Het leven van Dirk Hout (deel 3)

Ommerschans (1831-1836)

In de Canon van Ommen op de website entoen.nu is het volgende te lezen:

Maatschappij van Weldadigheid

Bedelaarskolonie de Ommerschans kwam voort uit een initiatief van generaal Johannes van den Bosch (1780-1844). Hij richtte in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid op, om de armoedige volksklasse van Nederland te helpen door “arbeid, onderwijs en onderhoud te verstrekken en hen tot hogere beschaving, verlichting en weldadigheid op te heffen”. Hij stichtte landbouwkoloniën in afgelegen gebieden in Oost-Nederland om armen te werk te stellen. Voor de probleemgevallen afkomstig uit de zogenoemde vrije kolonies richtte de Maatschappij in 1819 een strafkolonie in bij de voormalige Ommerschans, in 1822 gevolgd door Veenhuizen. Daarnaast werd in de Ommerschans in 1820 een bedelaarsgesticht geopend in de vorm van een kazerne van 120 bij 120 meter. Het immense gebouw bood plaats aan duizend kolonisten, waarbij (al dan niet getrouwde) mannen en vrouwen strikt van elkaar gescheiden werden. Later breidde de Ommerschans uit tot 2.000 bewoners. De paupers konden door hard te werken hun vrijheid terugverdienen. Ze ontgonnen het land, dat vervolgens aan succesvolle kolonisten uit de vrije koloniën in pacht werd gegeven. Zo kwamen er zeventien boerenbedrijven in de omgeving tot stand. Naast ontginningswerkzaamheden was er fabrieksarbeid te verrichten. De Ommerschans telde onder meer een spinnerij, kleermakerij, schoenmakerij, touwslagerij en manden- en klompenmakerij.

Zicht op de Zuidwal van de Ommerschans in 1828 met links het gebouw van de Straf- of Walkolonie en links op de achtergrond het bedelaarsgesticht (Maatschappij van Weldadigheid, maandblad Vriend des Vaderlands, jaargang 1828)

“Wie niet werkt, zal niet eten”

In de praktijk bleek het stelsel moeizaam te functioneren. Eenmaal in de kolonie was de weg terug naar de maatschappij voor velen een hopeloze onderneming. Het werk was loodzwaar, de verdiensten minimaal, het rantsoen gebrekkig en de medische situatie uiterst belabberd. Het basisprincipe “wie niet werkt, zal niet eten” werd tamelijk letterlijk nagevolgd. Zieken en zwakken moesten het stellen met één warme maaltijd per dag. Het sterftecijfer op de schans bedroeg meer dan 50 op de duizend inwoners. Tientallen mensen zaten onschuldig in de kolonie gevangen, omdat ze ten onrechte voor bedelaar waren aangezien. Pas vanaf 1843 was een rechterlijke veroordeling voor verwijzing naar de bedelaarskolonie noodzakelijk.

Wat er over is van de Ommerschans (juni 2019)

Op 22 juli 1831 wordt Dirk voor de eerste keer ingeschreven in de boeken van de bedelaarskolonie. Het inschrijvingsnummer is 804, men zegt dat hij op 10 april 1786 (!) geboren is in Alkmaar, zijn godsdienst is “Roomsch” en hij is “opgestuurd” vanuit Hoorn.

Bron: Drents Archief, alle kolonisten

Hij is 1 El 6 Palm & duim en 5 streep lang, heeft een rond aangezigt, zijn haar is grijs, zijn ogen blauw. Verder heeft hij een gewone neus en mond, een platte kin en bij “merkbare teekenen” wordt aangetekend dat hij doof is. Later zal daar ook nog pokdalig bijkomen. Volgens Wil Schackmann (De bedelaarskolonie, p.92) wijst dat er op dat hij eerder in zijn leven pokken gehad heeft.

In Alkmaar is ondertussen is een volkstelling gehouden. Marijtje Sille staat in 1830 als weduwe geregistreerd op de Koningsweg nr. 424 samen met drie dochters: Cornelia van 14, Anna van 10 en Johanna van 7 jaar. Twee dochters zijn dus het huis uit en op 15 december 1833 trouwt de oudste, Gesina die dienstbode is, in Alkmaar met schoenmaker Cornelis Bek. Hiervoor moet Dirk naar de notaris om zijn toestemming te geven. Hij gaat samen met de veldwachter van de Ommerschans, Gerrit van Schaik, naar notaris Wilhelm Chevallerau die voor de brug in Ommen zijn kantoor heeft. Lambertus van Straten een schoenmaker die daar in de buurt woont is mede getuige.

Komt het door dit huwelijk, waar hij niet bij kan zijn, dat hij het idee opvat om terug te keren naar Alkmaar? Kennelijk heeft hij een verzoek om ontslag ingediend. Hiertoe moest een bewoner van de Ommerschans genoeg geld gespaard hebben om terug te keren in de gewone maatschappij. En dat was niet eenvoudig, aangezien een groot deel van het verdiende geld afgedragen moest worden aan de Maatschappij van Weldadigheid. Maar de directeur J.W. van Konijnenburg Czn. is Dirk Hout goedgunstig gezind en ondersteunt zijn verzoek in een brief aan de Permanente Commissie der Maatschappij op 22 februari 1834:

“… dat hij het schoenmakers ambacht wel verstaat en zich vlijtig en oppassend gedraagt en het der Direktie nimmer is gebleken, dat hij nog aan het gebruik van sterken drank zou verslaafd zijn. Dat zijne rekening niet gunstiger staat komt hieruit voort, dat er geen schoenmakers werk genoeg, voor alle kolonisten van dit ambacht, voorhanden is. Overigens is hij zeer doof en van eene geledene ziekte nog niet volkomen hersteld. Wat zijn voorgaand gedrag en misstappen betreft is het mij toegeschenen, dat hij daarover wezenlijk berouw gevoelt; al waarom ik van oordeel ben, dat die persoon, welke voor zijn huisgezin zoo zeer benoodigd is, zou behoren te worden ontslagen.”

Op 21 april 1834 geeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken toestemming:

Gezien de requesten van Dirk Hout (no 804) houdende verzoek om ontslag als bedelaars Colonist;
Gelet op de, deswege, van Den Heer Staatsraad, Gouverneur van Noord Holland, en van de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid, ingewonnen berigten.
Autoriseert dezelve Permanente Commissie tot het gevraagd ontslag.
Afschrift dezer zal worden gezonden aan de Commissie voornoemd, om dien overeenkomstig te handelen, aan den Heer Staatsraad, Gouverneur van Noord-Holland, tot informatie, en aan den Heer Burgemeester van Ommen, met verzoek om hetzelve aan den requestrant te willen doen uitreiken.

Dirk Hout wordt op 17 mei 1834 uit de Ommerschans ontslagen

Maar erg lang duurt zijn verblijf thuis niet want op 16 december 1834 is hij alweer terug op de Ommerschans, opgezonden vanuit Alkmaar, geregistreerd onder nummer 809. Of hij ook dit keer na krap anderhalf jaar zelf een verzoek tot ontslag doet, zoals hij een paar maanden later zal verklaren, is niet terug te vinden. In ieder geval wordt hij op 9 april 1836 opnieuw ontslagen.



Het leven van Dirk Hout (1785-1861)
Inleiding
Dirks jonge jaren
Schoenmaker in Alkmaar
Ommerschans
Naar de gevangenis
Heen en weer naar Veenhuizen


Zie ook de parenteel van Jan Hout (1758-1802)