij meende naar Heiloo te moeten gaan, hebbende zijn vrouw hem geprevenieerde niet eens te woord willen staan, hebbende hij te Heiloo sedert altijd als knecht gewerkt bij Joseph Revers waar hij de kost vrij had en bovendien iedere week eene Gulden en vijftig Cents verdiende; dat hij echter – wanneer zijne vrouw hem geprevenieerde had willen ontvangen liever niet bij dien Joseph Revers zoude blijven wijl die man zeer sterk is overgegeven aan het onmatig gebuik van sterken drank en hij geprevenieerde dan ook van tijd tot tijd wel eens mede drinkt; dat hij geprevenieerde evenwel niet dronken was op het tijdstip toen hij beschuldigd wierdt dat hembd uit het plantsoen te hebben gestolen en dus ook wanneer hij zulks mogt gedaan hebben, zich dit zeer goed zoude kunnen herinneren

Op dindag 28 juni moet Dirk, die tot die tijd in het huis van Arrest verbleef, om elf uur voor de Correctionele rechtbank verschijnen. Als getuigen worden opgeroepen Wilhelmina Smink, Neeltje de Graaf en Cornelia Bierenbroodspot. Het enige probleem is dat het hemd weg is en niet meer boven water is gekomen. Dirk wordt dit keer vrij gesproken.

Wat gaat hij hierna doen? Zelf beweert hij later dat hij naar de Langedijksche Dorpen vertrekt om werk te zoeken, maar hij wordt ‘s middags in Heiloo gesignaleerd. De daarop volgende dagen speurt hij bleekvelden af op zoek naar wasgoed dat hij zou kunnen verkopen. Daar is hij de hele verdere week mee bezig, voor hij zichzelf op zaterdag 2 juli meldt bij het huis van Arrest. Zijn bedoeling was namelijk om zich vrijwillig te laten transporteren naar de koloniën van Weldadigheid nu Marijtje en de dochters niets meer met hem te maken willen hebben.

Tekening en plattegrond van het Huis van Arrest opgemaakt 28 juni 1836
(collectie Regionaal Archief Alkmaar / PR1005292)

Nicolaas Dingerdis die woont aan de Nieuwpoort op de grens met Heiloo, komt op 2 juli melden dat dinsdag middag de 28e juni tussen vier en vijf van de heg een manshemd is weggenomen. Ze verdenken Dirk Hout, want Nicolaas’ vrouw, Neeltje Bont, had weer van de vrouw van Willem Roskam gehoord, dat ie daar op 1 juli wasgoed gestolen had.

Dat ging zo: Neeltje Kuijs, de vrouw van Willem Roskam kwam dezelfde dag aangifte doen bij de burgemeester van Heiloo, W.D. van Foreest. Haar boerderij ligt ook aan de Nieuwpoort maar kennelijk net in Heiloo. Ze had gezien, toen ze aan het kaas maken was en door een koevenster naar buiten keek, dat een manspersoon er met een hemd onder zijn buis gestoken vandoor ging. Neeltje durfde zelf niet achter de man aan te gaan en liep naar de buren. Trijntje Ploeger, de meid van buurman Pieter Bakker, was dapperder en riep de man die zich naar het Heiloër dijkje repte achterna: “die vrouw heeft eene boodschap aan jou”. Waarop de man “zijn schreden verdubbelde” en Trijntje meende te horen dat hij “verrek” of “verrekjes” terugriep. Wat dat betekende wisten de twee vrouwen niet. De burgemeester deed in het proces verbaal nog zelf een duit in het zakje door te verklaren dat hij Dirk Hout ‘s avonds langs zijn woning had zien lopen op weg naar de stadshout en de Hoef. Dit alles gebeurde dus op vrijdag 1 juli.

Een dag eerder, op donderdag 30 juni, was Dirk ook al bezig geweest op de Nieuwpoort. Want Cornelis Ruijter, die daar woont, doet aangifte van de vermissing van een wit linnen rokje met zwart benen knopen en een zwarte kraag en een beddenlaken. Die waren van de heining achter zijn huis gestolen, waar zijn vrouw Vogeltie de Jong het had neer gehangen. En hij had ook gehoord dat Dirk Hout in de buurt was geweest, hoewel hij hem niet gezien heeft.

Voorbeeld van een hemdrok of buisje Uit: Aangekleed gaat uit.

Vervolgens is er de verklaring van Maartje Haker, zij woont in de hofstede Pikbergen. Op vrijdag is er een man aan de deur geweest met een beddenlaken. Hij beweerde dat hij het gevonden had en of zij het wilde kopen, maar daar had zij geen trek in gehad.

Wie wel wilde kopen was de uitdrager Hermanus van Akooij in het Schapensteegje in Alkmaar. Een man, zich noemende Dirk Hout was bij hem aan huis gekomen en had te koop aangeboden een “linnen boeren buisje of rokje, zijnde wit en enigszins gelapt en met zwarte beenen knopen”. Hij had Dirk er een kwartje voor gegeven en het later weer voor 40 cent verkocht. Dat ging snel want het was zaterdag marktdag. Hermanus had geen enkel “kwaad vermoeden gehad” want Dirk had hem verteld dat hij van plan was zich aan te geven om overgebracht te worden naar de Bedelaarskolonie en dan kon hij wel een zakduitje gebruiken. Daarop had Dirk ook nog zijn vest uitgetrokken en daar had de uitdrager hem nog eens 50 cent voor gegeven.

Dirk meldde zich inderdaad bij het huis van Arrest en daar verklaarde hij het volgende:

“dat hij voorleden Dingsdag den acht en twintigsten Junij dezes jaar aan de Nieuwpoort tusschen Alkmaar en Heiloo geen hembd heeft gestolen niet alleen, maar deze diefstal ook zelfs niet kan hebben gepleegd, daar hij toen is geweest naar de Langedijksche Dorpen om werk te zoeken, waarin hij echter niet geslaagd is, wetende hij echter niet op te geven met welke menschen hij daar zoo al kan hebben gesproken – dat hij zoo ook even min aan de Nieuwpoort is geweest op Vrijdag den eesten dezer en dus ook al weder niet kan hebben weggenomen het hembd hetwelk op dien dag des morgens even negen ure aldaar bij Willem Roskam gestolen is, dat hij ook op geenerhande andere dag aldaar geweest is en dus ook niet gestolen heeft het linnen buisje of rokje door hem op Zaterdag den tweeden dezer aan den uitgdrager Hermanus van Akooij te Alkmaar verkocht, voor Zoo hij meent, vijf en twintig of vijf en dertig centen, dat hij dit buisje of rokje had ingeruild voor een paar kouzen van eenen boerenjongen hem geprevenieerde geheel onbekend. Zoodat hij dan ook ten aanzien van alle de bovenvermelde diefstallen geenerhande inlichtingen geven kan.”

Dirk moet voor de tweede keer binnen een maand voor de rechtbank verschijnen, op dinsdag 26 juli 1836 ‘s morgens om 11 uur. Als getuigen worden opgeroepen: Maartje Haker de vrouw van Wulbert van Dijk, Neeltje Kuijs de vrouw van Willem Roskam, Cornelis Ruiter, Hermanus van Akooij, Nicolaas Dingerdis en diens vrouw Neeltje Bont.

Rechtbank van Eerste aanleg Alkmaar 1811-1838 (Noord-Hollands Archief)

Dirk Hout wordt herkend als de persoon die een week lang rond de boerderijen scharrelt, zich met wasgoed onder zijn kleding uit de voeten maakt en het te koop aanbiedt. De bedelaarskolonie zit er voorlopig niet in voor hem. Hij wordt veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en opgesloten in de gevangenis van Hoorn.

Hoorn, Oostereiland met gevangenis, circa 1880 (Westfries Archief)

Volgens het register van de gevangenis in Hoorn, waar Dirk ingeschreven werd onder nummer 1538, komt hij op 26 juli 1839 vrij.


Het leven van Dirk Hout (1785-1861)
Inleiding
Dirks jonge jaren
Schoenmaker in Alkmaar
Ommerschans
Naar de gevangenis
Heen en weer naar Veenhuizen


Zie ook de parenteel van Jan Hout (1758-1802)